Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1895

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
17/05547
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:4423, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Boeten. Art. 67f, lid 1, AWR; Vergrijpboeten wegens niet tijdig op aangifte voldoen van omzetbelasting. Motivering strafmaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 12-10-2018
V-N Vandaag 2018/2170
FutD 2018-2678
NTFR 2018/2372 met annotatie van mw.mr. W.E. Nent
V-N 2018/55.19 met annotatie van Redactie
NLF 2018/2293 met annotatie van Tom Noë
BNB 2018/194
Belastingadvies 2018/22.2
FED 2018/169 met annotatie van Y.E.J. GERADTS
NJB 2018/2209
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 oktober 2018

nr. 17/05547

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van fiscale eenheid [X] Beheer B.V. c.s. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 12 oktober 2017, nrs. 15/01219 tot en met 15/01225, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 14/5436 tot en met AWB 14/5443) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven boetebeschikkingen over tijdvakken gelegen in de periode 1 april 2011 tot en met 31 januari 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Nu deze conclusie bij de Hoge Raad na afloop van de daartoe gestelde termijn is ingediend, slaat de Hoge Raad op dit stuk geen acht.

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende over de tijdvakken april 2011, mei 2011, juli 2011 tot en met oktober 2011, en januari 2012 vergrijpboeten opgelegd wegens het opzettelijk niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn betalen van de over die tijdvakken verschuldigde omzetbelasting. De boeten bedragen telkens 30 percent van de over elk van de hiervoor vermelde tijdvakken niet tijdig betaalde belasting. Daarbij heeft de Inspecteur als strafverminderende omstandigheid in aanmerking genomen dat belanghebbende op jaarbasis bezien de juiste bedragen aan omzetbelasting heeft voldaan. De boeten belopen in totaal € 16.998.

2.2.

Over de hoogte van de boeten heeft het Hof geoordeeld dat, alles afwegende, boeten van elk 30 percent, zoals opgelegd door de Inspecteur, passend en geboden zijn. Onder meer hiertegen richten zich de klachten.

2.3.1.

Vooropgesteld wordt dat de rechter in belastingzaken in het kader van de straftoemeting, bij een geschil over het wel of niet in aanmerking nemen van een omstandigheid, hetzij als strafverzwarende hetzij als strafverminderende factor, daarover een oordeel moet geven. Dat oordeel mag niet getuigen van een onjuiste rechtsopvatting en mag, voor zover van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk zijn.

Verder wordt vooropgesteld dat de beoordeling of een boete in het licht van alle in aanmerking te nemen omstandigheden passend en geboden is, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De weging van de verschillende in aanmerking genomen omstandigheden behoeft geen motivering.

2.3.2.

Het Hof heeft zijn oordeel over de strafmaat onder meer gemotiveerd door te verwijzen naar de in zijn uitspraak in de onderdelen 4.13 en 4.14 vermelde strafverzwarende omstandigheden. Het oordeel van het Hof geeft in zoverre niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.1 is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd.

2.3.3.

Het Hof heeft alle door belanghebbende aangevoerde omstandigheden voor strafvermindering verworpen. De klachten slagen voor zover zij inhouden dat het Hof ten onrechte niet als strafverminderende omstandigheid in aanmerking heeft genomen de door belanghebbende naar voren gebrachte omstandigheid dat haar belastingschulden ruim € 100.000 belopen. De financiële positie van een belastingplichtige wordt mede bepaald door diens verplichting belastingschulden te betalen. Het karakter van deze schulden vormt geen grond om dit element van zijn draagkracht buiten beschouwing te laten bij de bepaling van de proportionaliteit van een boete (vgl. HR 28 maart 2014, nr. 13/00279, ECLI:NL:HR:2014:685, rechtsoverweging 3.3.4). Het oordeel van het Hof, dat klaarblijkelijk berust op de opvatting dat het bestaan van belastingschulden nimmer een matigende rol kan spelen bij de beoordeling van de hoogte van een opgelegde boete, getuigt in zoverre van een onjuiste rechtsopvatting.

2.4.

De klachten kunnen voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

2.5.

Gelet op hetgeen hiervoor in 2.3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor een nieuwe beoordeling van de hoogte van de boeten.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende een vergoeding dient te worden toegekend voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof,

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501, en

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1002 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.