Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1952

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/01453
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:875
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag ex art. 94a Sv op woonhuis klaagster i.h.k.v. strafzaak tegen haar echtgenoot t.z.v. o.m. gewoontewitwassen. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL2823 m.b.t. situatie waarin ex art. 94a Sv beslag rust op inbeslaggenomen voorwerp en derde in een beklagprocedure om teruggave verzoekt. In aanmerking genomen dat de woning waarop het conservatoir beslag rust alleen op naam staat van klaagster, die buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, is het oordeel van de Rb dat "omstandigheden denkbaar zijn waaronder degene die is uitgesloten van de gemeenschap toch aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de gezamenlijke woning" waardoor klaagster "niet buiten twijfel als enige rechthebbende op de woning kan worden aangemerkt" zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. V.zv. de Rb van oordeel was dat zich de situatie van art. 94a.4 of 94a.5 Sv voordoet, is dat oordeel evenmin begrijpelijk. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/1191
NBSTRAF 2018/346
SR-Updates.nl 2018-0387
NbSr 2018/346
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/01453 B

IV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 10 maart 2017, nummer RK 16/3263, op een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv, ingediend door:

[klaagster] , geboren te [geboorteplaats] in het jaar 1965.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klaagster. Namens deze heeft M.E. van der Werf, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terugwijzing of verwijzing van de zaak als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat de Rechtbank het beklag op ontoereikende gronden ongegrond heeft verklaard.

2.2.

De Rechtbank heeft het beklag ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen:

"Vooropgesteld wordt dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt.

In geval van beklag tegen een op de voet van artikel 94a Sv gelegd beslag dient de rechter te beoordelen of sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd en of niet het geval zich voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

In het geval het klaagschrift is ingediend door een derde - een ander dan degene tegen wie het strafrechtelijk onderzoek is gericht - die stelt eigenaar te zijn, dient de rechter te onderzoeken of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat de klaagster als eigenaar van het voorwerp moet worden aangemerkt. Het gaat daarbij om een voorlopig oordeel omtrent de eigendoms- en bezitsrechten. Indien de klaagster als eigenaresse wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken of zich de situatie van artikel 94a, derde of vierde lid, Sv voordoet.

De partner van klaagster, [betrokkene 1] wordt verdacht van witwassen, een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat nu [betrokkene 1] onder meer is veroordeeld voor witwassen, een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd - het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen.

Uit de processtukken en het verhandelde in raadkamer is niet gebleken dat het woonhuis aan de klaagster alleen in eigendom toebehoort.

Klaagster woont met [betrokkene 1] gezamenlijk in de in beslag genomen echtelijke woning. Hoewel partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd, zijn er omstandigheden denkbaar waaronder diegene die is uitgesloten toch aanspraak maakt op een deel van de waarde van de gezamenlijke woning. Klaagster heeft niet meer aangevoerd dan dat zij buiten iedere gemeenschap zijn gehuwd en dat de woning op haar naam staat. Dit is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om te kunnen oordelen dat [betrokkene 1] geen aanspraak op een deel van de waarde van de woning kan maken. Gelet hierop kan de klaagster niet buiten redelijke twijfel als enige rechthebbende op de woning worden aangemerkt, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard."

2.3.

Art. 94a Sv luidt:

"1. In geval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen geldboete.

2. In geval van verdenking van of veroordeling wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslag genomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een naar aanleiding van dat misdrijf op te leggen verplichting tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

3. Ingeval van verdenking van een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen in beslaggenomen worden tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

4. Voorwerpen die toebehoren aan een ander dan degene aan wie, in het in het eerste lid bedoelde geval, de geldboete kan worden opgelegd of degene aan wie, in het in het tweede lid bedoelde geval, het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, of degene aan wie, in het in het derde lid bedoelde geval, de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht kan worden opgelegd, kunnen in beslag worden genomen indien voldoende aanwijzingen bestaan dat deze voorwerpen geheel of ten dele aan die ander zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van voorwerpen te bemoeilijken of te verhinderen, en die ander dit wist of redelijkerwijze kon vermoeden.

5. In het geval, bedoeld in het vierde lid, kunnen tevens andere aan de betrokken persoon toebehorende voorwerpen in beslag worden genomen, tot ten hoogste de waarde van de in het vierde lid bedoelde voorwerpen.

6. Onder voorwerpen worden verstaan alle zaken en alle vermogensrechten."

2.4.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter in een geval als het onderhavige, waarin op de voet van art. 94a Sv beslag rust op het inbeslaggenomen voorwerp en een derde in een beklagprocedure op de voet van art. 552a Sv om teruggave verzoekt, als maatstaf moet aanleggen of zich het geval voordoet dat buiten redelijke twijfel is dat die derde als eigenaar van dat inbeslaggenomen voorwerp moet worden aangemerkt en daarvan in zijn beslissing blijk moet geven. Indien die derde als eigenaar wordt aangemerkt, zal de rechter tevens moeten onderzoeken, en daarvan blijk moeten geven, of zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR: 2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.15).

2.5.

Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de woning waarop het conservatoir beslag rust alleen op naam staat van de klaagster, die buiten gemeenschap van goederen is gehuwd, is het oordeel van de Rechtbank dat "omstandigheden denkbaar zijn waaronder degene die is uitgesloten van de gemeenschap toch aanspraak kan maken op een deel van de waarde van de gezamenlijke woning" waardoor de klaagster "niet buiten twijfel als enige rechthebbende op de woning kan worden aangemerkt" zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voor zover de Rechtbank van oordeel was dat zich de situatie van art. 94a, vierde of vijfde lid, Sv voordoet, is dat oordeel evenmin begrijpelijk.

2.6.

Het middel slaagt.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden beschikking;

wijst de zaak terug naar de Rechtbank Rotterdam, opdat de zaak op het bestaande klaagschrift opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018.