Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1953

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/01671
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:793
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Telefonische belediging politieagent, art. 267.2 jo. 266.1 Sr. Gebruik voor bewijs van p-v van bevindingen van beledigde verbalisant in strijd met ondervragingsrecht ex art. 6.3.d EVRM, nu verdediging niet in de gelegenheid is geweest verbalisant te ondervragen, terwijl bewezenverklaring uitsluitend is gebaseerd op door verbalisant opgemaakt p-v? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. aanspraak verdediging op behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen en de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige. Nu de bewezenverklaring uitsluitend is gebaseerd op het door verbalisant A opgemaakte p-v van bevindingen m.b.t. het strafbare feit dat tegen deze verbalisant zelf is gepleegd, verdachte de betrouwbaarheid van dat b.m. op wezenlijke onderdelen heeft betwist en verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet in enig stadium van het geding gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid A als getuige te ondervragen, brengt dit, gelet ook op hetgeen is vooropgesteld, mee dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM het door verbalisant A opgemaakte p-v van bevindingen voor het bewijs heeft gebezigd. In dat verband is nog van belang dat niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze is gecompenseerd voor het ontbreken van een mogelijkheid om A als getuige te ondervragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2012
RvdW 2018/1192
NBSTRAF 2018/347
TPWS 2019/13
SR-Updates.nl 2018-0378
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/01671

SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 17 maart 2017, nummer 21/000937-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft P. Scholte, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen in strijd met het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voor het bewijs heeft gebezigd. Het betoogt daartoe dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest [verbalisant] te ondervragen, terwijl de bewezenverklaring uitsluitend is gebaseerd op het door [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 20 augustus 2014, in de gemeente Zwolle, opzettelijk beledigend een ambtenaar te weten [verbalisant] , hoofdagent van de Landelijke Eenheid Verkeerspolitie, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, telefonisch, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Kankermongool, teringlijer, dit slaat helemaal nergens op, je liegt alles bij elkaar. Krijg de tyfus.", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op het volgende bewijsmiddel:

"Het op 8 september 2014 door hoofdagent van politie, [verbalisant] , werkzaam bij de Verkeerspolitie van de Landelijke Eenheid, in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen proces-verbaalnummer P2600-2014035974-2, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik, [verbalisant] , hoofdagent van politie Landelijke Eenheid, verklaar het volgende:

Op woensdag 20 augustus 2014 omstreeks 12.51 uur bevond ik mij op het bureau van Politie, gelegen aan het Stationsplein 14 te Zwolle, binnen de gemeente Zwolle.

Ik heb op dat moment een telefonisch onderhoud gehad met [verdachte] , die mij belde met het nummer 06- [001] .

Ik hoorde dat hij tegen mij zei: "Kankermongool, teringlijer, dit slaat helemaal nergens op, je liegt alles bij elkaar. Krijg de tyfus"."

2.3.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging conform de aan het hof overgelegde pleitnota waarvan een exemplaar aan dit proces-verbaal is gehecht.

De voorzitter vraagt de raadsman welk onderdeel van het proces-verbaal van [verbalisant] door verdachte wordt betwist.

De raadsman antwoordt, zakelijk weergegeven, als volgt:

Hij betwist dat hij een verkeersovertreding heeft gemaakt op de A28 en dat hij [verbalisant] heeft beledigd.

De advocaat-generaal reageert hier, zakelijk weergegeven, als volgt op:

Met betrekking tot het getuigenverzoek:

Ik heb het opgevat als een voorwaardelijk getuigenverzoek. Er wordt nu gesteld dat [betrokkene 1] bij verdachte in de auto heeft gezeten toen [verbalisant] de verkeersovertredingen constateerde en dat deze [betrokkene 1] ook aanwezig was toen verdachte het bewuste telefoongesprek voerde met [verbalisant] . Ik vind dat onvoldoende onderbouwd.

Wat mij betreft is er ook geen noodzaak om [verbalisant] te horen. Ik verzet mij tegen het horen van de verzochte getuigen.

