Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1792

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
17/04318
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:424, Gevolgd
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2017:2623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 14 Verdrag Nederland-Eurojust. Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746). Medewerker Eurojust niet verzekerd voor de AOW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-09-2018
V-N Vandaag 2018/2028
FutD 2018-2547
NTFR 2018/2243 met annotatie van mr. J.D. Schouten
V-N 2018/51.11 met annotatie van Redactie
NLF 2018/2130 met annotatie van Marjon Weerepas
USZ 2018/306
BNB 2019/4
RSV 2019/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 september 2018

nr. 17/04318

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2017, nrs. 15/7786 AOW en 16/3544 AOW, op het hoger beroep van de Sociale Verzekeringsbank en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord‑Holland (nr. HAA 15/1111) betreffende een besluit van de Sociale Verzekeringsbank ingevolge de Algemene Ouderdomswet. De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 10 april 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:424).

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende, die woont in Nederland, is vanaf 1 november 2002 als ‘staff member’ werkzaam bij Eurojust. Daarnaast is hij reservist bij het Ministerie van Defensie en wordt hij als zodanig enkele dagen per jaar opgeroepen om werkzaamheden te verrichten.

2.1.2.

De SVB heeft belanghebbende met ingang van 1 april 2006 alleen verzekerd geacht voor de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) voor de dagen dat hij als reservist werkzaamheden heeft verricht.

2.2.1.

Voor de CRvB was in geschil of belanghebbende vanaf 1 april 2006 volledig verzekerd is geweest voor de AOW.

2.2.2.

Voor de CRvB was niet in geschil dat belanghebbendes werkzaamheden voor Eurojust op grond van artikel 14, lid 2, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Eurojust van 15 maart 2006, Trb. 2006, 68 (hierna: de Zetelovereenkomst), niet leiden tot verzekering voor de AOW. Evenmin was in geschil dat belanghebbendes werkzaamheden als reservist op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746) op zichzelf wel leiden tot verzekering voor de AOW.

2.2.3.

Artikel 14, lid 2, van de Zetelovereenkomst verhindert naar het oordeel van de CRvB echter verzekering voor de AOW op grond van KB 746, omdat staff members van Eurojust in alle opzichten zijn uitgesloten van verplichte sociale verzekeringen in Nederland, dus ook voor andere werkzaamheden dan die voor Eurojust.

2.3.

Tegen het hiervoor in 2.2.3 weergegeven oordeel richt zich het beroepschrift in cassatie met een aantal klachten.

2.4.1.

De eerste en tweede klacht houden in dat het Besluit van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, nr. 2002/187/JBZ (hierna: het Eurojustbesluit), prevaleert boven de Zetelovereenkomst en dat de Staff Regulations of Officials of the European Communities en de Conditions of Employment of Other Servants of the European Communities (hierna tezamen: de EU-regelingen) die op grond van het Eurojustbesluit op belanghebbende van toepassing zijn, zijn verzekering voor de AOW in Nederland niet uitsluiten.

2.4.2.

Ingevolge artikel 14 van het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is de Europese Unie, met uitsluiting van de lidstaten, als enige bevoegd te bepalen welke regels op (onder meer) de ambtenaren van de Europese Unie van toepassing zijn voor wat betreft hun verplichtingen op het gebied van sociale zekerheid (vgl. HvJ 10 mei 2017, De Lobkowicz/Frankrijk, C‑690/15, ECLI:EU:C:2017:355, punt 40 tot en met 49). Van die bevoegdheid heeft Eurojust als agentschap van de Europese Unie onder andere gebruikgemaakt door in artikel 14, lid 2, van de Zetelovereenkomst overeen te komen dat personeelsleden van Eurojust zijn uitgesloten van verplichte sociale verzekeringen in Nederland.

2.4.3.

Gelet op de bewoordingen van artikel 14, lid 2, van de Zetelovereenkomst zijn de in dat artikellid bedoelde personen in alle opzichten uitgesloten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland (hierna: de uitsluiting). De uitsluiting betreft zowel de verplichte verzekering als de daaruit voortvloeiende heffing van premies.

2.4.4.

Aangezien voor staff members van Eurojust, anders dan voor hun familieleden in artikel 14, lid 3, van de Zetelovereenkomst is bepaald, niet is voorzien dat de in 2.4.3 bedoelde uitsluiting buiten toepassing kan blijven, ook niet voor het geval die staff members aan de regelingen van Eurojust geen met de Nederlandse sociale verzekeringen vergelijkbare rechten kunnen ontlenen, moet worden aangenomen dat de verdragsluitende partijen hebben bedoeld hen zonder uitzonderingsmogelijkheid uit te sluiten van de verplichte sociale verzekeringen in Nederland. Anders dan in de klachten wordt betoogd leidt de omstandigheid dat de uitsluiting niet is voorzien in de EU-regelingen, niet tot een ander oordeel.

2.4.5.

Op grond van het voorgaande falen de eerste en tweede klacht.

2.5.

De overige klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice‑president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren J.A.C.A. Overgaauw, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2018.