Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1882

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/01066
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1122
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Belaging van pleegouders van zijn zoon, art. 285b.1 Sr. Proeftijd, bijzondere voorwaarden. Is de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over aangevers en hun pleeggezin toelaatbaar? Art. 14c.2.5 (oud) en 14c.2.14 Sr en art. 10 EVRM. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:1968:AB6079 m.b.t. bijzondere voorwaarden die het gedrag van veroordeelde betreffen ex art. 14c.2.5 (oud) en 14c.2.14 Sr. Hof heeft bij het opleggen van de bijzondere voorwaarden kennelijk voor ogen gehad dat verdachte volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid is gehouden zich niet langer te begeven in de persoonlijke levenssfeer van aangevers en hun pleeggezin en dat hij zich bijgevolg minstens gedurende de proeftijd o.m. dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over aangevers en hun pleeggezin. Die voorwaarde moet aldus worden verstaan dat zij ertoe strekt verdachte te weerhouden van het wederom plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin negatieve informatie over de aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, ook als zulks geen strafbaar feit oplevert. Deze voorwaarde betreft mitsdien het gedrag waartoe verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover de rechtstreeks bij het gepleegde misdrijf betrokkenen gehouden moet worden geacht en is dus een voorwaarde betreffende het gedrag van verdachte a.b.i. art. 14c.2 Sr. In aanmerking genomen dat de in art. 14c.2 Sr voorkomende termen 'andere (bijzondere) voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende' t.t.v. de bewezenverklaarde gedragingen in de rechtspraak van HR reeds nader waren gedefinieerd, biedt die bepaling een voldoende toegankelijke en voorzienbare grondslag voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting als vervat in art. 10 EVRM. In aanmerking genomen dat de in het middel bedoelde gedragsvoorwaarde slechts inhoudt dat verdachte zich dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van negatieve berichten in de media betreffende aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, brengt zij geen andere beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting mede dan die welke Hof klaarblijkelijk nodig heeft geacht - en ook nodig heeft kunnen achten - ter voorkoming van strafbare handelingen en ter bescherming van de rechten van anderen. De met voormelde voorwaarde gepaard gaande beperking van art. 10 EVRM voldoet daarom aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1972
RvdW 2018/1131
NBSTRAF 2018/329
TPWS 2019/7
SR-Updates.nl 2018-0373
NJ 2019/252 met annotatie van T. Kooijmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/01066

KD/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 februari 2017, nummer 22/002964-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en strafoplegging

2.1.1. In hoger beroep is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode 1 november 2011 tot en met 27 november 2014, te Capelle aan den IJssel, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] met het oogmerk [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te dwingen iets te doen (namelijk contact tussen verdachte en zijn zoon tot stand te brengen) en te dulden, immers heeft hij, verdachte, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk en met voormeld oogmerk op verschillende data in voormelde periode

- meermalen telefonisch contact gezocht met [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en e-mailberichten en twitterberichten verstuurd naar en/of over [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en

- zich meermalen opgehouden in de onmiddellijke nabijheid van de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en aangebeld bij de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ."

2.1.2. Deze bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

"3. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 31 juli 2014 van Politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2014263166-2 (blz. 15 tot en met 17 van proces-verbaal met nr. 2014263166). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 31 juli 2014 afgelegde verklaring - zakelijk weergegeven - van [betrokkene 1] :

Sinds 1 maart 2005 hebben mijn vrouw, genaamd [betrokkene 2] , en ik [betrokkene 3] als pleegkind in ons gezin opgenomen. De vader van [betrokkene 3] is [verdachte] , geboortedatum [geboortedatum] 1981.

[verdachte] wil zijn zoon terug.

[verdachte] belt ons stelselmatig, mailt en staat onaangekondigd voor de deur. Op deze manier probeert [verdachte] stelselmatig opzettelijk inbreuk te maken op onze persoonlijke levenssfeer.

(...)

Aan deze aangifte voeg ik als bijlage een tijdslijn. Hierin staat opgesomd wanneer en waarover [verdachte] ons mailde of belde. De afkorting [afkorting naam verdachte] in deze tijdslijn staat voor [verdachte] . Tevens voeg ik alle door ons bewaarde e-mails die [verdachte] ons toestuurde toe.

3a. Een geschrift, te weten een tijdslijn, die als bijlage is gevoegd bij het (...) genoemde proces-verbaal van aangifte (blz. 18 tot en met 20 van proces-verbaal met nr. 2014263166), voor zover inhoudende:

(...)

5 maart 2014, twitter, ons huis wordt afgebeeld met de tekst pleegzorgbunker

(...)

