Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1875

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
17/05858
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verdachte stompt aangeefster, kort na geboorte van haar zoon, in ziekenhuis meermalen in haar gezicht, nadat aangeefster tegen hem heeft gezegd dat ze niet met hem wil trouwen vanwege zijn agressieve buien en dat hij eerst in therapie moest gaan. Mishandeling van levensgezel a.b.i. art. 304 Sr? In aanmerking genomen dat de bewijsvoering onvoldoende inhoudt omtrent de aard en hechtheid van de betrekking tussen verdachte en aangeefster, is het oordeel dat aangeefster als "levensgezel" in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt, niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1969
RvdW 2018/1155
NBSTRAF 2018/338
SR-Updates.nl 2018-0375
NbSr 2018/338
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 17/05858

NA/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 november 2017, nummer 21/002860-17, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Bewezenverklaring, bewijsvoering, strafoplegging en strafmotivering

2.1.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 23 september 2016 te Apeldoorn, zijn levensgezel, [betrokkene 1], heeft mishandeld door [betrokkene 1] meerdere malen met kracht, met de vuisten in het gezicht te stompen."

2.1.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door de Rechtbank gebezigde en door het Hof bevestigde bewijsvoering:

"2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. De politie krijgt op 23 september 2016 omstreeks 23.00 uur een melding van het Gelre Ziekenhuis in Apeldoorn dat er een mishandeling heeft plaatsgevonden bij een patiënte die een dag daarvoor was bevallen van haar kind. Toen verbalisanten omstreeks 23.45 uur in contact kwamen met de patiënte zagen zij dat zij letsel in haar gezicht had. Haar bovenlip en de rechterkant van haar gezicht waren gezwollen. Het letsel is vastgelegd op foto's die in het dossier zijn gevoegd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft daartoe gewezen op de verklaring van verdachte dat aangeefster het letsel bij zichzelf heeft veroorzaakt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte op 23 september 2016 in het ziekenhuis in Apeldoorn ruzie kregen, nadat aangeefster tegen verdachte had gezegd dat ze niet met hem wilde trouwen vanwege zijn agressieve buien. Ook haar vader was het niet eens met een huwelijk en aangeefster wilde dat verdachte eerst in therapie zou gaan. Verdachte accepteerde dit niet en werd boos. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte helemaal doordraaide en dat ze lange tijd ruzie hebben gehad op de ziekenhuiskamer. Eerst waren ze alleen en later waren de zus van verdachte en haar vriend er ook bij. Toen aangeefster zei dat ze de politie ging bellen stompte verdachte haar in haar gezicht. Ze weet niet hoe vaak hij stompte. Verdachte is kickbokser geweest en hij heeft harde vuisten. Als hij slaat, slaat hij hard. Ze voelde pijn, een branderig gevoel en ze zag bloed. Verdachtes zusje en haar vriend deden niets. Ze zeiden alleen dat verdachte weg moest gaan. Verdachte pakte de autosleutels van aangeefster (haar mobiel had hij al gepakt) en wat geld uit haar portemonnee en ging weg. Voordat hij wegging zei verdachte tegen haar dat ze tegen de verpleging moest zeggen dat ze zichzelf had geslagen. Aangeefster heeft door de mishandeling pijn aan haar gezicht en aan haar hoofd.

Nadat het gebeurd was heeft aangeefster de verloskundigen gebeld met de ziekenhuistelefoon. Zij heeft ook haar moeder gebeld en gezegd dat ze geslagen is door verdachte. Haar zus heeft toen naar haar telefoonnummer gebeld en kreeg verdachte aan de lijn, omdat die de telefoon van aangeefster had meegenomen. Verdachte heeft tegen haar zus gezegd dat hij aangeefster geslagen had en dat ze naar haar zus toe moest gaan omdat er veel bloed was.

Getuige [getuige 1] heeft onder meer verklaard dat ze op het moment van het incident twee kamers verderop als kraamverzorgster aan het werk was. Ze werd gebeld door aangeefster. Aangeefster huilde en vroeg of ze direct wilde komen. Op de gang zag ze verdachte, zijn zus en haar vriend staan. Verdachte zag er opgefokt uit, hij stond daar met wilde ogen. Toen ze de kamer van aangeefster binnenkwam zag ze dat aangeefster een dik oog had, dat haar jukbeen was opgezet en dat ze een dikke bovenlip had. Ook had ze bloed in haar gezicht. Getuige is direct naar haar kantoor gegaan en heeft de beveiliging gewaarschuwd. Toen ze op de gang kwam zag ze dat verdachte, zijn zus en haar vriend weg waren.

De getuige [getuige 2], kraamverzorgster, heeft onder meer verklaard dat ze haar collega [getuige 1] (rechtbank: [getuige 1]) hoorde zeggen dat zij, [getuige 2], naar de kamer van aangeefster moest gaan omdat deze net klappen had gehad van haar vriend. [getuige 2] is de kamer opgelopen en zag aangeefster in bed zitten. Ze zag dat ze onder het bloed zat en dat haar neus bloedde. Ze hoorde aangeefster zeggen dat ze ruzie had gekregen met verdachte en dat hij haar meerdere klappen had gegeven.

