Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1936

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
18/03033
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:917, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Machtiging voortgezet verblijf. Alcoholverslaving; comorbiditeit? Uitleg van "(andere) psychische stoornissen" (HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372). Voldoende grondslag voor vaststelling dat er naast alcoholverslaving ook sprake is van schizofrenie? Causaal verband tussen de stoornis(sen) en het gevaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1960
NJ 2018/413
RvdW 2018/1117
JGZ 2018/39 met annotatie van Redactie
GZR-Updates.nl 2018-0456
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2018

Eerste Kamer

18/03033

TT/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene] ,
verblijvende te [verblijfplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. C. Reijntjes-Wendenburg,

t e g e n

DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET OOST-NEDERLAND,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het proces-verbaalvan de mondelinge uitspraak in de zaak 335516 FZRK 18 838 van de rechtbank Gelderland van 13 april 2018.

Het proces-verbaal van de rechtbank is aandeze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot vernietiging van de mondelinge uitspraak en tot terugwijzing ter verdere behandeling en beslissing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In deze procedure heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij het verzoekschrift waren gevoegd (i) een geneeskundige verklaring van 27 maart 2018, afgegeven door geneesheer-directeur [betrokkene 1] , die betrokkene daartoe heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 2] , (ii) de wettelijke aantekeningen als bedoeld in art. 37a Wet Bopz en (iii) een behandelplan, beide opgesteld door psychiater [betrokkene 3] .

3.2

De rechtbank heeft de machtiging verleend. Zij heeft daartoe overwogen:

“(…) Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat bij betrokkene sprake is van schizofrenie en middelengebruik. De verwijzing van de raadsvrouw naar de jurisprudentie [van] de Hoge Raad inzake verslaving gaat te dezen niet op nu bij betrokkene sprake is van een combinatie van genoemde stoornissen.

Ten gevolge van deze stoornissen bestaat het gevaar dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en bestaat gevaar voor de algemene veiligheid
van personen of goederen.

De rechtbank is van oordeel dat het gevaar niet kan worden afgewend op basis van vrijwillig verblijf, nu betrokkene geen medewerking wil verlenen aan de voor hem noodzakelijk geachte vervolgbehandeling in verband met zijn verslavingsproblematiek. (…)

Indien de machtiging niet wordt verleend, moet worden gevreesd dat betrokkene zich aan de behandeling zal onttrekken en de instelling zal verlaten.
In dat geval is het risico dat het hiervoor omschreven gevaar zich daadwerkelijk zal voordoen. (…)”

3.3.1

Het middel klaagt, onder verwijzing naar HR 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU0372, NJ 2007/230, dat het oordeel van de rechtbank blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘stoornis van de geestvermogens’ als bedoeld in art. 15 Wet Bopz, en het vereiste causaal verband met het te duchten gevaar, althans dat de rechtbank haar vaststelling op dit punt ontoereikend heeft gemotiveerd. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat de gevaarvolle daden van betrokkene (in overwegende mate) worden veroorzaakt door schizofrenie, vindt dit oordeel geen steun in de gedingstukken en is het zonder nadere motivering onbegrijpelijk, aldus het middel.

3.3.2

In de hiervoor in 3.3.1 genoemde beschikking heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat verslaving aan middelen als alcohol en drugs niet tot toepassing van de Wet Bopz kan leiden, tenzij de verslaving gepaard gaat met (andere) psychische stoornissen van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst (zie onder meer ook HR 13 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2630). Hiermee heeft de Hoge Raad het volgende tot uitdrukking gebracht. Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan op zichzelf niet tot toepassing van de Wet Bopz leiden, ook niet indien wordt aangenomen dat deze verslaving een psychiatrische ziekte is. Er moet om tot toepassing van de Wet Bopz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.





Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard (‘comorbiditeit’).

3.3.3

De rechtbank heeft overwogen dat bij betrokkene sprake is van een combinatie van stoornissen, te weten schizofrenie en middelengebruik. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat als gevolg van deze stoornissen het gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en gevaar bestaat voor de algemene veiligheid van personen of goederen. Hieruit blijkt niet dat de rechtbank de hiervoor in 3.3.2 vermelde maatstaf heeft miskend. Het middel faalt in zoverre.

