Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1943

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
17/04147
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:713
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag (meermalen gepleegd) door voor zijn winkel in Amsterdam met vuurwapen in de richting van A en B te schieten. 1. Verweer m.b.t. betrouwbaarheid verklaringen A en B. 2. Bewijsklacht opzet. 3. Had Hof ex art. 6 EVRM ambtshalve oproeping van A en B als getuigen moeten bevelen? 4. Motivering strafoplegging.

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat verklaringen van A en B voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat o.g.v. de inhoud van het dossier en het onderzoek ttz. geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaringen moet worden getwijfeld. In dat verband heeft Hof o.m. overwogen dat de inhoud van die verklaringen in zoverre consistent is en in overeenstemming met verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen in b.m. Hiermee heeft Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de tot het bewijs gebezigde verklaringen betrouwbaar acht. Omstandigheid dat voornoemde personen zich daarnaast onheus en onjuist hebben uitgelaten over verdachte, noopt niet tot een ander oordeel.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2003:AE9049 m.b.t. voorwaardelijk opzet op de dood. Hof heeft vastgesteld dat verdachte vuurwapen heeft gepakt toen hij zag dat A en B kwamen aanlopen en dat hij wist dat vuurwapen geladen was omdat hij zelf munitie in het vuurwapen had gedaan. Voorts heeft Hof vastgesteld dat verdachte door derde werd gewaarschuwd dat hij het niet moest doen, dat verdachte met vuurwapen - waarvan hij niet precies wist hoe het werkte - in de hand naar de deur is gelopen, dat hij vuurwapen richtte in de richting van B en schoot, waarna B zich bukte en een kogel over zijn hoofd hoorde vliegen, en dat verdachte vuurwapen daarna richtte in de richting van A en hem in het onderbeen raakte. Volgens Hof was onder deze omstandigheden, in een dynamische situatie waarbij potentiële slachtoffers in beweging waren, sprake van een aanmerkelijke kans dat A en B dodelijk zouden worden getroffen door de door verdachte afgevuurde kogels. Verdachtes gedragingen, i.h.b. het meerdere malen van betrekkelijke korte afstand met vuurwapen gericht schieten op een persoon, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die persoon gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. ’s Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 3. P-v’s ttz. in e.a. en h.b. houden niet in dat door of namens verdachte is verzocht A en/of B als getuige te (doen) horen. Indien rechter in e.a. heeft doen blijken dat hij een t.o.v. opsporingsambtenaar afgelegde, verdachte belastende verklaring van getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor bewijs gebruikt, en rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van tlgd. feit is gekomen, dient rechter in h.b., indien hij die verklaring wel voor bewijs gebruikt, ter waarborging van deugdelijkheid van bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. I.h.b. moet rechter in h.b. vermelden op welke gronden hij desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan verhoor van getuige in h.b. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin verklaring van getuige steun vindt in andere b.m., alsook de door OM tegen vrijspraak aangevoerde bezwaren en procesopstelling van verdachte. Hof heeft geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid A en B - wier tegenover politie afgelegde verklaringen Hof tot bewijs heeft gebezigd - ambtshalve als getuige te (doen) ondervragen. I.v.m. deze verklaringen heeft Hof o.m. overwogen dat de inhoud daarvan, v.zv. tot bewijs gebezigd, consistent is en in overeenstemming met verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen zoals opgenomen in b.m. In ‘s Hofs bewijsvoering ligt voorts besloten dat veroordeling van verdachte niet uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op verklaringen van A en B. Daarnaast moet ervan worden uitgegaan dat noch in e.a. noch in h.b. door of namens verdachte het verzoek is gedaan deze personen ttz. te horen. Tegen deze achtergrond getuigt ’s Hofs oordeel dat er geen aanleiding was gebruik te maken van zijn bevoegdheid ambtshalve A en B te horen, ook in het licht van het recht op een eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Omstandigheid dat Rb verklaringen van A en B niet betrouwbaar achtte en verdachte heeft vrijgesproken, leidt niet tot een ander oordeel, nu Hof genoegzaam de redenen heeft opgegeven als hiervoor bedoeld.

