Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1848

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
18/02349
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:1110, Gevolgd
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Wet Bopz. Verzoek tot machtiging voortgezet verblijf niet toewijsbaar omdat betrokkene voorwaardelijk is ontslagen uit het ziekenhuis en de beslistermijn is verstreken (art. 17 lid 2 Wet Bopz). Geen gebruik gemaakt van mogelijkheid van art. 8a Wet Bopz om passender machtiging te verzoeken. Mocht rechtbank wel een voorlopige machtiging verlenen als "het mindere" van de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2018-0410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

5 oktober 2018

Eerste Kamer

18/02349

LZ/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. G.E.M. Later,

t e g e n

OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARRONDISSEMENTSPARKET OOST-NEDERLAND,
zetelende te Arnhem,

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.

1 Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in de zaak 331843/FA RK 18-115 van de rechtbank Gelderland van 28 februari 2018.

Het proces-verbaal van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de uitspraak van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot alsnog afwijzing van het inleidend verzoek van de officier van justitie.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Bij verzoekschrift van 12 januari 2018 heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene. Betrokkene verbleef op dat moment in een psychiatrisch ziekenhuis op basis van een op 23 oktober 2017 verleende voorlopige machtiging, waarvan de geldigheidsduur verstreek op 23 januari 2018.

3.1.2

Tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek is gebleken dat aan betrokkene voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis was verleend. In overleg met de aanwezigen heeft de rechtbank de behandeling aangehouden en op de voet van art. 8a Wet Bopz aan de officier van justitie de vraag voorgelegd of een andere machtiging dan verzocht, bijvoorbeeld een voorwaardelijke machtiging, niet passender is.

3.1.3

De officier van justitie heeft, onder verwijzing naar een brief van de behandelend arts van betrokkene, waarin deze toelicht dat een voorwaardelijke machtiging niet haalbaar is, het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf gehandhaafd.

3.2

Bij de in cassatie bestreden beslissing heeft de rechtbank een voorlopige machtiging verleend om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen of te doen verblijven voor een periode van zes maanden, tot en met 28 augustus 2018. Uit het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak blijkt dat zij die beslissing, voor zover in cassatie van belang, als volgt heeft gemotiveerd:

“Met het oog op de vraag welke machtiging (…) moet worden verleend is het volgende van belang.
De voorafgaande machtiging (een voorlopige machtiging) is afgegeven op 23 oktober 2017 voor de duur van drie maanden. De termijn van deze machtiging verstreek dus op 23 januari 2018. Doordat voor het einde van die termijn een machtiging tot voortgezet verblijf is verzocht had de lopende machtiging een zekere nawerking. Dit volgt uit artikel 48 van de Wet Bopz. Daarin is (…) bepaald dat de geneesheer-directeur aan iemand die niet vrijwillig in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft, ontslag verleent wanneer de geldigheidsduur van de lopende machtiging is verstreken en, wanneer een aansluitende machtiging is verzocht, de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken. Die termijn kan alleen nog worden verlengd als op verzoek van de betrokkene een deskundige wordt geraadpleegd. De beslistermijn wordt dus niet verlengd door de toepassing van artikel 8a.

In artikel 17 lid 2 Wet Bopz is bepaald dat de rechter op een verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf beslist binnen vier weken na indiening van het verzoek. Dit betekent dat de beslistermijn op februari 2018 is verstreken. Betrokkene verbleef op dat moment, vanwege het aan haar verleende voorwaardelijk ontslag, buiten de instelling. Omdat het ontslag na 9 februari 2018 niet meer kon worden ingetrokken (doordat de geldigheidsduur van de lopende machtiging was verstreken en betrokkene buiten de instelling verbleef), kan de rechtbank nu geen machtiging tot voortgezet verblijf meer afgeven. Dit volgt uit [de Hoge Raad leest:] de beschikking van de Hoge Raad van 25 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2711).

Zoals de advocaat van betrokkene in haar e-mailbericht van 21 februari 2018 heeft betoogd kan de rechtbank daarom alleen een voorlopige machtiging afgeven.

Het verzoek van de officier van justitie strekt tot het afgeven van een machtiging tot voortgezet verblijf. Hij verzoekt dus om een gedwongen opname van betrokkene. De rechtbank beschouwt een voorlopige machtiging in dit verband als “het mindere” ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf. De stukken die zich in het dossier bevinden en de tijdens de twee zittingen verkregen informatie zijn toereikend om (ook) tot afgifte van een voorlopige machtiging te beslissen."

3.3.1

Het middel klaagt dat de rechtbank geen voorlopige machtiging kon verlenen, omdat de officier van justitie geen verzoek daartoe heeft ingediend. Het bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat een voorlopige machtiging kan worden beschouwd als het mindere ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf.

3.3.2

Uitgangspunt is dat de rechtbank niet de bevoegdheid heeft en behoort te hebben ambtshalve een andere machtiging te verlenen dan door de officier van justitie is verzocht. Daarom is bepaald dat, indien de rechtbank een andere maatregel passender acht, zij op de voet van art. 8a Wet Bopz de officier van justitie de vraag kan voorleggen of een andere machtiging niet passender is. Afgezien van die mogelijkheid kan de rechtbank een andere machtiging dan primair verzocht slechts verlenen indien zij in het verzoek van de officier van justitie tevens een subsidiair verzoek tot het verlenen van die andere machtiging mocht lezen. (HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT1744, NJ 2009/115)

3.3.3

Met haar oordeel dat een voorlopige machtiging kan worden beschouwd als “het mindere” ten opzichte van een machtiging tot voortgezet verblijf heeft de rechtbank het hiervoor in 3.3.2 overwogene miskend. De rechtbank heeft immers vastgesteld dat de officier van justitie naar aanleiding van de, op de voet van art. 8a Wet Bopz gestelde, vraag of een andere machtiging niet passender is, het verzoek tot verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf heeft gehandhaafd. Zij heeft niet vastgesteld dat de officier van justitie subsidiair een voorlopige machtiging heeft verzocht. Het middel slaagt dus.

3.4

Gelet op het voorgaande en de stukken van het geding is geen andere beslissing mogelijk dan de afwijzing van het verzoek van de officier van justitie. De Hoge Raad zal aldus beslissen.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland;

wijst het verzoek van de officier van justitie af.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer C.E. du Perron op 5 oktober 2018.