Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1899

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
17/02554
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:576, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:819, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Rechtspersonenrecht. Onrechtmatig handelen jegens moedermaatschappij; als gevolg daarvan schade voor dochtermaatschappij. Lijdt ook moedermaatschappij schade en komt deze schade voor vergoeding in aanmerking? HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564 (Poot/ABP) en HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443 (Chipshol/Coopers&Lybrand).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1955
RvdW 2018/1115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2018

Eerste Kamer

17/02554

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [eiseres 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

EISERES tot cassatie,

advocaten: mr. J.F. de Groot en mr. P.A. Fruytier,

t e g e n

GEMEENTE GILZE EN RIJEN,
zetelende te Rijen, gemeente Gilze en Rijen,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaten: mr. J.W.H. van Wijk en mr. G.C. Nieuwland.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de holding en de dochtermaatschappij, gezamenlijk [eiseres] en de Gemeente.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/02/222257/HA ZA 10-1384 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 oktober 2011, 11 juli 2012, 19 september 2012, 2 juli 2014 en 26 november 2014;

b. het arrest in de zaak 200.169.712/02 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 februari 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De gemeente heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaten van [eiseres] hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten en omstandigheden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 1.1-1.14. Deze komen, voor zover in cassatie van belang, op het volgende neer.

(i) De holding is houdster van alle aandelen in het geplaatste kapitaal van de dochtermaatschappij.

De dochtermaatschappij is op haar beurt houdster van alle aandelen in het geplaatste kapitaal van een aantal vennootschappen. Tezamen vormen zij [A] groep. Deze groep houdt zich bezig met de productie van en handel in onder meer potplanten.

(ii) De holding heeft in 2004 een perceel agrarische grond in Molenschot verkregen. Het doel van de verkrijging was de realisatie van een potplantenkwekerij op een drietal containervelden op geasfalteerde ondergrond. In mei 2005 is de holding begonnen met de aanleg van het eerste containerveld.

(iii) Bij besluit van 1 juni 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente de holding gelast de werkzaamheden met betrekking tot het aanleggen van het containerveld te beëindigen en beëindigd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom. Dit besluit is vervangen door een besluit van 15 juni 2005 met dezelfde last en dwangsom.

(iv) Bij beslissing op bezwaar van 7 september 2005 – die is aangevuld bij besluit van 20 september 2005 – is het bezwaar van de holding tegen de last ongegrond geoordeeld. De last is bij dit besluit aldus uitgebreid dat de holding tevens de op de verharding aangebrachte beregeningsinstallatie diende te verwijderen.

(v) Bij uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 19 juli 2006 zijn de besluiten van 7 en 20 september 2005 vernietigd en de primaire besluiten van 1 en 15 juni 2005 herroepen. De Afdeling heeft het beroep voor zover dat was gericht tegen de bij het besluit van 7 september 2005 opgelegde last de beregeningsinstallatie te verwijderen, niet-ontvankelijk verklaard.

(vi) In verband met de hiervoor vermelde vernietigingen en herroepingen staat vast dat de Gemeente onrechtmatig jegens de holding heeft gehandeld door het nemen van de besluiten van 1 en 15 juni 2005 en 7 en 20 september 2005, behoudens voor zover die betrekking hadden op de beregeningsinstallatie.

(vii) Partijen hebben een niet-bindend adviseur ingeschakeld om te rapporteren omtrent de hoogte van de door het onrechtmatige handelen van de Gemeente veroorzaakte schade. In een rapport van 4 januari 2010 is de bruto winstderving voor de holding becijferd op een bedrag van € 1.211.691,--.

3.2.1

[eiseres] vordert in deze procedure schadevergoeding van de Gemeente wegens het hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde onrechtmatig handelen. De rechtbank heeft deze vordering, voor zover in cassatie van belang, voor een belangrijk deel afgewezen.

3.2.2

De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de dochtermaatschappij, nu de vernietiging en herroeping van de hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde besluiten niet heeft plaatsgevonden op een door de dochtermaatschappij ingesteld bezwaar of beroep en zonder nadere onderbouwing, die [eiseres] niet heeft gegeven, niet valt in te zien dat de Gemeente met die besluiten mede onrechtmatig heeft gehandeld jegens de dochtermaatschappij (rov. 3.8-3.10 eerste tussenvonnis). Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat de schade die de dochtermaatschappij heeft geleden ten gevolge van die besluiten, niet kan gelden als schade van de holding, ook al is sprake van een geconsolideerde jaarrekening van de holding en de dochtermaatschappij (rov. 3.12 eerste tussenvonnis). Wel kan de holding vergoeding vorderen van de waardevermindering die haar aandelen in de dochtermaatschappij ten gevolge van de besluiten hebben ondergaan, aldus de rechtbank. Dat van die waardevermindering sprake is, is echter niet duidelijk. Evenmin blijkt dat de holding dividenduitkeringen door de dochtermaatschappij is misgelopen als gevolg van de besluiten (rov. 3.13-3.19 eerste tussenvonnis en rov. 2.4-2.4.4 tweede tussenvonnis).