Ad 4. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2001:AD4286, inhoudende dat keuze van factoren die van belang zijn voor strafoplegging is voorbehouden aan feitenrechter. Hof heeft bij motivering opgelegde gevangenisstraf van 5 jaren onder ogen gezien dat Rb (o.g.v. andere bewezenverklaring) een lagere straf had opgelegd (14 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk) en dat duur van opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf duur van de door AG gevorderde straf (24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk) (ruimschoots) overtreft. Aldus heeft Hof zijn oordeel toereikend gemotiveerd. V.zv. middel klaagt dat Hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op reclasseringsrapportage, faalt het omdat geen rechtsregel voorschrijft dat rechter bij strafoplegging reclasseringsrapportage expliciet in zijn overwegingen betrekt. Mede in aanmerking genomen dat verdediging daarop i.h.k.v. strafmaat geen beroep heeft gedaan, geldt hetzelfde voor in schriftuur naar voren gebracht standpunt dat A en B verdachte voorafgaand aan schietincident hebben bedreigd. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/2013
RvdW 2018/1179
NBSTRAF 2018/348 met annotatie van mr. D.G.J. Grimmelikhuijzen
SR-Updates.nl 2018-0389
NJ 2019/239 met annotatie van T. Kooijmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

16 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/04147

IF/MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 augustus 2017, nummer 23/004300-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben J. Kuijper en S.J. van der Woude, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest van het Hof Amsterdam voor zover het betreft de beslissingen over de in de tenlastelegging opgenomen feiten 1 en 2 en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof teneinde op het bestaande beroep in zoverre opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1.

Ten laste van de verdachte is, voor zover in cassatie van belang, bewezenverklaard dat:

"1. hij op 2 mei 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten;

2. hij op 2 mei 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] heeft geschoten."

2.2.1.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 oktober 2016. Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

In de middag van 2 mei 2016 kwamen de [slachtoffers] , nadat ik die middag een sms van [slachtoffer 1] had gehad, aanrijden en stapten ze uit. Ik stond achter de balie. Vervolgens heb ik het pistool gepakt en ben naar buiten gegaan. Ik wist dat het wapen geladen was.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer PL1300-2016095713-14 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (pag. 53-58).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 mei 2016 tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van de verdachte:

Om 13:00 uur (naar het hof begrijpt: op 2 mei 2016) kreeg ik een sms-bericht van [slachtoffer 1] . Ik zag [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan komen lopen. Ik heb het vuurwapen gepakt en geladen. Ik heb de munitie met de houder in het vuurwapen gedaan. [betrokkene 1] zei dat ik het niet moest doen. Maar ik zei dat ik het zat was. [slachtoffer 1] riep mij en ik ben met het vuurwapen in de hand naar de deur gelopen.

Ik richtte het vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] en schoot. Maar het wapen deed het niet. Daarna richtte ik het wapen in de richting van [slachtoffer 1] . Daarna hoorde ik [slachtoffer 1] kermen. Ik weet niet precies hoe het wapen werkt.

3. De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 oktober 2016, zakelijk weergegeven:

Ik deed iets met het wapen waarna ik een klik hoorde. Het wapen deed het toen wel.

4. Een proces-verbaal van aangifte, met proces-verbaalnummer PL1300-2016095713-8 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4]

(pag. 1-4).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 mei 2016 tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben zojuist betrokken geweest bij een schietpartij. Mijn broer [slachtoffer 1] is daarbij in zijn been geschoten. Ik was met hem en de dader. Ik heb gehoord dat deze [verdachte] heet. Hij begon meteen te schieten. De dader heeft ook op mij geschoten.

Vanmiddag, 2 mei 2016, ging ik met mijn broer naar de meubelwinkel van [verdachte] te Amsterdam. Ik stapte uit de auto en ging even roken bij een boom, ongeveer 6 stappen van de auto af. Mijn broer ging naar de meubelwinkel en bleef voor de deur staan. Mijn broer stond ongeveer 5 tot 10 meter voor de winkel. Ik zag dat [verdachte] de winkel uit kwam lopen. Ik zag dat [verdachte] een vuurwapen in zijn rechterhand hield. Ik zag dat hij het wapen meteen op mij richtte. Ik zag dat hij de trekker overhaalde. Ik zag en hoorde geen schot. Ik zag dat hij nogmaals de trekker overhaalde en toen hoorde ik meteen een harde knal. Ik bukte en hoorde de kogel over mijn hoofd heen vliegen. Ik hoorde een soort suisgeluid over mijn hoofd. Ik zag dat hij zich daarna naar mijn broer draaide en twee keer op mijn broer schoot. Ik hoorde twee keer een knal. Ik zag dat mijn broer op straat viel en zijn been vastpakte.

