Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1949

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
16/05143
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:587
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2962, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belaging van politieagent door in periode van 6 jaren (liefdes)brieven, kaarten en pakketten met cadeaus op te sturen naar politiebureau, aangever daar op te zoeken, hem via social media, per telefoon en per post op zijn privéadres te benaderen en zich in de buurt van diens woning op te houden, art. 285b.1 Sr. Stelselmatige inbreuk op persoonlijke levenssfeer? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2013:BZ3626 m.b.t. in aanmerking te nemen factoren bij beoordeling of sprake is van belaging. In aanmerking genomen hetgeen b.m. inhouden omtrent de indringendheid, de duur en de frequentie alsmede omtrent de aard van de gedragingen van verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op persoonlijke levenssfeer van aangever niet blijk van onjuiste uitleg van art. 285b.1 Sr. Daarbij neemt HR mede in aanmerking dat verdachte ondanks 2 door hem ondertekende verklaringen met de strekking dat hij zou stoppen met het in contact treden met aangever vervolgens is doorgegaan met dat in contact treden. De omstandigheid dat de frequentie van de contacten gedurende de zeer lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden niet hoog was staat, evenmin als de omstandigheid dat tlgd. gedragingen naar hun aard niet op zichzelf beschouwd strafbaar zijn, niet in de weg aan het bestaan van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr. ’s Hofs oordeel is niet ontoereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2009
NJ 2018/427
RvdW 2018/1181
NBSTRAF 2018/343
TPWS 2019/12
SR-Updates.nl 2018-0395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 16/05143

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 7 oktober 2016, nummer 22/002588-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.M. van der Linden, advocaat te Waddinxveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de bewezenverklaring van het tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1].

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 december 2009 tot en met 5 december 2015 te Gouda en/of Ter Aar, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], met het oogmerk [betrokkene 1], te dwingen iets te doen en/of te dulden, immers heeft verdachte

- (meermalen) contact gezocht met [betrokkene 1] middels www.hyves.nl en

- [betrokkene 1] meerdere kaarten en brieven en pakketten gestuurd en

- [betrokkene 1] opgezocht op diens werk en

- [betrokkene 1] sms-berichten gestuurd en

- de woning van [betrokkene 1] opgezocht en

- de aanmaningen en verzoeken van [betrokkene 1] om geen contact meer met hem op te nemen genegeerd."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal aangifte d.d. 10 juli 2015 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015205711-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 20 tot en met 24):

als de op 10 juli 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Ik ben werkzaam als brigadier van politie bij de eenheid Den Haag, werkzaam binnen het team Gouda. Op 27 november 2009 schreef ik een mini-proces-verbaal uit voor een man die opgaf te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1966.

Op 1 december 2009 kreeg ik via mijn persoonlijke profiel op internetsite Hyves een uitnodiging van [verdachte]. Ik zag aan de profielfoto van dit profiel dat het hier om [verdachte] ging. Op diezelfde dag kreeg ik wederom een uitnodiging via Hyves van [verdachte], met wederom dezelfde profielfoto als [verdachte]. Ik heb vervolgens de uitnodiging genegeerd.

Op 6 december 2009 keek ik in het postvakje op mijn werk. Ik zag daar een envelop liggen met hierop mijn naam en het adres van het bureau van politie. Toen ik in de envelop keek, zag ik daar een kaart zitten. In deze kaart zat tevens een foto van een man welke ik herkende als [verdachte]. Op de kaart stond een soort van liefdesverklaring.

Op 9 december 2009 heb ik in overleg met [verbalisant 1] een brief opgesteld en deze verzonden naar [verdachte]. In de brief heb ik aangegeven dat hij geen enkel contact met mij moet opnemen. Hierna heb ik een tijdje geen bericht meer gehad van [verdachte].

Op 16 april 2010, mijn verjaardag, lag er ineens een pakketje in mijn postvakje met op de voorzijde een zelfgemaakte adressticker, met hierop een foto van de politiepost en gefeliciteerd met mijn verjaardag. In deze envelop zat een zelfgemaakte cd met een zelf gemaakte hoes. Op de cd stonden diverse Duitse liefdesliedjes. In het boekje met teksten stonden tevens foto's van [verdachte] zelf.

