Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1900

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
17/03536
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:696, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1035, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Rechtspersonenrecht. Procesrecht. Belanghebbende. Verzoek tot ontslag bestuur van stichting (2:298 lid 1 BW) en benoeming nieuw bestuur (2:299 BW), subsidiair tot ontbinding van de stichting (art. 2:21 BW). Verzoeker is lid en voormalig bestuurslid van de vereniging die de stichting heeft opgericht en is lid van het afdelingsbestuur van die vereniging. Klachten tegen oordeel hof dat verzoeker niet-ontvankelijk is op de grond dat hij geen belanghebbende is. Begrip belanghebbende; betrokkenheidscriterium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1956
NJ 2018/412
RvdW 2018/1116
JIN 2018/210 met annotatie van B. Lem, S.M.Y. van de Graaff
RN 2018/105
RO 2018/77
JOR 2018/296 met annotatie van mr. D.F. Berkhout
RBP 2019/1
ERF-Updates.nl 2018-0201
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2018

Eerste Kamer

17/03536

EE/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. J.W.H. van Wijk,

t e g e n

STICHTING ANV FONDSEN,
gevestigd te Den Haag,

VERWEERSTER in cassatie, verzoekster in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. M.A.M. Wagemakers.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Stichting.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaak 09/503663/HA RK 16-27 van de rechtbank Den Haag van 30 september 2016;

b. de beschikking in de zaak 200.206.230/01 van het gerechtshof Den Haag van 25 april 2017.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. De Stichting heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het cassatierekest en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep alsmede het aanvullend verweerschrift zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging en verwijzing in het principale cassatieberoep en tot verwerping van het incidentele cassatieberoep.

De advocaten van partijen hebben ieder schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

( i) Bij testament van 12 juni 1942 heeft [betrokkene 1] het Algemeen-Nederlands Verbond (hierna: het ANV) te Den Haag voor de helft van zijn nalatenschap tot zijn erfgenaam benoemd. Daarbij heeft [betrokkene 1] aan het ANV de verplichting opgelegd:

“om hetgeen zij uit mijn nalatenschap verkrijgt afzonderlijk te blijven administreeren en om van de zuivere inkomsten van dit kapitaal ten minste zeven/achtste gedeelte zoveel mogelijk telkens jaarlijks of twee jaarlijks gelijkelijk te besteden voor de volgende doeleinden

(…)”

  • -

    ii) Hetgeen het ANV heeft verkregen uit de nalatenschap van [betrokkene 1] staat bekend als het ‘[A]-fonds’ of het ‘[A] Fonds’. Na het overlijden van [betrokkene 1] in 1943 heeft het ANV het [A]-fonds beheerd overeenkomstig de richtlijnen in het testament van [betrokkene 1]. Het ANV beheert daarnaast nog enkele andere fondsen.

  • -

    iii) In 1993 heeft het ANV de Stichting opgericht om het beheer over te nemen van het [A]-fonds en enkele andere fondsen. Uit de statuten van de Stichting volgt dat het bestuur van de Stichting wordt gevormd door de leden van het dagelijks bestuur van het ANV. De Stichting had volgens art. 3 van de statuten uit 1993 tot doel:

“a. het overnemen van fondsen van het ANV en daarmee gelieerde rechtspersonen, welke afzonderlijk worden geadministreerd en welke fondsen, of de revenuen daarvan, een afzonderlijke bestemming hebben zoals bijvoorbeeld ingevolge een testamentaire beschikking of een schenking;

b. het beheren van de sub a bedoelde fondsen en het besteden van die fondsen en/of de revenuen daarvan overeenkomstig de bestemming als bedoeld onder a, daarbij de voorstellen van het ANV in aanmerking nemend;

c. het beheren en administreren van andere fondsen van het ANV,

alles in de ruimste zin.”

( iv) In 2002 zijn de statuten van de Stichting gewijzigd. Na die wijziging luidde art. 3 als volgt:

“De stichting heeft ten doel:

a. het beheren en administreren van fondsen van het ANV;

b. het besteden van die fondsen of de revenuen daarvan in overleg met het ANV;

c. het financieel ondersteunen van de werkzaamheden van het ANV,

alles in de ruimste zin.”

( v) Op aandringen van [verzoeker] is art. 3, onder c, bij een statutenwijziging in 2008 geschrapt.

3.2.1

[verzoeker] verzoekt in deze zaak primair alle bestuurders van de Stichting te ontslaan op grond van art. 2:298 BW en nieuwe bestuurders bij de Stichting te benoemen op grond van art. 2:299 BW, en subsidiair de Stichting op grond van art. 2:21 BW met onmiddellijke ingang te ontbinden en een onafhankelijke vereffenaar bij de Stichting te benoemen. Hij legt daaraan ten grondslag, kort samengevat, dat de Stichting met haar bestedingsbeleid in strijd handelt met de verplichtingen die uit het testament van [betrokkene 1] en de statuten van de Stichting voortvloeien.

3.2.2

De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 lid 1 BW, respectievelijk art. 2:21 lid 4 BW, en heeft hem niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoeken.