Als ik het schot niet had kunnen ontwijken, was ik dood geweest.

5. Een proces-verbaal van bevindingen, met proces-verbaalnummer 2016095713 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 5] en [verbalisant 6] (pag. 7-8).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 1 mei 2016 bevonden wij ons bij het OLVG, alwaar het slachtoffer [slachtoffer 1] zou zijn opgenomen. [slachtoffer 1] verklaarde:

- dat [verdachte] hem vandaag heeft neergeschoten;

- dat hij samen met zijn broer om 14.00 uur bij [verdachte] was;

- dat [verdachte] eerst op zijn broer schoot;

- dat het wapen de eerste keer blokkeerde;

- dat hij zag dat [verdachte] de bovenkant van het wapen naar achteren trok en nog een keer op zijn broer schoot;

- dat [verdachte] daarna meteen het wapen op hem richtte en achter elkaar schoot;

- dat hij op een afstand van ongeveer 4 meter stond van [verdachte] ;

- dat hij voelde dat het schot hem in zijn onderbeen raakte, en

- dat [verdachte] tijdens het schieten zijn arm recht gestrekt voor zich uit hield in de richting van de mensen waar hij op schoot.

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte, met proces-verbaalnummer 2016095713 en met documentcode 6717243 van 1 juni 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 7] en [verbalisant 8] (pag. 159-162).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 1 juni 2016 tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :

Het wapen was gelijk op mij gericht toen hij naar buiten kwam. [verdachte] stond op een afstand van 6 of 7 stappen. Hij heeft direct op mijn gezicht geschoten. De tweede keer toen hij schoot, bukte ik en het raam van de auto (naar het hof begrijpt: de auto waarmee de [slachtoffers] naar de meubelzaak van verdachte zijn gereden) was toen stuk.

7. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met proces-verbaalnummer 2016095713 en met documentcode 661862 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 7] (pag. 37-38).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 mei 2016 tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1] :

Ter hoogte van de Korte Papaverweg (naar het hof begrijpt: te Amsterdam) hoorde ik vanmiddag een luide knal. Ik zag een Turkse man wegrennen, de Papaverweg op. Ik zag een tweede man richting Mosveld rennen. Voor de meubelzaak zag ik nog een man staan. Ik zag dat hij gericht stond te schieten. Ik heb na die eerste knal nog drie knallen gehoord. De man die schoot had in zijn hand een pistool. Ik zag dat hij gericht schoot doordat hij zijn arm gestrekt hield en richtte op de man die richting Mosveld rende. Ik zag dat de man die naar Mosveld rende (het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ) op de grond viel en kennelijk in zijn been geraakt werd.

8. Een proces-verbaal van bevindingen getuige [getuige 2] , met proces-verbaalnummer 2016095713 van 3 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (pag. 88).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de relaas van deze opsporingsambtenaar:

[getuige 2] verklaarde dat zij gisteren getuige is geweest van het schietincident op de Papaverweg in Amsterdam. Zij zag drie mannen voor de meubelzaak staan. Twee mannen renden in verschillende richtingen weg. Een derde man had een wapen in zijn handen en richtte dit op een van de mannen die wegrende. Deze man viel vervolgens neer bij de betonnen blokken. De man met het pistool strekte zijn arm weer uit en richtte weer.