Op 30 oktober 2010 kwam ik op mijn werk. Ik zag dat er op de tafel van de chef van dienst een pakket lag met hierop mijn naam. Ik herkende de zelfgemaakte adres sticker als de eerdere die [verdachte] heeft gemaakt. Na het pakket te hebben opengemaakt, zaten de volgende goederen erin:

- oranje t-shirt;

- cd van Nina Hagen, Street Compiled;

- cd van The World Cop Mix;

- cd van De Verzoening, waarbij op het display te zien is [betrokkene 1];

- vier brieven met liefdesverklaring richting mij;

- briefje met een soort van tegoedbon voor een vierde cd;

- kaart met proefluchtje.

Hierop heb ik al de goederen overgedragen aan [verbalisant 1]. In overleg met hem zou er een gesprek plaats vinden tussen hem en [verdachte]. Dit gesprek heeft op 15 november 2010 plaatsgevonden aan het bureau van politie te Gouda. Door [verbalisant 1] werd mij verteld dat hij [verdachte] had gewaarschuwd geen contact meer met mij te zoeken anders zou er aangifte tegen hem gedaan worden van belaging. Dit is bevestigd door het feit dat [verdachte] een verklaring heeft ondertekend waarin hij heeft verklaard zich hieraan te houden.

Op 16 maart 2011 was ik wederom aan het werk binnen het bureau van politie te Gouda. Op die dag ontving ik van een medewerker van de afdeling Intake een pakketje. Ik zag dat er op dit pakket een adressticker zat, welke ik herken als de stickers welke [verdachte] maakt. In het pakket zat een fles rode wijn van het merk Stormhoek. Ook zat hier een wijnfleshouder bij in de vorm van een ketting. In de doos zat tevens een brief met hierop weer een heel onsamenhangend verhaal. Tevens zat er een postkaart bij welke zelf is samengesteld met hierop de tekst: "Where and when you are [betrokkene 1] there and then I am [verdachte]".

Op 12 december 2012 is [verdachte] opnieuw voor mij naar het politiebureau te Gouda gekomen. Ik was op dat moment niet aanwezig en dat is ook aan [verdachte] verteld. Echter nam hij daar geen genoegen mee en hij stond er op dat ik gebeld zou worden. Hij moest en zou mij spreken. Omdat mijn collega's wisten dat ik absoluut geen contact met [verdachte] wilde, hebben zij mij niet gebeld. [verdachte] nam hier geen genoegen mee en weigerde vervolgens het bureau te verlaten.

Op 31 december 2012 is [verdachte] wederom voor mij naar het politiebureau te Gouda gekomen. Eigenlijk gebeurde toen hetzelfde als op 12 december 2012. [verdachte] probeerde via een smoes met mij in contact te komen. Gelukkig hadden mijn collega's het snel door en werd hem verteld dat hij het politiebureau moest verlaten. [verdachte] weigerde dit wederom.

Hierna is het lange tijd rustig geweest. [verdachte] nam geen contact meer met mij op, ik ontving geen nieuwe brieven of cadeaus, en hij kwam niet meer naar het politiebureau om mij lastig te vallen. Pas toen dit gestopt was, merkte ik wat voor negatieve invloed [verdachte] op mij en mijn werk had. Ik voelde mij beperkt in de uitvoering van mijn werkzaamheden. Ik ben terughoudender geworden in sommige situaties op straat en het maakt me extra alert in sommige momenten. Ik wil benadrukken dat ik [verdachte] éénmaal heb gezien en dat betrof het moment van de bekeuringssituatie. [verdachte] haalt in zijn brieven en contacten zaken aan waar ik niets vanaf weet, wat gewoon niet zo is en niet gebeurd is.

Helaas bleek op 1 januari 2015 dat [verdachte] mij niet vergeten is en dat hij niet gestopt is met mij lastig vallen. Op 1 januari 2015 kreeg ik een sms bericht van het telefoonnummer +[06-001]. Ik las de volgende tekst: "[betrokkene 1]! De allerbeste wensen en een heel gelukkig nieuw jaar." Ik wist op dat moment niet wie de persoon achter dit telefoonnummer was en stuurde het volgende bericht terug: "Dank je wel, jij ook, Ik heb alleen je nummer niet opgeslagen. Wie ben je?" Ik zag dat ik vervolgens het volgende bericht als antwoord ontving: "Heb ook nog een ander nummer, misschien had jij die AL LANG opgeslagen! Toch... ? Hoe dan ook. Dank je... En nogmaals, [betrokkene 1], GELLUKKIG NIEUWJAAR. Je weet wie ik ben! ECHT WAAR... IK WENS JE HET ALLERBESTE!!!". Ook na het lezen van dit bericht had ik nog geen enkel idee wie de persoon achter dit telefoonnummer was. Om die reden heb ik het telefoonnummer gebeld. Ik hoorde dat een manspersoon de telefoon op nam en ik vroeg wie hij was. Ik hoorde dat de man zei: "Je weet wel wie ik ben [betrokkene 1]." Ik vroeg aan de man waar ik hem van zou moeten kennen. Ik hoorde dat de man zei: "Van je werk". Door deze laatste opmerking moest ik meteen aan [verdachte] denken. Hierop heb ik hem daarmee geconfronteerd en ik heb het telefoongesprek beëindigd.

