Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1821

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
16/05942
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:759
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Bijstandsfraude, art. 227b Sr. Hof heeft verdachte n-o verklaard in haar h.b. tegen bij verstek gewezen vonnis Pr van 22-8-2013, omdat h.b. te laat (op 6-4-2016) is ingesteld. Kan in reclasseringsrapport genoemd telefoongesprek tussen reclassering en verdachte i.h.k.v. executie van in e.a. opgelegde werkstraf worden aangemerkt als omstandigheid waaruit voortvloeit dat einduitspraak verdachte bekend was a.b.i. art. 408.2 Sv? Raadsman heeft aangevoerd dat verdachte alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren en niet van de bij vonnis van Pr opgelegde werkstraf van 240 uren. Hof heeft in reactie op dit betoog o.b.v. rapportage van reclassering vastgesteld dat verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de in de onderhavige strafzaak aan verdachte opgelegde werkstraf van 240 uur. Hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat, blijkens de justitiële documentatie van verdachte, de werkstraf van 30 uur die de verdediging kennelijk bedoelt, bijna twaalf jaar daarvoor, bij vonnis van 19-8-2002, is opgelegd en daarvan ook niet blijkt uit rapportage van reclassering van 12-8-2014. Op basis daarvan, heeft Hof geoordeeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat einduitspraak van Pr verdachte in of rond juli 2014 bekend was en dat verdachte n-o is in haar op 6-4-2016 ingestelde h.b. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2018/404
RvdW 2018/1102
SR-Updates.nl 2018-0360 met annotatie van J.H.J. Verbaan
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 oktober 2018

Strafkamer

nr. S 16/05942

JHO

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 oktober 2016, nummer 22/001654-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.H. van Zundert, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over het oordeel van het Hof dat het hoger beroep te laat is ingesteld.

2.2.1.

De verdachte is door de Politierechter in de Rechtbank Den Haag op 22 augustus 2013 bij verstek veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Op 6 april 2016 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

2.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De voorzitter deelt mede dat het hof het ervoor houdt, mede gelet op de door de raadsman bij schriftuur overgelegde stukken, dat de inleidende dagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt, alsmede dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte anderszins vooraf van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg op de hoogte was.

De voorzitter stelt aan de orde dat uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014, betreffende parketnummer 09.766066-13, vonnisdatum 22 augustus 2013, strafoplegger politierechter Den Haag, kan worden opgemaakt dat er rond juli 2014 telefonisch contact is geweest tussen een reclasseringsmedewerker en de verdachte over de uitvoering van een werkstraf van 240 uren. De vraag is of dit een omstandigheid is waaruit voortvloeit dat de verdachte bekend was met het bij verstek gewezen vonnis van 22 augustus 2013, als gevolg waarvan zij niet-ontvankelijk is in het hoger beroep, nu pas op 6 april 2014 (de Hoge Raad begrijpt: 6 april 2016) namens haar tegen dit vonnis hoger beroep is ingesteld.

De advocaat-generaal voert hierna het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep wegens termijnoverschrijding.

De raadsman deelt mede dat zijn cliënte in juli 2014 niet door de reclassering op de hoogte is gesteld van het vonnis van 22 augustus 2013. In het telefoongesprek met de reclassering in juli 2014 is volgens zijn cliënte niet gesproken over het vonnis van 22 augustus 2013. Zij wist alleen van een openstaande werkstraf van 30 uren. Zij heeft gezegd dat zij een eventueel openstaande straf graag in België wilde ondergaan. Zijn cliënte heeft ook nooit een schriftelijk bericht van de reclassering ontvangen over de uitvoering van de werkstraf van 240 uren, zoals opgelegd bij vonnis van 22 augustus 2013.

De raadsman merkt daarbij op dat zijn cliënte tijdens haar verhoor bij de sociale recherche het adres heeft doorgegeven waar zij destijds in België woonachtig was. De reclassering heeft echter nagelaten om de correspondentie naar dit adres te sturen, met als gevolg dat zijn cliënte niet op de hoogte was van de werkstraf van 240 uren.

Voorts kan volgens de raadsman ook uit de overige stukken in het dossier niet worden opgemaakt dat zijn cliënte van het vonnis van 22 augustus 2013 op de hoogte is gesteld, zodat zij ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

Volgens de raadsman heeft hij zijn cliënte, naar aanleiding van de omzetting van de taakstraf naar voorlopige hechtenis, op de hoogte gesteld van het vonnis van 22 augustus 2013. Vervolgens heeft hij tijdig namens zijn cliënte hoger beroep ingesteld.

Het hof onderbreekt het onderzoek voor beraadslaging.

Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek stelt het hof de raadsman in de gelegenheid het laatste woord te voeren.

De raadsman deelt mede dat zijn cliënt naar de ambassade van Nederland in België is gegaan en dat zij daar haar adres in België heeft doorgegeven. Haar uitschrijving in Nederland heeft echter later plaatsgevonden. De raadsman benadrukt nogmaals dat zijn cliënte door de reclassering niet op de hoogte is gesteld van het vonnis van 22 augustus 2013. Door de reclassering is tijdens het telefoongesprek in juli 2014 alleen medegedeeld dat zij nog een brief zou krijgen. Zij heeft nooit een brief over deze zaak ontvangen."