De raadsman reageert, zakelijk weergegeven, als volgt:

Deze zaak is pas kort geleden tot mij gekomen. Daarom heb ik deze verzoeken niet eerder gedaan. Ik had de getuige [betrokkene 1] kunnen benaderen, maar dat heb ik niet gedaan om hem onvoorbereid te laten verklaren."

2.3.2.

Blijkens de aan voormeld proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen heeft de raadsman van de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:

"Indien uw hof niet tot vrijspraak overgaat: aanhouding voor horen getuigen:

1. Verbalisant [verbalisant] . Client betwist betrouwbaarheid proces-verbaal. Niet enkel de tenlastegelegde beledigende uiting, maar ook de aanleiding voor het telefoongesprek waarin de belediging zou zijn gedaan;
PV [verbalisant] is de verklaring waarop de veroordeling 'solely and to a decisive extent' is gebaseerd. Afwijzing van dit verzoek zou een schending behelzen van het recht op een eerlijk proces als gewaarborgd door artikel 6 EVRM (vgl. Al Khawaja & Tahery)
2. [betrokkene 1] . [betrokkene 1] is de vriend met wie cliënt in de auto zou hebben gereden en die volgens cliënt tevens bij hem was toen hij het telefoongesprek voerde. [betrokkene 1] kan dus zowel bevestigen of zij over de A28 hebben gereden (hetgeen de aanleiding vormde voor het bewuste telefoongesprek en door cliënt uitdrukkelijk wordt betwist) en of cliënt de in de tenlastelegging opgenomen woorden in de mond heeft genomen."

2.3.3.

Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Voorwaardelijke getuigenverzoeken

De raadsman heeft verzocht om de volgende getuigen te horen indien het hof niet tot een vrijspraak komt:

- verbalisant [verbalisant] . De betrouwbaarheid van zijn verklaring wordt betwist.

- [betrokkene 1] . Dit is een vriend van verdachte. Volgens verdachte was [betrokkene 1] ten tijde van het tenlastegelegde bij hem aanwezig toen hij het bewuste telefoongesprek heeft gevoerd met hoofdagent [verbalisant] . Hij kan een verklaring afleggen over de door verdachte gebezigde bewoordingen tijdens het telefoongesprek met [verbalisant] .

Het hof wijst het verzoek tot het horen van deze getuigen af. De verzoeken zijn beoordeeld aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium. Naar het oordeel van het hof is er geen noodzaak tot het horen van deze getuigen nu de verdediging nog niet een begin van een aanknopingspunt heeft gegeven voor twijfel aan het proces-verbaal van hoofdagent [verbalisant] .

Verdachte heeft ten overstaan van de politie niet ontkend [verbalisant] te hebben beledigd. Hij heeft de politie laten weten dat hij zich op zijn zwijgrecht beroept en heeft niets verklaard over het tenlastegelegde. De enkele mededeling dat de betrouwbaarheid wordt betwist vormt onvoldoende onderbouwing voor de noodzaak [verbalisant] of [betrokkene 1] te horen."

2.4.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447 het volgende overwogen:

"3.2.1. Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

3.2.2.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.

3.2.3.

Voor de in cassatie aan te leggen toets of de bewijsvoering voldoet aan het hiervoor overwogene, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel hieromtrent nader heeft gemotiveerd. In het algemeen geldt dat voor de beoordeling van de vraag of het benodigde steunbewijs aanwezig is, niet kan worden volstaan met een op de betrouwbaarheid van de verklaring van de desbetreffende getuige toegesneden overweging."

2.5.

Nu de bewezenverklaring uitsluitend is gebaseerd op het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen betreffende het strafbare feit dat tegen deze verbalisant zelf is gepleegd, de verdachte de betrouwbaarheid van dat bewijsmiddel op wezenlijke onderdelen heeft betwist en de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet in enig stadium van het geding gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid [verbalisant] als getuige te ondervragen, brengt dit, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 2.4 is vooropgesteld, mee dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM het door verbalisant [verbalisant] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen voor het bewijs heeft gebezigd. In dat verband is nog van belang dat niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze is gecompenseerd voor het ontbreken van een mogelijkheid om [verbalisant] als getuige te ondervragen.

2.6.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018.