Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1944

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
17/05456
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1020
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Medeplegen voorhanden hebben aanzienlijke hoeveelheden professioneel vuurwerk, art. 9.2.2.1 Wet milieubeheer. Toepassing art. 9a Sr. Het middel klaagt terecht niet dat het Hof art. 9a Sr heeft geschonden door zijn beslissing om geen straf of maatregel op te leggen te doen steunen op de grond dat met de bestraffing van verdachte geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer wordt gediend. Hof heeft bij zijn beslissing om geen straf of maatregel op te leggen "alles afwegende" kennelijk niet alleen rekening gehouden met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM maar ook met (i) de ttz. in h.b. naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van verdachte, (ii) de omstandigheid dat hij niet eerder is veroordeeld en (iii) het gegeven dat de feiten reeds geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. V.zv. het middel blijkens de toelichting steunt op de stelling dat het Hof de toepassing van art. 9a Sr uitsluitend heeft doen steunen op de overschrijding van de redelijke termijn, berust het derhalve op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het in zoverre feitelijke grondslag. 's Hofs toepassing van art. 9a Sr is toereikend gemotiveerd. Gelet op al hetgeen waarop het Hof acht heeft geslagen, waaronder de omstandigheid dat t.t.v. het bestreden arrest de gehele procedure ruim zes jaren bestreek, doet aan de begrijpelijkheid van die beslissing niet af dat de redelijke termijn in e.a. niet met drie jaren, zoals het Hof heeft vastgesteld, maar met twee jaren en drie maanden is overschreden. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0380
NJB 2018/2014
RvdW 2018/1180
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/05456 E

DAZ/CB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, Economische Kamer, van 25 juli 2017, nummer 23/004355-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door het Openbaar Ministerie. Het heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De raadslieden van de verdachte, Th.O.M. Dieben en G.A. Jansen, beiden advocaat te Amsterdam, hebben het beroep tegengesproken.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat 's Hofs beslissing dat geen straf of maatregel wordt opgelegd, onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij - kort gezegd -

1. tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 24 oktober 2010 tot en met 27 oktober 2010 te Ermelo professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik, te weten 646 flowerbeds binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft opgeslagen en voorhanden gehad en dat ook heeft gedaan als niet zijnde een persoon met gespecialiseerde kennis ten aanzien van professioneel vuurwerk, en

2. dat hij in de periode van 26 oktober 2010 tot en met 27 oktober 2010 te Ermelo samen met anderen opzettelijk ongeveer 11.675 kg vuurwerk in een zeecontainer, ongeveer 1.339 kg vuurwerk in een bestelbus en ongeveer 1.276 kg vuurwerk in een aanhangwagen voorhanden heeft gehad zonder dat aan de wettelijke eisen was voldaan.

2.2.2.

De Rechtbank heeft de verdachte te dier zake - na een eis van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren - veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een geldboete van € 7.500,-, subsidiair 72 dagen hechtenis.

2.2.3.

Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank vernietigd wat betreft de strafoplegging en - in zoverre opnieuw rechtdoende - bepaald dat geen straf of maatregel wordt opgelegd. Het heeft die beslissing als volgt gemotiveerd:

"De economische kamer van de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 7.500,00, te vervangen door 72 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden met een proeftijd van twee jaren.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht een geheel voorwaardelijke straf op te leggen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de redelijke termijn aanzienlijk is geschonden en dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder zijn penibele medische conditie.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. De verdachte heeft samen met anderen een aanzienlijke hoeveelheid professioneel vuurwerk voorhanden gehad, terwijl hij niet heeft voldaan aan de wettelijke eisen die worden gesteld met het oog op de veiligheid en het veilig gebruik van dit vuurwerk. Met het opslaan van circa 12.000 kilo Flowerbeds in een container en circa 200 kilo Flowerbeds in vervoersmiddelen heeft de verdachte voor andere mensen en goederen een zeer gevaarlijke situatie in het leven geroepen. De overheid tracht door middel van milieu- en veiligheidsvoorschriften de kans op calamiteiten zoveel mogelijk te beperken. Door aldus te handelen heeft de verdachte onverantwoorde risico's genomen. Het hof rekent het de verdachte dan ook aan dat hij met zijn investering slechts oog heeft gehad voor zijn eigen financiële situatie, terwijl hij zich geen rekenschap heeft gegeven van de ernstige gevaren met de nodige risico's die hij heeft veroorzaakt.

Het hof heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Het hof neemt in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 9 juni 2017 niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat de bewezenverklaarde feiten reeds geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden.

Het hof overweegt met betrekking tot het procesverloop in de onderhavige zaak het volgende.