3.2.3

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“4.4 In hoger beroep heeft [eiseres] haar eis gewijzigd en vordert zij, samengevat, de gemeente alsnog te veroordelen tot betaling van:

A. een bedrag van € 1.211.691,-- aan waardedaling aandelen c.q. gederfd dividend, vermeerderd met de wettelijke rente;

B. de door de holding en de dochtermaatschappij, althans door de holding geleden schade wegens winstderving na 31 december 2011, op te maken bij staat;

(…)

4.6

Grief 1 betreft het oordeel van de rechtbank dat voor de vorderingen van de holding op grond van waardevermindering van haar aandelen in de dochtermaatschappij c.q. gederfd dividend geen grond bestaat. Volgens [eiseres] heeft de holding schade geleden in het eigen vermogen doordat als gevolg van de lagere winst van de dochtermaatschappij de aandelen van de holding in de dochtermaatschappij een lagere intrinsieke waarde hebben dan wel sprake is van gederfd dividend. De dochtermaatschappij heeft zelf geen schadevergoedingsvordering op de gemeente, zodat de schade voor de waarde van de aandelen definitief is. (…).

4.7

Het hof overweegt hierover het volgende.
De onderdelen A. en B. van de vordering van [eiseres] betreffen schade die voortvloeit uit de schade die de dochtermaatschappij heeft geleden door haar lagere bedrijfsresultaat als gevolg van de besluiten van de gemeente. Inmiddels is in eerste aanleg vastgesteld dat de gemeente jegens de dochtermaatschappij niet aansprakelijk is voor die schade. Eveneens is vastgesteld dat van aansprakelijkheid van de gemeente jegens de holding geen sprake is vanwege het concernverband tussen de holding en de dochtermaatschappij (…). Tegen deze vaststellingen zijn geen grieven gericht. De grond die [eiseres] in hoger beroep aanvoert betreft (alleen) de positie van de holding als aandeelhouder van de dochtermaatschappij en de vermogensschade die de holding in die hoedanigheid zelf heeft geleden als gevolg van het onrechtmatig optreden van de gemeente. Het hof stelt vast dat dit niet de schade kan zijn die de dochtermaatschappij heeft geleden, want daarvoor is de gemeente, zoals gezegd, niet aansprakelijk. Volgens [eiseres] is door het onrechtmatig handelen van de gemeente definitief schade ontstaan voor de waarde van de aandelen van de holding in de dochtermaatschappij c.q. is sprake van gederfd dividend, zodat eventuele verkoop van de aandelen niet relevant is en de schade ook zonder die verkoop reeds is geleden en voor vergoeding in aanmerking komt. Het hof kan zich in dit standpunt niet vinden. In geval van verkoop van de aandelen van de holding in de dochtermaatschappij kan worden vastgesteld of en in hoeverre die aandelen een waardevermindering hebben ondergaan als gevolg van het handelen van de gemeente. Bij voortzetting van de verhouding tussen de holding en de dochtermaatschappij, zoals inmiddels meer dan tien jaar het geval is, kan niet worden vastgesteld dat schade is ontstaan, zodat ook een abstracte schadeberekening als [eiseres] voorstaat, niet aan de orde is.

4.8

De vordering die [eiseres] instelt, beloopt de gestelde schade van de dochtermaatschappij. Zoals de gemeente in haar memorie van antwoord terecht aanvoert, schuift de holding hiermee de gestelde schade van de dochtermaatschappij door naar de holding om langs een omweg die schade alsnog op de gemeente te verhalen. Dat doel is ook naar het oordeel van het hof niet via de gestelde waardevermindering c.q. gederfd dividend te bereiken. Een toereikende grondslag daarvoor ontbreekt immers. Voor het overige kan het hof zich vinden in het oordeel van de rechtbank over deze aangelegenheid en sluit zich daarbij aan. (…) Grief 1 wordt verworpen en de onderdelen A. en B. van de vordering van [eiseres] worden bij gebrek aan grondslag afgewezen.”

3.3

Onderdeel 1 bestrijdt het oordeel van het hof in rov. 4.7 en 4.8 met diverse klachten. Het onderdeel voert onder meer aan dat het hof heeft miskend dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de Gemeente door het nemen van de hiervoor in 3.1 onder (vi) genoemde besluiten niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens de dochtermaatschappij, dat dit oordeel in hoger beroep niet is bestreden en dat derhalve uitgangspunt in deze procedure moet zijn dat van een onrechtmatige daad jegens de dochtermaatschappij geen sprake is. Voorts voert het onderdeel aan, kort gezegd, dat het hof heeft miskend dat ingeval een vennootschap schade lijdt, de houder van honderd procent van de aandelen in die vennootschap die schade ook in zijn vermogen ondervindt, doordat die schade leidt tot een lagere waarde van zijn aandelen of tot geen of geringere dividenduitkeringen.