9. Een proces-verbaal van verhoor getuige, met proces-verbaalnummer 2016095713 en documentcode 6618345 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 8] en [verbalisant 7] (pag. 39-40).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 2 mei 2016 tegenover deze verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 3] :

Ik ben vandaag getuige geweest van een schietpartij. Wij reden over de Klaprozenweg in de richting van de Papaverweg (naar het hof begrijpt: te Amsterdam). Toen wij daar de bocht om kwamen, zag ik rechts van mij een man op de stoep staan met een pistool in zijn handen. Dit was voor meubelzaak [naam meubelzaak]. Ik zag dat er een andere man de weg overstak. De man met het pistool in zijn handen schoot eerst in de richting van de scooterwinkel. Ik zag toen de man zonder pistool aan de linkerkant van de auto. Ik hoorde en zag dat er een tweede keer werd geschoten en dat de man zonder pistool naar zijn been greep. Ik zag dat er geschoten werd doordat de man met het pistool zijn armen steeds na een knal iets omhoog gingen. Ik zag dat die man tussen het schieten door nog een keer de bovenkant van dat wapen naar achteren trok.

10. Een geschrift, zijnde een medische informatie over [slachtoffer 1] , d.d. 3 mei 2016, opgemaakt door E. Geiten, geneeskundige verbonden aan het OLVG (pag. 78-79).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Omschrijving van het letsel: schotwond linker onderbeen.

11. Een geschrift, zijnde een letselrapportage betreffende [slachtoffer 1] , d.d. 1 juni 2016, opgemaakt door drs. A. Carper, forensisch arts verbonden aan de GGD Amsterdam (pag. 103).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum incident: 2 mei 2016.

Opgegeven toedracht: tijdens vluchten na zakelijk geschil beschoten.

Schatting duur verdere genezing zichtbare letsels:

2 maanden.

12. Een proces-verbaal van aanhouding, met proces-verbaalnummer PL1300-2016095713-2 van 2 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 10] (pag. 44-46).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de relaas van deze opsporingsambtenaar:

Op 2 mei 2016 hield ik op de Rode Kruisstraat te Amsterdam als verdachte aan: [verdachte] .

Op 2 mei 2016 verklaarde de baliemedewerker van het politiebureau Waddenweg te Amsterdam mij dat zich een man aan de balie gemeld had die hem verklaard had dat hij zojuist geschoten had. In de publieksruimte voor de balie van het politiebureau zag ik een man aan de balie staan, die mij door de baliemedewerker aangewezen werd als de man die zich zojuist gemeld had. Ik heb hem medegedeeld dat hij aangehouden werd als verdachte. Ik hoorde dat de verdachte mij zei dat het vuurwapen nog in de auto lag waarmee hij naar het politiebureau gereden was. Ook hoorde ik dat de verdachte zei dat hij geschoten had.

Ik heb de sleutels vervolgens onder mij genomen en ben daarmee naar buiten gelopen alwaar de auto met daarin het vuurwapen zou moeten staan. Buiten zag ik een zwarte Ford bestelauto staan met het kenteken [AA-00-BB] .

13. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, met registratienummer PL1300-2016095713-13 d.d. 2 mei 2016, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (pag. 165-166).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Plaats van inbeslagneming: Rode Kruisstraat te Amsterdam (voor politiebureau)

Datum: 2 mei 2016

Omstandigheden: verdachte had zich nadat hij betrokken was bij een schietpartij gemeld aan het politiebureau aan de Waddenweg te Amsterdam. Het vuurwapen lag nog in zijn voertuig.

Goednummer: PL1300-2016095713-5120447

Object: vuurwapen (pistool)

Aantal: 1 stuk

Merk/type: Walther P1

Kaliber: 9x19 mm

14. Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming, met registratienummer PL1300-2016095713-13 d.d. 2 mei 2016, opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (pag. 167-168).

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Plaats van inbeslagneming: Rode Kruisstraat te Amsterdam (voor politiebureau)

Datum: 2 mei 2016

Omstandigheden: verdachte had zich nadat hij betrokken was bij een schietpartij gemeld aan het politiebureau aan de Waddenweg te Amsterdam. Het vuurwapen lag nog in zijn voertuig.

Goednummer: PL1300-2016095713-5180452

Object: munitie (patroon)

Aantal: 2 stuks

Kaliber: 9x19 mm

Bijzonderheden: 1 uit kamer en 1 uit patroonmagazijn van Walther P1.

15. Een proces-verbaal van bevindingen 'wapenonderzoek', met proces-verbaalnummer 2016095713 van 3 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 12] (pag. 32-36).

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de relaas van deze opsporingsambtenaar:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar het in beslag genomen pistool en munitie.