16 april 2014, +/- 12:00 uur, twitter, onze gegevens op twitter gezet + verwijzing naar twitter document

16 april 2014, +/- 17:00, twitter, pleegouders [betrokkene 1 en 2] + adres

17 april 2014, +/- 0:00, twitter, pedofielen + verwijzing twitter document

19 april 2014, +/- 12:30, twitter, via twitter, gereformeerde pleegoudergriezels + verwijzing document

3 mei 2014, twitter, verwijzing naar document

(...)

11 juli 2014, 13:33, twitter, meer beeld pedofiele pleegvader facebook

11 juli 2014, 13:52, twitter, nazi arts

11 juli 2014, 14:56, twitter, bedankt pedo pleegvader

11 juli 2014, 15:22, twitter, refo clubjes

(...)

5. Een proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 9 september 2014 van Politie Eenheid Rotterdam met documentcode 1409091314.AAN (blz. 78 tot en met 84 van proces-verbaal met nr. 2014263166). Dit proces-verbaal houdt onder meer in:

als de op 8 september 2014 afgelegde verklaring
- zakelijk weergegeven - van [betrokkene 1] :

Op 6 september 2014 begon [verdachte] weer op zijn twitteraccount met de naam @ [twitternaam] . [verdachte] twitterde het volgende:

"Dit weekend schadeclaimprocedure tegen pleegouders [betrokkene 1 en 2] , afronden. Wil graag hun smoel zien als dagvaarding op hun mat valt." En "waar uw belastingeuro's heengaan: Ongewenst kinderlozen [betrokkene 1 en 2] , [a-straat 1] , [woonplaats] "

En dan in dezelfde Twitter want het is een 1 van 3 Twitter het volgende:

"9 pleegkinderen keer ongeveer 500 euro per maand voor de schijnconstructie van adoptie (onrechtmatige OTS/UHP) 2/3"

En dan is de derde Twitter van [verdachte] het volgende:

"Te triest voor woorden dat een stel refo-debielen kinderen mag indoctrineren in dit land. En belastingbetaler mag dokken. 3/3"

(...)"

2.2.1. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "belaging" en de verdachte te dier zake veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Het Hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:

"Het hof heeft de op te leggen straf (...) bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft gedurende een periode van een aantal jaren de pleegouders van zijn zoontje belaagd. Hij heeft de pleegouders vele malen gebeld, heeft grensoverschrijdende e-mailberichten aan hen verzonden en twitterberichten over hen geplaatst. Ook heeft de verdachte zich herhaaldelijk en zonder toestemming bij de woning van de pleegouders opgehouden. Door aldus te handelen heeft de verdachte bij de slachtoffers gevoelens van angst en onzekerheid veroorzaakt. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij hun pleegkinderen niet meer buiten durfden te laten en dat zij continu op hun hoede waren.

Het hof heeft bij de beraadslaging acht geslagen op de inhoud van een aantal zich in het dossier bevindende omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte opgemaakte rapportages.

Daaruit volgt dat de verdachte zich doet voorkomen als een 'klokkenluider' van allerlei misstanden bij instanties die met jeugdzorg zijn belast. De verdachte stelt zich op het standpunt dat zijn zoon hem in 2004 ten onrechte is afgenomen. Om de voogdij over zijn zoon te kunnen krijgen, voert de verdachte al jarenlang strijd in de vorm van (gerechtelijke) procedures tegen instanties, de gezinsvoogden en de pleegouders van zijn zoon. De verdachte is sterk gepreoccupeerd met de juridische strijd rond de voogdij over zijn zoon. Aangezien de verdachte zeer overtuigd is van zijn gelijk wordt de kans op recidive als hoog ingeschat.

Om de kans op recidive te verkleinen, wordt het volgen van een ambulante behandeling bij "De Waag" of een soortgelijke instelling voor forensische psychiatrie geïndiceerd geacht. De verwachting is echter dat een gedwongen behandeling zinloos en zelfs contraproductief is. Niet alleen is de verdachte niet gemotiveerd voor een dergelijke behandeling maar naar verwachting zal hij zich - gezien zijn stoornis - tegen het opgelegde karakter van zo'n behandeling verzetten.

Geadviseerd wordt om aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een contactverbod, een locatieverbod en andere voorwaarden het gedrag betreffende.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de relatieve ouderdom van het bewezenverklaarde feit, alsmede met de omstandigheid dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Het hof zal die straf (...) geheel voorwaardelijk opleggen teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Daarnaast zal het hof aan de verdachte na te melden bijzondere voorwaarden opleggen, nu het hof zulks, gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, geraden voorkomt."