2.2.3.

Het Hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep en daartoe het volgende overwogen:

"In eerste aanleg is de verdachte bij verstek veroordeeld, terwijl het hof het, gelet op hetgeen zich in het dossier bevindt, ervoor houdt dat de inleidende dagvaarding haar niet in persoon is uitgereikt. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat de verdachte anderszins vooraf van de dag van de terechtzitting in eerste aanleg op de hoogte was. Gelet op het bepaalde in artikel 408, lid 2, (de Hoge Raad begrijpt: Sv) moest het hoger beroep tegen het bestreden vonnis derhalve worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid had voorgedaan waaruit bekendheid met het vonnis voortvloeide.

Het hof leidt uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014 af dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van een werkstraf van 240 uur, uit te voeren bij de Kringloop Gouda. Blijkens dit schrijven gaat het om het vonnis van 22 augustus 2013 met parketnummer 09-766066-13. De verdachte heeft tijdens het telefoongesprek te kennen gegeven dat zij niet zeker wist of zij zou reageren op de oproepen van de reclassering omdat zij de rest van haar leven anders wel in België zou blijven om zo een straf te ontlopen.

Door de raadsman is ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat tijdens het telefoongesprek in juli 2014 niet is gesproken over het vonnis van 22 augustus 2013 en dat de verdachte alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren. Het hof acht dit gelet op de rapportage van de Reclassering niet aannemelijk. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat, blijkens de justitiële documentatie van de verdachte, de werkstraf van 30 uur die de verdachte kennelijk bedoelt, bijna twaalf jaar daarvoor, bij vonnis van 19 augustus 2002, is opgelegd en daarvan ook niet blijkt uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte in of rond juli 2014 over zodanige gegevens beschikte dat er sprake is van een omstandigheid waaruit voortvloeit dat zij bekend was met het vonnis van 22 augustus 2013.

Nu namens de verdachte pas op 6 april 2016 hoger beroep is ingesteld, heeft zij dat niet tijdig gedaan en zal het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep."

2.2.4.

Voormelde rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014 bevindt zich bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken en houdt onder meer het volgende in:

"Parketnummer : 09.766066-13

Vonnisdatum : 22-08-2013

Strafoplegger : Politierechter Den Haag

Opgelegd aantal uren : 240 uur

(...)

Programma : Werkstraf

(...)

3 juni 2014

Wij kregen onderhavige zaak, voorzien van parketnummer 09.766066-13, overgedragen vanuit de werkstrafunit in Breda. Wij hebben vervolgens telefonisch contact opgenomen met betrokkene, welke woonachtig is in België. Betrokkene meldde dat ze in augustus doordeweeks fulltime beschikbaar zou zijn voor de uitvoering van haar werkstraf. Betrokkene gaf hierbij haar adressen door. Betrokkene gaf te kennen dat ze niet zeker wist of ze zou reageren op de oproepen omdat ze de rest van haar leven anders wel in België zou blijven om zo een openstaande straf te ontlopen.

(...)

Conclusie:

Wij hebben betrokkene gesproken op 3 juni en haar vervolgens meerdere malen uitgenodigd zonder succes. Wij hebben de werkstraf van betrokkene uiteindelijk stopgezet en haar de mogelijkheid gegeven om contact met ons op te nemen. Gezien het feit dat betrokkene niet reageert op onze brieven en zelf geen contact opneemt, sturen wij de werkstraf als niet uitvoerbaar retour."

2.3.

Ingevolge art. 408, tweede lid, Sv moet de verdachte binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid voordoet waaruit voortvloeit dat de einduitspraak hem bekend is, hoger beroep instellen tegen het vonnis.

2.4.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor weergegeven overwegingen - in reactie op het betoog van de raadsman dat, kort gezegd, de verdachte alleen wist van een openstaande werkstraf van 30 uren en niet van de bij het vonnis van de Politierechter opgelegde werkstraf van 240 uren - op basis van de rapportage van de reclassering vastgesteld dat de verdachte in of rond juli 2014 telefonisch contact heeft gehad met een reclasseringsmedewerker over de uitvoering van de in de onderhavige strafzaak aan de verdachte opgelegde werkstraf van 240 uren. Het Hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat, blijkens de justitiële documentatie van de verdachte, de werkstraf van 30 uren die de verdediging kennelijk bedoelt, bijna twaalf jaar daarvoor, bij vonnis van 19 augustus 2002, is opgelegd en daarvan ook niet blijkt uit de rapportage van de reclassering van 12 augustus 2014.

Op basis daarvan heeft het Hof geoordeeld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak van de Politierechter de verdachte in of rond juli 2014 bekend was en dat de verdachte niet-ontvankelijk is in haar op 6 april 2016 ingestelde hoger beroep. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.5.

Het middel faalt.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 oktober 2018.