Itemnummer 5180447 - pistool:

voorwerp: pistool

merk: Walther

model: P1

kaliber: 9mm x 19

Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 5180452 - munitie in kamer pistool

Walther P1:

voorwerp: munitie

kaliber: 9mm x 19

aantal: 1

model: volmantelrondneus

Deze patroon is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.

Itemnummer 5180452 - munitie in patroonmagazijn pistool Walther P1:

voorwerp: munitie

kaliber: 9mm x 19

aantal: 1

model: volmantelrondneus

Deze patroon is munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie."

2.2.2.

Het Hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

"De verdediging heeft ter terechtzitting in appel betoogd – verkort weergegeven – dat de verklaringen van de [slachtoffers] onbetrouwbaar zijn. Daartoe is aangevoerd dat zij de verdachte bewust in een kwaad daglicht hebben wil stellen, door in strijd met objectieve bevindingen te verklaren dat de kogels gericht op hen waren afgevuurd en te verklaren dat de verdachte een IS-terrorist is. Om die reden hebben de verklaringen dusdanig aan geloofwaardigheid ingeboet, zo begrijpt het hof het standpunt van de verdediging, dat deze niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Naar het oordeel van het hof vormt de enkele omstandigheid dat de [slachtoffers] zich - volgens verdachte - onheus over hem, verdachte, hebben uitgelaten, onvoldoende grond om de conclusie te rechtvaardigen dat daarmee hun verklaringen onbetrouwbaar zijn. Ook overigens zijn op grond van de inhoud van het dossier noch op grond van het onderzoek ter terechtzitting feiten of omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de [slachtoffers] moet worden getwijfeld. In dit verband is voorts van belang dat de verklaringen van deze getuigen voor zover betrekking hebbend op de feitelijke toedracht van het schietincident consistent zijn en overeenstemmen met de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] op dit punt en bevestigd worden door objectieve bevindingen, als zoals hierna in de bewijsmiddelen opgenomen.

Naar het oordeel van het hof zijn de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dan ook betrouwbaar en kunnen die daarom voor het bewijs worden gebezigd."

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt in de eerste plaats dat het Hof het verweer dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onbetrouwbaar zijn en niet tot het bewijs kunnen worden gebruikt, heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

3.2.

Blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen heeft het Hof geoordeeld dat de hiervoor weergegeven, door het Hof gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan aan de betrouwbaarheid van die verklaringen moet worden getwijfeld. In dat verband heeft het Hof onder meer overwogen dat de inhoud van die verklaringen in zoverre consistent is en in overeenstemming met de verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. Hiermee heeft het Hof niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de tot het bewijs gebezigde verklaringen betrouwbaar acht. De – door het Hof onder ogen geziene – omstandigheid dat voornoemde personen zich daarnaast onheus en onjuist hebben uitgelaten over de verdachte, noopt niet tot een ander oordeel. De klacht faalt.

3.3.

Het middel klaagt voorts dat de bewezenverklaring ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.

3.4.

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Wat betreft de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo een kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan worden afgeleid dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard (vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049, NJ 2003/552).

3.5.

Blijkens zijn bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen heeft gepakt toen hij zag dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kwamen aanlopen en dat hij wist dat het vuurwapen geladen was omdat hij zelf de munitie met de houder in het vuurwapen had gedaan. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte door een derde werd gewaarschuwd dat hij het niet moest doen, dat de verdachte met het vuurwapen - waarvan hij niet precies wist hoe het werkte - in de hand naar de deur is gelopen, dat hij het vuurwapen richtte in de richting van [slachtoffer 2] en schoot, waarna [slachtoffer 2] zich bukte en een kogel over zijn hoofd hoorde vliegen, en dat de verdachte het vuurwapen daarna richtte in de richting van [slachtoffer 1] en hem in het onderbeen raakte. Volgens het Hof was onder deze omstandigheden, in een dynamische situatie waarbij de potentiële slachtoffers in beweging waren, sprake van een aanmerkelijke kans dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dodelijk zouden worden getroffen door de door de verdachte afgevuurde kogels. De gedragingen van de verdachte, in het bijzonder het meerdere malen van betrekkelijke korte afstand met een vuurwapen gericht schieten op een persoon, kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer op de dood van die persoon gericht dat het niet anders kan zijn geweest dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Dit oordeel van het Hof geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.6.