3.2.3

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

[verzoeker] stelt dat hij zo nauw betrokken is en is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld – te weten het bestedingsbeleid van de Stichting – dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Uit zijn stellingen volgt dat zijn belang erin is gelegen dat hij bij de Stichting is betrokken in zijn hoedanigheid van lid van het ANV, van voormalig bestuurslid van het ANV en van bestuurslid van een afdeling van het ANV. De nauwe betrokkenheid bij het ANV, voortvloeiend uit bedoelde lidmaatschappen, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende in een procedure tot ontslag van het bestuur van de Stichting, ook al bestaat er een gedeeltelijke personele unie tussen het bestuur van de Stichting en het bestuur van het ANV. Hetzelfde geldt voor de door [verzoeker] verzochte ontbinding van de Stichting op grond van art. 2:21 BW. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [verzoeker] geen bestuurslid is (geweest) van de Stichting. (rov. 2.9)

De omstandigheid dat [verzoeker] binnen het ANV kritiek heeft geuit op het statutaire doel van de Stichting om het ANV financieel te ondersteunen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij zo nauw is betrokken bij het bestedingsbeleid van de Stichting dat hij in deze procedure als belanghebbende is aan te merken. Daarbij betrekt het hof dat de kwestie van de statutaire doelstelling van de Stichting ongeveer tien jaar geleden speelde en inmiddels al lang is opgelost door gedeeltelijke ongedaanmaking van de statutenwijziging. [verzoeker] stelt dat hij ook nadien kritiek is blijven uiten omdat de Stichting, ondanks het schrappen van het desbetreffende onderdeel van het statutaire doel, (te veel) kosten van het ANV voor rekening van het [A]-fonds bracht. Naar het oordeel van het hof is het feit dat [verzoeker] zich (blijvend) betrokken heeft gevoeld bij deze kwestie en geregeld kritiek heeft
geuit op het uitgavenbeleid van de Stichting, onvoldoende om hem als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW of art. 2:21 BW aan te merken. Ook in zoverre is [verzoeker] dus geen belanghebbende. Daarbij acht het hof mede van belang dat de in deze wetsbepalingen genoemde voorzieningen buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting. Om dergelijke verzoeken te kunnen instellen, is een nauwere betrokkenheid bij de Stichting noodzakelijk dan de betrokkenheid die [verzoeker] bij het bestedingsbeleid van de Stichting heeft getoond. Dit geldt te meer daar (a) het ANV op grond van (i) de statutaire inrichting van zowel de Stichting als het ANV zelf en (ii) de verwevenheid van het vermogen van het ANV en de Stichting, een nauwere betrokkenheid dan [verzoeker] heeft bij het bestedingsbeleid van de Stichting en (b) [verzoeker] binnen het ANV onvoldoende gehoor heeft gevonden voor zijn bezwaren daartegen. Daardoor is onvoldoende gebleken van een specifiek en concreet belang van [verzoeker] als vereist voor een beroep op het bepaalde in de art. 2:298, 2:299 en 2:21 BW. Evenmin is gebleken van enige (andere) verantwoordelijkheid van [verzoeker] waaruit een belang als bedoeld in die wetsbepalingen bij de Stichting kan worden afgeleid. (rov. 2.11)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1

Onderdeel 1 van het middel richt verschillende klachten tegen het oordeel van het hof in rov. 2.9 en rov. 2.11 dat [verzoeker] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 2:298 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 BW. Onderdeel 1.5 klaagt dat het oordeel van het hof onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

4.1.2

In art. 2:298 lid 1 BW, art. 2:299 BW en art. 2:21 lid 4 BW is niet in het algemeen vermeld wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepalingen zijn te rekenen. Dit moet uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid. Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. (Vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, rov. 3.4.2.)

4.1.3

Het oordeel van het hof in rov. 2.9 en rov. 2.11 moet aldus worden begrepen dat [verzoeker] niet zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, te weten het bestedingsbeleid van de Stichting, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.

4.1.4

Het onderdeel slaagt. Vast staat dat [verzoeker] (a) van 2004 tot 2012 bestuurder van het ANV is geweest, dus in een periode dat de Stichting de fondsen van haar oprichtster, het ANV, beheerde en administreerde, (b) sinds 2009 bestuurslid is van de ANV-afdeling Nederland, (c) zich in het verleden ervoor heeft sterk gemaakt dat de hiervoor in 3.1 onder (iv) bedoelde statutenwijziging deels is teruggedraaid, en (d) tijdens zijn bestuurslidmaatschap van het ANV en nadien erop is blijven wijzen dat de Stichting, ook na de hiervoor in 3.1 onder (v) bedoelde statutenwijziging, (te veel) kosten van het ANV voor rekening van het [A]-fonds bracht. Het hof heeft door te oordelen dat deze omstandigheden, ook in onderlinge samenhang beschouwd, ontoereikend zijn voor de conclusie dat [verzoeker] voldoende nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld (te weten: de vraag of het bestedingsbeleid van de Stichting voldoet aan de testamentaire – en statutaire voorwaarden), onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
Zonder nadere motivering valt immers niet in te zien dat een en ander onvoldoende is om [verzoeker] als belanghebbende aan te merken. Daarbij is van belang dat aan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat [verzoeker] geen bestuurder van de Stichting is (geweest) in dit verband geen beslissende betekenis toekomt.

4.2

Onderdeel 3.3 klaagt daarnaast terecht dat het hof in rov. 2.11 voor de ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn verzoeken mede van belang heeft geacht dat de in art. 2:298 BW en art. 2:21 BW genoemde voorzieningen buitengewoon zwaar ingrijpen in (de governance van) de Stichting.
Deze omstandigheid dient te worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van [verzoeker] , maar speelt geen rol bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de verzoeker in verzoeken als de onderhavige.

4.3

Het hiervoor overwogene brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven. De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat het principale beroep gegrond is.
Blijkens het voorgaande is die voorwaarde vervuld.

5.2

De in het middel aangevoerde klacht kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 25 april 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 382,49 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 1.800,-- voor salaris.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 oktober 2018.