Op 15 april 2015, een dag voor mijn verjaardag, hoorde ik van mijn buurman dat er een pakketje voor mij was afgeleverd. Ik ben vervolgens naar mijn buurman gegaan en ik zag inderdaad dat het pakketje op mijn naam stond.

Ik opende vervolgens het pakket en ik zag dat dit precies een zelfde fles wijn betrof, welke ik op 16 maart 2011 ook al eens van [verdachte] had ontvangen. Ik zag dat er een kaart bij zat, welke aan mij gericht was. Ik las dat [verdachte] mij feliciteerde met mijn verjaardag en dat hij aanhaalde dat hij mij al lang niet gezien had. Tevens las ik dat hij schreef dat hij een keer een biertje bij mij kwam halen. Aangezien ik dit pakket geheel niet had willen ontvangen en ook absoluut niet wil dat [verdachte] bij mij langs komt, heb ik het pakket retour afzender terug gestuurd.

Op 9 juli 2015 bevond ik mij in de woonkamer van mijn woning in Ter Aar. Ik keek op dat moment naar buiten en zag dat [verdachte] in mijn straat liep. In eerste instantie geloofde ik mijn eigen ogen niet en ik liep mijn woning uit, naar de straat. Ik zag dat [verdachte] ondertussen ongeveer 100 meter verderop liep en even op de hoek van de straat bleef staan. Ik zag dat hij zich omdraaide en in mijn richting liep. Ik ben toen mijn woning weer in gegaan. Ik zag dat [verdachte] voor mijn woning langs liep en ik zag op dat moment dat het echt [verdachte] was. Ik zag dat hij de voortuin van de buren, van perceel 27, in liep. Ik ben toen snel naar boven gelopen en ik hoorde de deurbel van de buren gaan. Ik heb vervolgens geluisterd wat er gebeurde. Ik hoorde dat de deur bij de buren geopend werd en ik hoorde dat [verdachte] zei: "Waar woont [betrokkene 1]?" Ik hoorde dat de buurman zei dat die naast hem woonde, betreffende mijn woning. [verdachte] is vervolgens gelukkig niet naar mijn woning gekomen.

Gezien het feit dat [verdachte] mij sinds 2009 tot en met heden blijft benaderen, brieven stuurt, pakketjes stuurt en mij nu zelfs in mijn privé omgeving op zoekt, doe ik aangifte ter zake van stalking en belaging. [verdachte] heeft in het verleden al eens een schrijven ondertekend waarin staat dat bij geen contact meer met mij zou opnemen. Echter blijft hij contact met mij opnemen.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

2. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 11 februari 2016 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015205711-7. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 28 en 29):

als de op 11 februari 2015 afgelegde verklaring van [betrokkene 1]:

Op 10 juli 2015 heb ik samen met mijn uitvoerend teamchef een gesprek met [verdachte] gehad. Naar aanleiding van dit gesprek heb ik mijn aangifte op dat moment niet doorgezet. Ik heb tegen [verdachte] uitdrukkelijk gezegd dat hij mij met rust moest laten en geen brieven of iets dergelijks moest sturen. [verdachte] gaf als antwoord dat hij het snapte en dat hij het erg vervelend voor mij vond. Dit was voor mij een reden om de aangifte nog niet door te zetten.

Op 5 december 2015 kreeg ik wederom een brief in mijn brievenbus. Het betrof een enveloppe met een geschreven tekst. Ik herkende het handschrift direct als het handschrift van [verdachte]. In de enveloppe zat een kaartje waarop een paar sportschoenen stonden afgedeeld met de tekst: "Hoera een Zoon gefeliciteerd, BABY". Aan de binnenkant van het kaartje staat geschreven: "Heel veel plezier en geluk met jullie zoon, hartelijke groet [verdachte]". Tevens zat er ook een getypte brief bij. Hierin staat een voor mij onsamenhangend verhaal geschreven door [verdachte].