Redelijke termijn

De redelijke termijn heeft een aanvang genomen op 5 juli 2011, de datum waarop de verdachte is aangehouden en in verzekering is gesteld. Ondanks dat de bewezenverklaarde feiten op 27 oktober 2010 zijn geverbaliseerd, is het politieonderzoek voortgezet in verband met de verwachte binnenkomst van een nieuwe zending professioneel vuurwerk in november 2010, welke zending overigens is uitgebleven. In februari 2012 is het proces-verbaal afgerond, waarna op 16 juli 2014 door het Interregionaal Milieuteam van de Bovenregionale Recherche Noordwest Nederland onder verantwoordelijkheid van het Functioneel Parket, een aanvullend proces-verbaal is opgemaakt inzake de afwikkeling van het beslag (en een rechtshulpverzoek). De zaak is uiteindelijk aanhangig gemaakt bij de rechtbank, waar op 25 september 2015 de inhoudelijke behandeling heeft plaatsgevonden en op 14 oktober 2015 vonnis is gewezen. Dit betekent dat de procedure in eerste aanleg een periode van vier jaren en drie maanden heeft bestreken met een aanzienlijk gedeelte van inactiviteit. In deze zaak is het hof met de rechtbank van oordeel dat in eerste aanleg de redelijke termijn, welke te doen gebruikelijk gesteld wordt op twee jaren met drie jaren is overschreden.

Overigens staat deze zaak in dit opzicht niet op zich. Meerdere vergelijkbare zaken die onder (eind)verantwoordelijkheid van het Functioneel Parket zijn uitgevoerd, laten deze weinig voortvarende aanpak zien voordat ze uiteindelijk bij de rechtbank worden aangebracht. Telkens is het tijdsverloop onverklaarbaar, laat staan te rechtvaardigen. Dat is een zorgwekkende constatering ook in onderhavige zaak als één van een reeks vergelijkbare zaken.

Zowel door de verdachte als door de officier van justitie is hoger beroep ingesteld. Het appel van de officier van justitie is blijkens haar appelschriftuur van 10 november 2015 uitsluitend gericht tegen de strafoplegging. Ondanks dat de stukken tijdig binnen acht maanden, op 5 januari 2016, bij de griffie van het hof zijn ingekomen en door de verdediging geen onderzoekswensen zijn ingediend, is reeds één jaar en zes maanden verstreken voor de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep is aangevangen.

Het hof stelt vast dat, nu het hof eerst op 25 juli 2017 uitspraak doet, de procedure als geheel een periode van ruim zes jaren heeft bestreken, hetgeen geenszins is te wijten aan de verdachte noch aan de complexiteit van de zaak, en dat uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, deze periode is overschreden met twee jaren en negen maanden. Deze overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, dient dan ook in de straf te worden gedisconteerd.

Gelet op de ernst van de feiten, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat de straf zoals door de officier van justitie die eerste aanleg is gevorderd in beginsel een passende sanctie is.

Echter, anders dan de advocaat-generaal is het hof rekening houdend met het gebrek aan voortvarendheid in de opsporing en vervolging met tot gevolg een zeer aanzienlijke en onverklaarbare overschrijding van de redelijke termijn, van oordeel dat de bestraffing van de verdachte - zoals gevorderd - thans geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer dient.

Alles afwegende, ziet het hof aanleiding onder toepassing van artikel 9a Sr te bepalen, dat geen straf of maatregel wordt opgelegd."

2.3.

Het middel klaagt terecht niet dat het Hof art. 9a Sr heeft geschonden door zijn beslissing om geen straf of maatregel op te leggen te doen steunen op de grond dat met de bestraffing van de verdachte geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel meer wordt gediend.

2.4.

Blijkens zijn overwegingen heeft het Hof bij zijn beslissing om geen straf of maatregel op te leggen "alles afwegende" kennelijk niet alleen rekening gehouden met de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn in de zin van art. 6 EVRM maar ook met (i) de ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de verdachte, (ii) de omstandigheid dat hij niet eerder is veroordeeld en (iii) het gegeven dat de feiten reeds geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden. Voor zover het middel blijkens de toelichting steunt op de stelling dat het Hof de toepassing van art. 9a Sr uitsluitend heeft doen steunen op de overschrijding van de redelijke termijn, berust het derhalve op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist het in zoverre feitelijke grondslag.

2.5.

Anders dan het middel betoogt is 's Hofs toepassing van art. 9a Sr toereikend gemotiveerd. Gelet op al hetgeen waarop het Hof acht heeft geslagen, waaronder de omstandigheid dat ten tijde van het bestreden arrest de gehele procedure ruim zes jaren bestreek, doet aan de begrijpelijkheid van die beslissing niet af dat volgens het middel de redelijke termijn in eerste aanleg niet met drie jaren, zoals het Hof heeft vastgesteld, maar met twee jaren en drie maanden is overschreden.

2.6.

Het middel faalt derhalve.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, Y. Buruma, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018.