Het middel faalt.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM niet ambtshalve de oproeping van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als getuigen ter terechtzitting heeft bevolen.

4.2.1.

De processen-verbaal van de terechtzittingen in eerste aanleg en hoger beroep houden in dat aldaar aanwezig waren de verdachte en zijn raadsman. Die processen-verbaal houden niet in dat aldaar door of namens de verdachte is verzocht [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] als getuige te (doen) horen, zodat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat een zodanig verzoek niet is gedaan.

4.2.2.

De Rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde en in dat verband onder meer het volgende overwogen:

"De beide aangevers, [slachtoffers] hebben op bepaalde punten duidelijk anders verklaard dan verdachte. Zo hebben zij beiden verklaard dat zij zagen dat verdachte het wapen op hen richtte. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij bukte en de kogel over zijn hoofd hoorde vliegen, dat hij zich omdraaide en zag dat verdachte twee keer op zijn broer schoot. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte eerst op zijn broer schoot, dat verdachte daarna drie keer op hem richtte en drie keer achter elkaar schoot en dat verdachte tijdens het schieten zijn arm recht gestrekt voor zich hield in de richting van de mensen waar hij op schoot. De rechtbank kent echter geen gewicht toe aan de verklaringen van de aangevers voor wat betreft de vraag of verdachte opzet heeft gehad op de dood van hen. Beide aangevers, die door het schieten erg bang zijn geworden, hebben op onderdelen dermate ongeloofwaardig verklaard over het schietincident zelf en de aanleiding daarvoor, dat de rechtbank zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de aangevers verdachte bewust in een kwaad daglicht hebben willen stellen en de zaken voor verdachte zo belastend mogelijk hebben willen voorstellen. De rechtbank verwijst in dat opzicht onder meer naar de verklaring van [slachtoffer 2] dat verdachte toen hij op 2 mei 2016 naar buiten kwam in zijn linkerhand een bom droeg en zou hebben geroepen: "Ik ben een terrorist, ik ben IS."

(...)
Verdachte heeft verklaard niet de intentie te hebben gehad [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] te doden en op een zodanige manier te hebben geschoten dat naar zijn mening het risico op een dergelijk gevolg ook niet is ontstaan. De rechtbank acht de verklaring van verdachte geloofwaardig en deze verklaring wordt niet weersproken door het dossier. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige voorwaarden voor voorwaardelijk opzet. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van hetgeen onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste is gelegd."

4.3.

In een geval als het onderhavige, dat zich kenmerkt door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen, dient de rechter in hoger beroep, indien hij die verklaring wel voor het bewijs gebruikt, ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. In het bijzonder moet de rechter in hoger beroep vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, alsook de door het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak aangevoerde bezwaren en de procesopstelling van de verdachte.

4.4.

In het onderhavige geval heeft het Hof geen aanleiding gezien gebruik te maken van zijn bevoegdheid [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - wier tegenover de politie afgelegde verklaringen het Hof tot het bewijs heeft gebezigd - ambtshalve als getuige te (doen) ondervragen. In verband met deze verklaringen heeft het Hof onder meer overwogen dat de inhoud daarvan, voor zover tot het bewijs gebezigd, consistent is en in overeenstemming met de verklaringen van drie andere getuigen en objectieve bevindingen zoals opgenomen in de bewijsmiddelen. In de bewijsvoering van het Hof ligt voorts besloten dat de veroordeling van de verdachte niet uitsluitend of in beslissende mate is gebaseerd op de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Daarnaast moet ervan worden uitgegaan dat noch in eerste aanleg noch in hoger beroep door of namens de verdachte het verzoek - al dan niet onder de voorwaarde dat de rechter de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor het bewijs zal gebruiken - is gedaan deze personen ter terechtzitting te horen. Tegen deze achtergrond getuigt het oordeel van het Hof dat er geen aanleiding was gebruik te maken van zijn bevoegdheid ambtshalve [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter terechtzitting te horen, ook in het licht van het recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit oordeel niet onbegrijpelijk. De omstandigheid dat de Rechtbank de tot het bewijs gebezigde verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet betrouwbaar achtte en de verdachte van de onder 2.1 vermelde feiten heeft vrijgesproken, leidt niet tot een ander oordeel, nu het Hof met de in het bestreden arrest genoemde gronden genoegzaam de redenen heeft opgegeven als onder 4.3 bedoeld.

