Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1776

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
28-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
17/03571
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:619, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:3609, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Overeenkomst van opdracht; tekortkoming. Opdrachtnemer behoudt zelf de geldbedragen die bestemd waren voor derde. Schade van opdrachtgever? Causaal verband. Bewijslast van (niet-)afdragen; art. 7:403 lid 2 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1822
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

28 september 2018

Eerste Kamer

17/03571

LZ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. J.H.M. van Swaaij,

t e g e n

[verweerder],
wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerder].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/18/139343 HA ZA 13-57 van de rechtbank Noord-Nederland van 27 november 2013, 30 juli 2014 en 21 januari 2015;

b. het arrest in de zaak 200.168.605/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 april 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerder] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat en mede door mr. J.M. Moorman.

De conclusie van de Advocaat-GeneraalG.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerder] en [eiseres] zijn jarenlang bevriend geweest. Op enig moment heeft [verweerder] aan [eiseres] verteld over een vriend, genaamd [betrokkene 1], die een erfenis had verkregen bestaand in een huis en een stuk grond in Irak. [verweerder] heeft daarbij [eiseres] verteld dat hij [betrokkene 1] financieel ondersteunde om de erfenis veilig te stellen en het huis en de grond te verkopen.

(ii) Op enig moment is [eiseres] aangevangen met het ten behoeve van [betrokkene 1] ter beschikking stellen van geldbedragen aan [verweerder], die [verweerder] zou doorleiden aan [betrokkene 1].

(iii) Op 6 maart 2012 heeft [eiseres] bij de politie aangifte gedaan jegens [verweerder] en [betrokkene 1] ter zake van oplichting gepleegd in de periode van 1 januari 2011 tot 6 maart 2012.

(iv) Bij e-mail van 8 maart 2012 heeft [eiseres] aan [verweerder] het volgende geschreven:

"Inmiddels heb ik je € 85.000,00 voorgeschoten, in afwachting van het vrijvallen van een erfenis van [betrokkene 1]. Inclusief de afspraken tussen ons komt het totale bedrag wel op het dubbele uit, maar daar wil ik van afzien. Aangezien ik inmiddels niet meer geloof dat deze erfenis, zo er al sprake is van een erfenis, gezien de historie ooit nog vrijvalt, vorder ik het voorgeschoten bedrag ad € 85.000,00 voor 5 april terug. Indien het bedrag dan nog niet op mijn rekening staat, neem ik verdere stappen. Ik hoor wel van je, als het kan per omgaand".

(v) De politierechter heeft [verweerder] vrijgesproken van oplichting. [eiseres] is in haar vordering als benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

3.2.1

[eiseres] vordert veroordeling van [verweerder] tot betaling van € 85.000,--. De rechtbank heeft geoordeeld dat tussen partijen de impliciete afspraak heeft bestaan dat [eiseres] aan [verweerder] geld zou geven dat bestemd was voor [betrokkene 1] en dat [verweerder] dit geld zou doorgeven aan [betrokkene 1]. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat [verweerder] niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast van zijn stelling dat hij de van [eiseres] ontvangen gelden inderdaad aan [betrokkene 1] heeft afgegeven, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [verweerder] dat laatste niet heeft gedaan, maar de gelden zelf heeft gehouden. De rechtbank heeft de vordering van [eiseres] tot een bedrag van € 61.340,-- toegewezen.

3.2.2

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van [eiseres] afgewezen. Daartoe heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen:

“6.13 De stellingen van partijen tot uitgangspunt nemende is het hof van oordeel dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht [is] ontstaan. Niet
in geschil is immers dat [eiseres] aan [verweerder] geldbedragen heeft gegeven die [verweerder] door zou leiden aan [betrokkene 1]. Indien zou komen vast te staan dat [verweerder] het geld zelf heeft gehouden – zoals door [eiseres] is aangevoerd en door [verweerder] is weersproken – is [verweerder] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst van opdracht. Wanprestatie kan onder bijzondere voorwaarden tevens een onrechtmatige daad opleveren. De bewijslast van de stelling dat [verweerder] het geld zelf heeft gehouden – waardoor hij volgens [eiseres] onrechtmatig heeft gehandeld – rust ingevolge artikel 150 Rv op [eiseres] nu zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan. In het hiernavolgende zal worden beoordeeld of bewijs van haar stelling [eiseres] zou baten.

6.14

Om te kunnen spreken van een onrechtmatige daad van [verweerder] jegens [eiseres], is onder meer vereist dat [eiseres] schade heeft geleden door de handelwijze van [verweerder]. Indien zou komen vast te staan dat [verweerder] het geld dat hij rechtmatig onder zich heeft verkregen, zelf heeft gehouden terwijl dat was bestemd voor [betrokkene 1] – wat daar ook van zij – is van schade voor [eiseres] evenwel niet meteen sprake. Het is dan immers in beginsel [betrokkene 1] die schade lijdt.
Dit geldt temeer nu [eiseres] zelf heeft aangegeven dat zij het geld ter beschikking heeft gesteld terwijl zij wist dat zij dit slechts onder de voorwaarde van verkoop van de grond en woning in Irak terug zou krijgen.

