Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:196

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
15/04391
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1547
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Discrepantie tussen strafoplegging en strafmotivering. In aanmerking genomen dat Hof blijkens zijn strafmotivering onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk zou zijn aan de door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de opgelegde straf op een kennelijke misslag. HR leest de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag en merkt op dat een kennelijke misslag als de onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door het Hof zelf (zie ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en ECLI:NL:HR:2012:BW1478) en dat deze wijze van herstel de voorkeur verdient, omdat daardoor ondubbelzinnig - en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tul vatbare beslissing. Samenhang met 15/03982, 15/04093, 15/04861 en 17/00194.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0091
RvdW 2018/286
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 februari 2018

Strafkamer

nr. S 15/04391

IV/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2015, nummer 23/002387-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is nu het Hof, anders dan tot uitdrukking komt in de strafmotivering, een gevangenisstraf heeft opgelegd waarvan het onvoorwaardelijke deel uitstijgt boven de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

2.2.

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 165 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De strafmotivering houdt onder meer het volgende in:

"Hoewel het hof met de advocaten-generaal van oordeel is dat sprake is van ernstige strafbare feiten waarop in beginsel alleen met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf kan worden gereageerd, zal het hof daarvan in het onderhavige geval afwijken. (...)

Het hof acht het gelet op al deze omstandigheden niet opportuun dat de verdachte, die ruim drie maanden in voorarrest heeft doorgebracht, opnieuw in detentie wordt genomen. Wel zal het hof, teneinde hem ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te begaan, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf aan de verdachte opleggen. Daarnaast zal het hof de verdachte veroordelen tot het verrichten van een werkstraf van na te noemen duur. De ernst van de feiten noopt hiertoe."

2.3.

De zich in het dossier bevindende stukken houden in dat de verdachte in de onderhavige zaak op 22 november 2011 in verzekering is gesteld, en dat het Gerechtshof Amsterdam de voorlopige hechtenis bij beschikking van 22 februari 2012 met ingang van 23 februari 2012 heeft geschorst. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is door de Rechtbank Amsterdam ter terechtzitting van 6 maart 2012 opgeheven. In aanmerking genomen dat het dossier geen aanwijzingen bevat dat de voorlopige hechtenis op enig ander moment gelegen tussen 22 november 2011 en 23 februari 2012 geschorst is geweest, dan wel de schorsing van de voorlopige hechtenis tussen 23 februari 2012 en 6 maart 2012 is opgeheven, dient ervan te worden uitgegaan dat de verdachte 93 dagen uit hoofde van de onderhavige zaak gedetineerd is geweest.

2.4.

In aanmerking genomen dat het Hof blijkens de hiervoor weergegeven overweging onmiskenbaar heeft bedoeld een gevangenisstraf op te leggen waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk zou zijn aan de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de onder 2.2 vermelde straf op een kennelijke misslag. De Hoge Raad leest de bestreden uitspraak met verbetering van deze misslag, te weten dat aan de verdachte een gevangenisstraf is opgelegd van 9 maanden, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Aan het middel komt daardoor de feitelijke grondslag te ontvallen.

2.5.

Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als de onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door het Hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechter(s) die op de zaak heeft (hebben) gezeten overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243, NJ 2012/248, en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478, NJ 2012/490. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor ondubbelzinnig - en op kortere termijn - duidelijkheid komt te bestaan omtrent de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing.

3 Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de onder 2.4 vermelde gevangenisstraf.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de door het Hof bepaalde straffen;

vermindert deze in die zin dat de gevangenisstraf 261 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr, en de taakstraf 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, belopen;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018.