5 Beoordeling van het derde middel

5.1.

Het middel richt zich tegen de strafoplegging en de motivering daarvan. Daartoe wordt aangevoerd dat in hoger beroep de Advocaat-Generaal een aanmerkelijk lagere straf heeft gevorderd, dat het Hof ten onrechte de reclasseringsrapportage van 1 juli 2016 niet in het voordeel van de verdachte in aanmerking heeft genomen en dat het Hof niet in aanmerking heeft genomen de omstandigheid dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de verdachte vooraf hadden bedreigd.

5.2.

Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaren. Het Hof heeft deze straf als volgt gemotiveerd:

"De rechtbank Amsterdam heeft op basis van de in eerste aanleg geldende tenlastelegging de verdachte ter zaken van het onder 1 primair en subsidiair en onder 2 primair ten laste gelegde vrijgesproken, en hem voor het onder 2 subsidiair en onder 3 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en omtrent de in beslag genomen voorwerpen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden als opgelegd door de rechtbank.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De verdachte heeft voor zijn winkel in Amsterdam-Noord gericht in hun richting geschoten waarbij [slachtoffer 1] een ernstige verwonding aan zijn linkerbeen heeft opgelopen. Aldus handelend heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Het behoeft geen betoog dat dit een zeer ingrijpende en beangstigende gebeurtenis voor hen moet zijn geweest, waarbij zij konden vrezen voor hun leven. Het is niet aan de verdachte te danken geweest dat de slachtoffers dit hebben overleefd. Een dergelijk feit, gepleegd in de openbare ruimte en in aanwezigheid van anderen, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Hierbij heeft de verdachte een vuurwapen met munitie voorhanden gehad in een omgeving waar ook zijn kinderen waren. De verdachte heeft door het bezit van deze voorwerpen een potentieel gevaarzettende situatie geschapen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een Pro Justitia rapportage psychologisch onderzoek d.d. 25 juli 2016, opgemaakt door drs. J.R. Terwiel, GZ-psychologe. De rapporteur komt tot de conclusie dat bij de verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van zwakbegaafdheid, die zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde zodanig beïnvloedde dat het ten laste gelegde mede daaruit kan worden verklaard. Om deze reden wordt geadviseerd om de verdachte voor deze feiten enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten. Het hof neemt deze, gemotiveerde, conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. De deels voorwaardelijke gevangenisstraf die de rechtbank had opgelegd en die door de verdediging is verzocht, alsook de door de advocaat-generaal gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, doen naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten."

5.3.

Vooropgesteld wordt dat de keuze van factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Die keuze behoeft geen motivering (vgl. HR 27 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4286). In cassatie kan daarom niet worden onderzocht of de (hoogte van de) opgelegde straf in voldoende mate beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. Wel geldt (ook) ten aanzien van de strafmotivering dat de rechter de voorschriften van art. 359 Sv in acht neemt.

5.4.

Het Hof heeft de opgelegde straf gemotiveerd door te verwijzen naar de hiervoor onder 5.2 weergegeven omstandigheden. Daarbij heeft het Hof onder ogen gezien dat de Rechtbank (op grond van een andere bewezenverklaring) een lagere straf had opgelegd en dat de duur van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf de duur van de door de Advocaat-Generaal gevorderde straf (ruimschoots) overtreft. Aldus heeft het Hof zijn oordeel, mede gelet op hetgeen onder 5.3 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de reclasseringsrapportage van 1 juli 2016, faalt het omdat geen rechtsregel voorschrijft dat de rechter bij de strafoplegging een de verdachte betreffende reclasseringsrapportage expliciet in zijn overwegingen betrekt. Mede in aanmerking genomen dat de verdediging in hoger beroep daarop in het kader van de strafmaat geen beroep heeft gedaan, geldt hetzelfde voor het in de schriftuur naar voren gebrachte standpunt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de verdachte voorafgaand aan het schietincident hebben bedreigd.

5.5.

Het middel faalt.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2018.