3.4.1

Volgens vaste rechtspraak geldt dat indien een derde aan een naamloze of besloten vennootschap vermogensschade toebrengt door een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een contractuele verplichting jegens de vennootschap of door gedragingen die jegens de vennootschap onrechtmatig zijn, alleen de vennootschap een vordering heeft tot vergoeding van deze schade. In beginsel komt aan een of meer houders van aandelen in de vennootschap niet een vordering toe tot vergoeding van schade bestaande in vermindering van de waarde van hun aandelen of gemiste koerswinst die het gevolg is van de vorenbedoelde tekortkoming of onrechtmatige gedraging jegens de vennootschap (zogeheten afgeleide schade). Op deze regel kan een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van een gedraging die specifiek onzorgvuldig is jegens de aandeelhouder. Zie onder meer HR 2 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1564, NJ 1995, 288 (Poot/ABP), rov. 3.4.3, en HR 15 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2443, NJ 2001/573 (Chipshol/Coopers&Lybrand), rov. 3.4.2.

3.4.2

De hiervoor in 3.4.1 genoemde regels zien uitsluitend op het geval dat onrechtmatig is gehandeld of wanprestatie is gepleegd jegens een vennootschap, en de aandeelhouder vergoeding van zijn afgeleide schade vordert. Die regels berusten erop dat het in dat geval aan de vennootschap zelf is om, ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben, vergoeding van de toegebrachte schade te vorderen (zie het arrest Poot/ABP, rov. 3.4.1).

3.4.3

Zoals het onderdeel terecht aanvoert, moet in deze zaak ervan worden uitgegaan dat de Gemeente niet onrechtmatig jegens de dochtermaatschappij heeft gehandeld en dan ook niet jegens haar aansprakelijk is. De rechtbank heeft immers aldus geoordeeld en het hof heeft vastgesteld dat tegen dat oordeel in hoger beroep niet is opgekomen. De hiervoor in 3.4.1 weergegeven regels zijn in deze zaak daarom niet van toepassing.

Nu uitgangspunt moet zijn dat geen sprake is van onrechtmatig handelen jegens de dochtermaatschappij, speelt ook het hiervoor in 3.4.2 genoemde gezichtspunt geen rol als argument om aan de holding vergoeding van haar schade te ontzeggen.

Voor zover het hof dit een en ander heeft miskend, is het uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting.

3.5.1

[eiseres] heeft aangevoerd dat de holding door de (jegens haar onrechtmatige) besluiten van de Gemeente schade heeft geleden. Haar stellingen komen erop neer dat haar bedrijfsactiviteiten waren ondergebracht in de dochtermaatschappij, die winst heeft gederfd doordat zij door de besluiten van de Gemeente ernstig is gehinderd in haar exploitatiemogelijkheden, en dat als gevolg daarvan substantiële schade is geleden door de holding bestaande in gederfd dividend of in een lagere waarde van haar aandelen in de dochtermaatschappij. Zij heeft onder meer verwezen naar de hiervoor in 3.1 onder (vii) genoemde becijfering.

3.5.2

Het onderdeel neemt terecht tot uitgangspunt dat schade van een vennootschap (hier: de dochtermaatschappij) ook schade van de aandeelhouder(s) (hier: de holding) in de vorm van gemiste dividenduitkeringen of een lagere waarde van de aandelen tot gevolg kan hebben. Indien inderdaad van laatstbedoelde schade bij de holding sprake is en deze schade in zodanig verband staat met de onrechtmatige gedragingen van de Gemeente jegens de holding dat de schade, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die onrechtmatige gedragingen aan de Gemeente kan worden toegerekend (vgl. art. 6:98 BW), komt die schade voor vergoeding in aanmerking, ook indien de aandelen niet tussentijds zijn verkocht door de holding.

3.5.3

In het licht van het hiervoor in 3.5.1 en 3.5.2 overwogene klaagt het onderdeel terecht dat het oordeel van het hof dat niet kan worden vastgesteld of de holding schade heeft geleden in de vorm van een lagere waarde van haar aandelen in de dochtermaatschappij of in de vorm van geen of lagere dividenduitkeringen door de dochtermaatschappij, onbegrijpelijk is dan wel onvoldoende is gemotiveerd. Zonder nadere motivering, die in het arrest van het hof ontbreekt, valt, gelet op de hiervoor 3.5.1 genoemde stellingen van [eiseres] , niet in te zien dat de door [eiseres] gestelde schade niet een zodanig invloed op de winst en het (eigen) vermogen van de dochtermaatschappij heeft gehad dat dit ook heeft geleid tot een lagere waarde van de aandelen die de holding in de dochtermaatschappij houdt, of tot het uitblijven van dividenduitkeringen aan de holding.

3.5.4

Het onderdeel, dat mede een op het vorenstaande gerichte klacht bevat, is dus gegrond. De overige klachten van het onderdeel behoeven geen behandeling.

3.6

De klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Onderdeel 3 mist zelfstandige betekenis en behoeft derhalve geen behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 28 februari 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.682,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Gemeente deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 12 oktober 2018.