Mijn vrouw is op 29 juni 2015 bevallen van een zoon. In de enveloppe zat ook nog een sleutelhanger met een zogenaamde engelvleugel. Aan de sleutelhanger zat een kaartje met daarop de tekst: "Een hemelse vriend staat altijd voor je klaar". Ook hier weer afgebeeld een engelvleugel.

Toen ik dat kaartje kreeg, was ik het helemaal zat. Ik had hem in juli 2015 nog gewaarschuwd dat als hij mij nog een keer lastig zou vallen, ik de aangifte door zou laten gaan.

3. Een proces-verbaal ontvangst klacht door hulpofficier van justitie d.d. 3 maart 2016 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015205711-20. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 26 en 27):

als relaas van de opsporingsambtenaar:

Op 3 maart 2016 heb ik, verbalisant [verbalisant 2], als hulpofficier van justitie van Eenheid Den Haag te Gouda een mondelinge klacht ontvangen. De klacht werd gedaan door: [betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1983.

De klager verklaarde tegenover mij het volgende:

Ik wens uitdrukkelijk om tot vervolging over te gaan ter zake stalking. Van 2009 tot en met 2015 ben ik veelvuldig lastig gevallen door [verdachte], geboren 23 mei 1966. Hij benadert mij via social media, per post, per telefoon en tevens heeft hij mij in mijn eigen privé omgeving opgezocht. Verder verwijs ik u naar mijn aangifte, welke ik op 10 juli 2015 heb gedaan.

4. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2015 van de Politie Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2015205711-4. Dit proces-verbaal houdt onder meer in (pagina 30 tot en met 34):

als relaas van de opsporingsambtenaar:

Naar aanleiding van de aanhouding van de verdachte [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, heb ik, verbalisant [verbalisant 1], op 10 juli 2015 gesproken met betrokkene [betrokkene 1].

In gesprek gaf [betrokkene 1] aan dat bij het als zeer bedreigend had ervaren dat betrokkene [verdachte] gisteren aan de deur stond bij zijn buren. Hij geeft aan dat hij bang is dat nu [verdachte] weet waar hij woont hij hem regelmatig komt opzoeken.

Uit contact met collega's blijkt dat verdachte [verdachte] steeds aangeeft dat hij alleen ophoudt met contact zoeken als [betrokkene 1] dat zelf tegen hem zegt. Hij geeft aan dat het hem niet uitmaakt en hij zich er niets aan gelegen laat, als de politieorganisatie of de rechter hem verbieden contact te hebben met [betrokkene 1].

[betrokkene 1] was sinds 2009 bekend met dit verzoek van verdachte [verdachte]. Zijn standpunt was echter dat hij niets met [verdachte] te maken wilde hebben en vooral ook geen contact met hem wilde.

Dit heeft er in geresulteerd dat [betrokkene 1] in 2010 een brief heeft geschreven, waarin hij aangeeft dat hij geen contact wenst met [verdachte].

Op 15 november 2015 (het hof leest: 2010) heb ik een uitgebreid gesprek gehad met verdachte [verdachte]. Hierin is hem duidelijk de wacht aangezegd en hebben we gezamenlijk een verklaring ondertekend. Hierin geeft verdachte [verdachte] aan te stoppen met zijn stalkingsgedrag.

Helaas heeft [verdachte] zich niet aan deze afspraak gehouden. Naar aanleiding van het feit dat [verdachte] wederom contact zocht met [betrokkene 1] heb ik aan [betrokkene 1] voorgelegd om toch in een persoonlijk gesprek met [verdachte] hem aan te geven dat hij niet gediend is van contact met [verdachte].

Op 10 juli 2015 ben ik aangesloten in het verhoor van [verdachte]. In dit verhoor heb ik de verdachte [verdachte] nogmaals herinnerd aan de afspraken die we hebben ondertekend op 15 november 2010. Hij gaf aan dat hij zich dit nog herinnerde maar dat hij later weer contact had gezocht. Hierop heb ik hem gevraagd of hij ook nu een brief wilde ondertekenen waarin hij aangeeft te stoppen met zijn stalkingsgedrag.

Ik hoorde hem zeggen: "Ik begrijp nu wel dat [betrokkene 1] geen contact meer met mij wil. Ik wil mij hier nu aan houden en wil de brief ondertekenen". Ik zag dat de verdachte [verdachte] de brief vervolgens ondertekende.

5. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 23 september 2016 verklaard:

Ik heb in de periode van 1 december 2009 tot en met 5 december 2015 contact gezocht met [betrokkene 1]. Ook heb ik hem in die periode kaarten, brieven en pakketten gestuurd en heb ik hem opgezocht op diens werk. Voorts ben ik naar de woning van [betrokkene 1] in Ter Aar gegaan om hem op te zoeken. Op 1 januari 2015 heb ik een sms-bericht naar [betrokkene 1] verzonden.

