Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:192

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
16/04318
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1527
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Rijden terwijl verdachte redelijkerwijs moest weten dat rijbewijs ongeldig was verklaard, art. 9.2 WVW 1994. Ontvankelijkheid OM in de vervolging. Gerechtvaardigd vertrouwen dat strafbeschikking en geen dagvaarding zou volgen? Bij constatering van het tlgd. is aan verdachte een zgn. ‘combibon’ uitgereikt waarop kennelijk per abuis 'aankondiging van beschikking' i.p.v. 'kennisgeving van bekeuring' is aangekruist. ’s Hofs oordeel dat die enkele omstandigheid bij verdachte niet het vertrouwen heeft gewekt dat aan hem een strafbeschikking zal worden aangeboden en dat hij niet zal worden gedagvaard, is - mede in aanmerking genomen dat namens verdachte in de kern is aangevoerd dat voor hem 'onduidelijk' was gebleven op welke wijze het geconstateerde feit zou worden afgedaan - niet onbegrijpelijk. ´s Hofs daarop gebaseerde oordeel dat het aangevoerde niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring OM in de vervolging, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/462
RvdW 2018/283
NBSTRAF 2018/236
NJ 2018/335 met annotatie van J.M. Reijntjes
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/04318

AGE/JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 25 juli 2016, nummer 22/001283-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat te Apeldoorn, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van de verdachte. Namens de verdachte is aangevoerd dat bij hem "het vertrouwen [is] opgewekt dat hem een strafbeschikking zou worden aangeboden, en dat hij derhalve niet zou worden gedagvaard".

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij, op 5 februari 2013 te Rozenburg, gemeente Rotterdam terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, de Langeplaat, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie heeft bestuurd."

2.3.1.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 juli 2016 houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel van belang - het volgende in:

"De raadsman voert het woord tot verdediging en deelt in dat kader mede:

Primair bepleit de verdediging dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van mijn cliënt. Bij cliënt is het vertrouwen opgewekt dat hem een strafbeschikking zou worden aangeboden, en dat hij derhalve niet zou worden gedagvaard in verband met het ten laste gelegde. Het gaat er om wat mijn cliënt, iemand met een verstandelijke beperking, mag verwachten naar aanleiding van een mededeling. Lange tijd bestond onduidelijkheid over die mededeling. Die onduidelijkheid is nu pas weggenomen door de brief van de advocaat-generaal van 21 maart 2016. Als het voor ons al niet duidelijk was, dan zeker niet voor mijn cliënt. Ik verwijs verder naar hetgeen ik eerder heb aangevoerd op de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2015.

De voorzitter gaat akkoord met de verwijzing en beschouwt het eerder aangevoerde als voorgedragen."

2.3.2.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2015 heeft de raadsman van de verdachte aldaar onder meer het volgende aangevoerd:

"Ik verzoek u het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren, omdat blijkens een handgeschreven uitdraai in het dossier (kruisje bovenaan linkerrijtje) aan verdachte een strafbeschikking is aangekondigd en mijn cliënt dus niet 2 jaar later zomaar gedagvaard had mogen worden."

2.3.3.

Het Hof heeft het in het middel bedoelde verweer verworpen en daartoe het volgende overwogen:

"Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte. Het verdient niet de schoonheidsprijs dat op een zich in het dossier bevindend handgeschreven formulier een kruisje is gezet bij 'Aankondiging van beschikking', maar deze omstandigheid is naar het oordeel van het hof niet zodanig dat daardoor bij de verdachte het concrete vertrouwen is opgewekt dat hem een strafbeschikking zou worden aangeboden en dat hij niet zou worden gedagvaard. Het zou anders zijn indien er een gelijkluidende brief naar het adres van de verdachte zou zijn verstuurd. Het hof verwerpt het verweer en verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte."

2.3.4.

Op grond van hetgeen in de conclusie van de Advocaat-Generaal, in het bijzonder onder 3.5 en 3.19 is weergegeven, moet het er in cassatie voor worden gehouden dat op 5 februari 2013 door een politieambtenaar aan de verdachte bij de constatering van het - kort gezegd - rijden zonder geldig rijbewijs een zogenoemde 'combibon' is uitgereikt. Op die bon is kennelijk per abuis 'aankondiging van beschikking' in plaats van 'kennisgeving van bekeuring' aangekruist.

2.4.

Het oordeel van het Hof dat die enkele omstandigheid bij de verdachte niet het vertrouwen heeft gewekt dat aan hem een strafbeschikking zal worden aangeboden en dat hij niet zal worden gedagvaard, is - mede in aanmerking genomen dat namens de verdachte in de kern is aangevoerd dat voor hem 'onduidelijk' was gebleven op welke wijze het geconstateerde feit zou worden afgedaan - niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel van het Hof dat het aangevoerde niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

2.6.

Het middel faalt.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2018.