Getuige [getuige 3] (zus van aangeefster) heeft verklaard dat ze die avond belde met haar zusjes telefoonnummer en verdachte aan de lijn kreeg. Die zei: 'je moet naar je zusje gaan. Ik heb haar geslagen en ze zit helemaal onder het bloed'. Verdachte zei: 'het komt door jouw vader, omdat hij mij had uitgescholden. Het werd zwart voor mijn ogen en daarom heb ik [betrokkene 1] geslagen. Ik weet niet wat ik deed.'

's Nachts is [getuige 3] naar het ziekenhuis gegaan en heeft van aangeefster gehoord dat verdachte haar geslagen had omdat hij boos was over berichten van hun vader.

Verdachte heeft verklaard dat toen aangeefster in het ziekenhuisbed lag er over en weer is geslagen en dat hij zo boos werd dat het hem zwart voor ogen werd. Omdat hij niet meer wist wat hij moest doen, heeft hij vervolgens de autosleutels gepakt, geld uit de portemonnee gehaald, de mobiel gepakt en is hij weggegaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het bij aangeefster geconstateerde letsel is ontstaan doordat verdachte aangeefster meermalen met kracht met de vuist in haar gezicht heeft geslagen. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster, zoals die hiervoor is weergegeven, geloofwaardig. Die verklaring vindt niet alleen steun in de verklaring van verdachte dat er over en weer - dus aangeefster ook door hem - is geslagen, maar ook in de verklaring van de zus van aangeefster, dat verdachte haar telefonisch heeft verteld dat hij aangeefster had geslagen en dat aangeefster bloedde. De verklaring van aangeefster vindt voorts steun in de verklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] die aangeefster en verdachte vrijwel direct na de mishandeling hebben gezien.

In het voorgaande ligt besloten dat de rechtbank de andersluidende verklaring van verdachte dat het letsel is ontstaan door klappen die aangeefster zichzelf heeft gegeven niet geloofwaardig acht. Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van de zus van verdachte, die eveneens heeft verklaard dat aangeefster zichzelf met vuisten in het gezicht sloeg. Die verklaring stemt echter niet overeen met die van verdachte, zodat de rechtbank ook die verklaring niet geloofwaardig acht. De zus van verdachte heeft verklaard dat verdachte op het moment dat aangeefster zichzelf sloeg in paniek was en daarom door haar vriend naar buiten werd gebracht en niet meer in de ziekenhuiskamer is geweest. Zij is naar de badkamer gelopen en zag bij terugkomst dat aangeefster zichzelf een bloedneus had geslagen. Die bloedneus was er niet voordat zij naar de badkamer liep. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat aangeefster hysterisch werd en zichzelf tot bloedens toe in het gezicht sloeg en verdachte aangeefster vastpakte (en heeft geslagen) om haar rustig te krijgen."

2.2.1. Het Hof heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde en als "mishandeling van zijn levensgezel" gekwalificeerde feit veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met last tot tenuitvoerlegging van twee eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van twaalf maanden respectievelijk drie maanden.

2.2.2. Het Hof heeft de opgelegde straf onder meer als volgt gemotiveerd:

"De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft bij de keuze voor een vrijheidsbenemende straf van na te melden duur in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft in het ziekenhuis zijn levenspartner, kort na de geboorte van haar zoon, mishandeld. Door zo te handelen heeft hij haar lichamelijke integriteit geschonden en haar pijn en letsel bezorgd. Aldus is een voor haar angstaanjagende situatie geschapen, juist op een plek (kraambed in het ziekenhuis) waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten kunnen voelen. Dit wordt de verdachte in hoge mate aangerekend.

Daarnaast houdt het hof ten nadele van verdachte rekening met het forse strafblad van verdachte waar uit blijkt dat verdachte in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor mishandelingen, waaronder mishandelingen gericht tegen een levensgezel. Verdachte was ten tijde van het plegen van dit feit nog maar net uit detentie ontslagen."

3 Beoordeling van het middel

3.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring voor zover deze inhoudt dat de verdachte de mishandeling heeft begaan tegen "zijn levensgezel" als bedoeld in art. 304 Sr, ontoereikend is gemotiveerd.

3.2.1.

Art. 304 Sr luidt, voor zover hier van belang:

"De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd:

1° ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel, zijn kind, een kind over wie hij het gezag uitoefent of een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin (...)"

3.2.2.

De toelichting bij de nota van wijziging bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 22 december 2005, Stb. 2006, 11 (Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima) houdt onder meer in:

"Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.

Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:

- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding

- de duur van de gemeenschappelijke huishouding

- of er een relatie van affectieve aard is, en met name

- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.

Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen." (Kamerstukken II, 2002-2003, 28 484, nr. 5, p. 5)

3.3.

In aanmerking genomen dat de bewijsvoering onvoldoende inhoudt omtrent de in voormelde toelichting bedoelde aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster, is het oordeel dat [betrokkene 1] als "levensgezel" in de zin van art. 304 Sr kan worden aangemerkt, niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

4 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2018.