3.3.4

Het middel klaagt echter terecht dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd. In de eerste plaats bieden de stukken van het geding onvoldoende steun voor de vaststelling dat betrokkene aan schizofrenie lijdt. In de geneeskundige verklaring heeft psychiater [betrokkene 2] onder 3a (“Op grond van welke symptomen, gedragingen en feiten oordeelt u dat betrokkene lijdt aan een stoornis van geestvermogens?”) vermeld:

“(...) 3. Hij is bekend met middelenmisbruik en psychotische decompensaties. 4. Hij gebruikt tijdens de huidige opname olanzapine 30 mg, daarmee is het psychisch functioneren verbeterd. 5. Betrokkene bagatelliseert alcoholgebruik, daarom weigert hij hiervoor behandeld te worden bij verslavingszorg. (...)”

In rubriek 3c is als diagnose vermeld: “Verslavingsproblematiek van alcohol bij een man bekend met psychotische kwetsbaarheid”, waarbij aangekruist zijn:
“5. stoornissen door gebruik van middelen” en “8. overige (incl. ongespecificeerde) psychotische stoornissen”. Als belangrijkste diagnose is aangekruist “stoornissen door gebruik van middelen”. Onder 3d (“Waarom oordeelt u dat de stoornis van de geestvermogens van de betrokkene ook na verloop van de geldigheidsduur van de lopende machtiging aanwezig zal zijn?”) is vermeld dat de psychotische kwetsbaarheid al langdurig bestaat, dat het alcoholgebruik wordt gebagatelliseerd, dat inzicht beperkt is, dat de noodzaak voor behandeling daarmee afwezig is en dat dus gedragsverandering niet zal optreden. Uit de geneeskundige verklaring blijkt aldus niet dat bij betrokkene schizofrenie is gediagnosticeerd. Dat blijkt evenmin uit de wettelijke aantekeningen van behandelend psychiater [betrokkene 3]. Daarin is vermeld dat betrokkene antipsychotica heeft gebruikt, dat de verslavingsproblematiek op de voorgrond lijkt, en dat “mogelijk” sprake is van “schizofrenie gedesorganiseerd type”. In het licht van de reserve die uit het gebruik van het woord “mogelijk” spreekt, komt aan de daarop volgende vermelding van “Classificatie volgens DSM: 295.90 Schizofrenie”, onvoldoende betekenis toe. Hetzelfde geldt voor de overeenkomstige vermelding in het (door dezelfde psychiater opgestelde) behandelplan.

Volgens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling heeft de verpleegkundig specialist verklaard dat de diagnose ‘schizofrenie’ ook in het dossier had moeten zijn aangekruist. Voorts heeft de raadsvrouw van betrokkene ter zitting verklaard dat betrokkene schizofrenie erkent.
Nu de aanwezigheid van deze stoornis bij betrokkene evenwel niet door een psychiater is gediagnosticeerd, zijn de genoemde verklaringen ter zitting ontoereikend voor de vaststelling dat betrokkene daadwerkelijk lijdt aan schizofrenie.

3.3.5

In de tweede plaats bieden de stukken van het geding evenmin voldoende grond voor het oordeel van de rechtbank dat ten gevolge van de door haar benoemde stoornissen (verslaving en schizofrenie) het gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk ten onder gaat en dat gevaar bestaat voor de algemene veiligheid van personen of goederen. In de geneeskundige verklaring is het gevaar als volgt omschreven (rubriek 4): “Agressie naar gezagsdragers en materialen. Tevens gevaar voor verdere maatschappelijke teloorgang als hij medicatie staakt en overgaat tot excessief alcoholgebruik.” En: “Betrokkene is dakloos, hij verblijft in deze regio vanwege een relatie, tijdens opname is de alcoholconsumptie beperkt. Hij heeft zich herhaaldelijk aan behandeling onttrokken en heeft toen in dronken toestand overlast veroorzaakt, hierop volgde een arrestatie waarop hij eenmaal een politiebus heeft gesloopt en agressief naar een agent was.” In de wettelijke aantekeningen is het gevaar als volgt omschreven: “Bij onttrekking toenemend alcoholgebruik waardoor maatschappelijke onrust, agressie verbaal en naar materiaal richting omgeving.”

Uit deze bevindingen valt niet af te leiden dat het door de rechtbank benoemde gevaar door iets anders wordt veroorzaakt dan door de alcoholverslaving. Waar de rechtbank uitdrukkelijk heeft overwogen dat de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake verslaving niet opgaat nu bij betrokkene sprake is van een combinatie van stoornissen, en klaarblijkelijk daarom niet heeft onderzocht of de alcoholverslaving heeft geleid tot of samenhangt met een psychische stoornis van een zodanige ernst als hiervoor in 3.3.2 omschreven, kan de machtiging niet in stand blijven.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland van 13 april 2018;

wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en
H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 oktober 2018.