2.2.2. Als bijzondere voorwaarden zijn door het Hof gesteld:

"- dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is contact te leggen of te laten leggen met [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en hun pleeggezin, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, behoudens voor zover uitvoering dient te worden gegeven aan een eventuele beslissing van het gerechtshof Amsterdam in de zaak met zaaknummers 200.202.569/01 en 200.187.458/01;

- dat het de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd verboden is zich te bevinden binnen een straal van 500 (vijfhonderd) meter van de woning van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en binnen een straal van 500 (vijfhonderd) meter van de middelbare school van de zoon van de verdachte, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en behoudens voor zover uitvoering dient te worden gegeven aan een eventuele beslissing van het gerechtshof Amsterdam in de zaak met zaaknummers 200.202.569/01 en 200.187.458/01;

- dat de veroordeelde zich zal onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media, waaronder het internet, met daarin (belastende) informatie over [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en hun pleeggezin."

3 Juridisch kader

In cassatie zijn de volgende bepalingen van belang:

- art. 14c, tweede lid, Sr, dat tot de inwerkingtreding op 1 april 2012 van de Wet van 17 november 2011, Stb. 2011, 545, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met wijzigingen van de regeling van de voorwaardelijke veroordeling en de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling, luidde:

"Bij toepassing van artikel 14 kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld:

(...)

5º andere bijzondere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende, waaraan deze gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, heeft te voldoen."

- art. 14c, tweede lid, Sr, dat sedert 1 april 2012 luidt:

"Bij toepassing van artikel 14a kunnen voorts de volgende bijzondere voorwaarden worden gesteld, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd, of een bij de veroordeling te bepalen gedeelte daarvan, dan wel binnen een door de rechter te bepalen termijn, ten hoogste gelijk aan de proeftijd, heeft te voldoen:

(...)

14° andere voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende."

- art. 10 EVRM, dat in de Nederlandse vertaling luidt:

"1. Een ieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Dit artikel belet Staten niet radio- omroep-, bioscoop- of televisieondernemingen te onderwerpen aan een systeem van vergunningen.

2. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen."

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel klaagt dat het Hof aan de voorwaardelijke veroordeling de bijzondere voorwaarde heeft verbonden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over de aangevers en hun pleeggezin.

4.2.

Het Hof heeft zijn beslissing gegrond op onder meer art. 14c Sr. Als bijzondere voorwaarden als bedoeld in art. 14c, tweede lid onder 5º, (oud) Sr respectievelijk art. 14c, tweede lid onder 14º, Sr die het gedrag van de veroordeelde betreffen, kunnen worden aangemerkt voorwaarden die strekken ter bevordering van een goed levensgedrag van de veroordeelde of die een gedraging betreffen waartoe hij uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid gehouden moet worden geacht (vgl. HR 26 november 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB6079, NJ 1970/123).

4.3.

Het Hof heeft bij het opleggen van de bijzondere voorwaarden kennelijk voor ogen gehad dat de verdachte volgens normen van maatschappelijke betamelijkheid is gehouden zich niet langer te begeven in de persoonlijke levenssfeer van de aangevers en hun pleeggezin en dat hij zich bijgevolg minstens gedurende de proeftijd onder meer dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin (belastende) informatie over de aangevers en hun pleeggezin. Die voorwaarde moet aldus worden verstaan dat zij ertoe strekt de verdachte te weerhouden van het wederom plaatsen en/of verspreiden van berichten in de media met daarin negatieve informatie over de aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, ook als zulks geen strafbaar feit oplevert. Deze voorwaarde betreft mitsdien het gedrag waartoe de verdachte uit een oogpunt van maatschappelijke betamelijkheid tegenover de rechtstreeks bij het gepleegde misdrijf betrokkenen gehouden moet worden geacht en is dus een voorwaarde betreffende het gedrag van de verdachte als bedoeld in art. 14c, tweede lid, Sr.

4.4.

In aanmerking genomen dat de in art. 14c, tweede lid, Sr voorkomende termen 'andere (bijzondere) voorwaarden, het gedrag van de veroordeelde betreffende' ten tijde van de bewezenverklaarde gedragingen in de rechtspraak van de Hoge Raad reeds - op de hiervoor onder 4.2 vermelde wijze - nader waren gedefinieerd, biedt die bepaling in de onderhavige zaak een voldoende toegankelijke en voorzienbare grondslag voor een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting als vervat in art. 10 EVRM.

4.5.

In aanmerking genomen dat de in het middel bedoelde gedragsvoorwaarde slechts inhoudt dat de verdachte zich dient te onthouden van het plaatsen en/of verspreiden van negatieve berichten in de media betreffende de aangevers in hun hoedanigheid van pleegouders, brengt zij in de onderhavige zaak geen andere beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting mede dan die welke het Hof klaarblijkelijk nodig heeft geacht - en ook nodig heeft kunnen achten - ter voorkoming van strafbare handelingen en ter bescherming van de rechten van anderen. De met voormelde voorwaarde gepaard gaande beperking van art. 10 EVRM voldoet daarom aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

4.6.

Het middel faalt.

5 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018.