U houdt mij voor dat in november 2010 een gesprek heeft plaatsgevonden waarin aan mij is verteld geen contact meer met [betrokkene 1] te zoeken; anders zou er aangifte tegen mij worden gedaan voor belaging. Uit dit gesprek begreep ik dat [betrokkene 1] het niet leuk vond."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van het bewezenverklaarde voorts het volgende overwogen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman bepleit dat zijn cliënt dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu de gedragingen van zijn cliënt over een periode van zes jaar geen stelselmatig inbreuk hebben gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangever. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het slechts ging om een beperkt aantal contacten per jaar en dat de aangever zelf ook initiatief nam om contact met zijn cliënt te onderhouden.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is blijkens staande jurisprudentie van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Dat aan dit criterium is voldaan, volgt uit de bewijsmiddelen. Dat het contact ook van de aangever is uitgegaan, zoals door de verdediging is gesteld, is op basis van de inhoud van het dossier volstrekt niet aannemelijk geworden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever het contact slechts heeft gezocht om verdachte uitdrukkelijk kenbaar te maken dat hij niet gediend was van de pogingen tot toenadering door de aangever. Voorts overweegt het hof dat het aantal contacten slechts één van de factoren is die bepaalt of sprake is van stalking. Uit het geheel der gedragingen van de verdachte - zoals blijkt uit de bewijsmiddelen - volgt naar het oordeel van het hof zonder meer dat verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de aangever."

2.3.

Art. 285b, eerste lid, Sr luidt:

"Hij, die wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen wordt, als schuldig aan belaging, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van de vierde categorie."

2.4.1.

Vooropgesteld moet worden dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in art. 285b, eerste lid, Sr van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (vgl. HR 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3626, NJ 2013/394).

2.4.2.

Het gaat in deze zaak blijkens de bewijsvoering kort gezegd om het volgende. De verdachte heeft [betrokkene 1] op 1 december 2009 via sociale media uitgenodigd en hem daarna een kaart gestuurd. [betrokkene 1] heeft vervolgens op 9 december 2009 een brief aan de verdachte gestuurd met de mededeling dat de verdachte geen enkel contact meer met hem moest opnemen. Daarna heeft de verdachte tussen 16 april 2010 en 5 december 2015 acht maal contact opgenomen, doordat hij brieven, kaarten en pakketten met cadeaus heeft gestuurd naar het politiebureau waar [betrokkene 1] werkzaam was, hem op het politiebureau heeft opgezocht, hem per telefoon en tevens per post op zijn privéadres heeft benaderd en zich in de buurt van zijn woning heeft opgehouden. Op 15 november 2010 is de verdachte in een gesprek met een collega van [betrokkene 1] gewaarschuwd geen contact meer met [betrokkene 1] te zoeken en heeft de verdachte een verklaring ondertekend dat hij zou stoppen. Op 10 juli 2015 is de verdachte in een gesprek met [betrokkene 1] en diens chef aangemaand [betrokkene 1] met rust te laten en heeft de verdachte wederom een verklaring ondertekend dat hij zou stoppen. Telkens na het ondertekenen van deze verklaringen is de verdachte doorgegaan met het in contact treden met [betrokkene 1]. Door een en ander voelde [betrokkene 1] zich beperkt in zijn werkzaamheden als brigadier van politie, is terughoudender geworden in sommige situaties op straat en extra alert op sommige momenten en voelde hij zich opgezocht in zijn eigen privé-omgeving.

2.4.3.

In aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de indringendheid, de duur en de frequentie alsmede omtrent de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] niet blijk van een onjuiste uitleg van art. 285b, eerste lid, Sr. Daarbij neemt de Hoge Raad mede in aanmerking dat de verdachte ondanks twee door hem ondertekende verklaringen met de strekking dat hij zou stoppen met het in contact treden met [betrokkene 1] vervolgens is doorgegaan met dat in contact treden. De omstandigheid dat de frequentie van de contacten gedurende de zeer lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden niet hoog was, staat, evenmin als de omstandigheid dat de tenlastegelegde gedragingen naar hun aard niet op zichzelf beschouwd strafbaar zijn, niet in de weg aan het bestaan van "stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer" in de betekenis die daaraan toekomt in art. 285b Sr. Het oordeel van het Hof is niet ontoereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018.