Dat [eiseres] haar geld uiteindelijk niet heeft teruggekregen ten gevolge van het niet doorgeven van het geld aan [betrokkene 1], terwijl zij zonder deze gedraging haar geld wel zou hebben ontvangen – derhalve dat er een causaal verband bestaat tussen het niet doorgeven door [verweerder] van de geldbedragen aan [betrokkene 1] en het niet terugbetalen van deze bedragen door [betrokkene 1] of [verweerder] aan [eiseres] – is gesteld noch gebleken.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van een onrechtmatige daad van [verweerder] jegens [eiseres] onvoldoende is gebleken, nu de gestelde feiten die conclusie niet kunnen dragen. Voor bewijslevering van de stelling dat [verweerder] (een deel van) het geld niet heeft afgedragen aan [betrokkene 1] bestaat dan ook onvoldoende grond.

6.15

Voor zover [eiseres] tevens een beroep heeft willen doen op een toerekenbare tekortkoming van [verweerder] in de nakoming van zijn verbintenis uit de overeenkomst van opdracht of een rekening en verantwoordingsplicht, dient dit beroep om dezelfde reden te stranden. Ook dan heeft [eiseres] geen schade geleden door het niet doorgeven van de bedragen.”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 6.14 van zijn arrest, dat [eiseres] geen schade heeft geleden, onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
Het onderdeel betoogt dat het hier gaat om het geval dat iemand die uitgaven heeft gedaan ter verkrijging van een op zichzelf niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel, dit voordeel heeft moeten missen. De door [eiseres] geleden schade moet daarom hetzij worden begroot op de uitgaven die hun doel gemist hebben, hetzij op het bedrag van de door [verweerder] genoten winst in de zin van art. 6:104 BW, aldus het onderdeel.

3.3.2

Het onderdeel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, omdat [eiseres] in de feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat haar schade bestaat in het gemis van niet op geld waardeerbaar onstoffelijk voordeel en deze stelling, die mede een beoordeling van feitelijke aard vergt, niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd.

3.4.1

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof dat gesteld noch gebleken is dat er een causaal verband bestaat tussen het niet doorgeven door [verweerder] van de geldbedragen aan [betrokkene 1] en het niet terugbetalen van deze bedragen door [betrokkene 1] of [verweerder] aan [eiseres]. Het onderdeel klaagt in dat verband onder meer dat onjuist dan wel onbegrijpelijk is het oordeel van het hof (a) dat van schade voor [eiseres] niet meteen sprake is indien [verweerder] de voor [betrokkene 1] bestemde gelden zelf gehouden heeft; (b) dat het dan immers in beginsel [betrokkene 1] is die schade lijdt; en (c) dat dit temeer geldt omdat [eiseres] zelf gesteld heeft dat zij wist dat zij de gelden slechts onder de voorwaarde van verkoop van de grond en woning in Irak zou terugkrijgen.

3.4.2

Dit geval wordt erdoor gekenmerkt dat, naar in cassatie veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, een opdrachtnemer de van de opdrachtgever ter doorbetaling aan een derde ontvangen geldbedragen voor zichzelf heeft behouden. In een zodanig geval is de opdrachtnemer in
de uitvoering van zijn opdracht tekortgeschoten.
De opdrachtgever lijdt dan schade ten belope van die geldbedragen, ongeacht de bestemming die de opdrachtgever uiteindelijk aan de geldbedragen had toegedacht.
De opdrachtnemer kan zich dus in dit geval niet met succes erop beroepen dat causaal verband ontbreekt tussen zijn handelen en de schade op de grond dat de opdrachtgever de geldbedragen ook niet zou hebben teruggekregen bij correcte uitvoering van de opdracht. Nu het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, slaagt het onderdeel.

3.5.1

Onderdeel 3 klaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat ingevolge art. 150 Rv op [eiseres] de bewijslast rust van haar stelling dat [verweerder] het geld zelf heeft gehouden.

3.5.2

Op grond van art. 7:403 lid 2 BW doet de opdrachtnemer aan de opdrachtgever verantwoording van de wijze waarop hij zich van de opdracht heeft gekweten en rekening van de bij de uitvoering van de opdracht ten laste van de opdrachtgever uitgegeven gelden of ten behoeve van de opdrachtgever ontvangen gelden. Deze regel brengt met zich dat, indien een opdrachtgever aan een opdrachtnemer gelden verschaft en de opdrachtnemer zich jegens de opdrachtgever erop beroept dat hij over die gelden heeft beschikt overeenkomstig het doel waarvoor ze aan hem zijn verschaft, de opdrachtnemer de daartoe door hem gestelde feiten dient te bewijzen. Nu het hof van een andere rechtsopvatting is uitgegaan, slaagt de klacht.

3.6

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 april 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 961,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.J. Kroeze, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 september 2018.