Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1769

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/03921
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:655
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2324, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg door tijdens amateurvoetbalwedstrijd sliding van achteren te maken ten gevolge waarvan tegenspeler gebroken kuitbeen en scheenbeen oploopt, art. 300.2 Sr. 1. Voorwaardelijk opzet in sport- of spelsituatie. 2. Kwalificatie als “mishandeling” in sport- of spelsituatie.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB7087 inhoudende dat omstandigheid dat gedraging is verricht in sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor is bij beoordeling van opzet. Hof heeft vastgesteld dat verdachte tijdens een voetbalwedstrijd een actie - in de bewezenverklaring aangeduid als "een sliding" - heeft uitgevoerd die hij heeft ingezet toen hij zich schuin achter en in de onmiddellijke nabijheid van tegenspeler bevond, terwijl hij ruimte noch gelegenheid had te glijden waardoor hij "daarbij zowel de bal als de man speelde". Gelet hierop geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte met deze actie bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat tegenspeler door de actie van verdachte geraakt zou worden, ten val zou komen en dat daardoor pijn of letsel aan deze tegenspeler zou worden toegebracht, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Dat verdachte niet de bedoeling - in de zin van motief - had om tegenspeler letsel toe te brengen, staat aan bewezenverklaring van opzet/mishandeling niet in de weg.

Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2008:BB7087 en ECLI:NL:HR:1996:ZD0218 m.b.t. gevallen waarin omstandigheid dat gedraging is verricht in sport- of spelsituatie van belang kan zijn voor vraag of bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. ’s Hofs oordeel dat gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" brengt met zich dat Hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige sportsituatie van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake is. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat Hof heeft geoordeeld dat "tijdens het handelen van de verdachte er wel sprake was van een sportsituatie, maar dat dit handelen niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten" en dat de verdachte met zijn actie gevaarlijk spel speelde, "hetgeen bovendien een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal opleverde".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1830
RvdW 2018/1047
TPWS 2018/97
NBSTRAF 2018/319 met annotatie van mr. S.R. Bakker, mr. J.P. Cnossen
SR-Updates.nl 2018-0348
TvS&R 2018, afl. 4, p. 96
NJ 2019/453 met annotatie van Redactie, H.D. Wolswijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 september 2018

Strafkamer

nr. S 17/03921

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 juli 2017, nummer 22/001866-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Bewezenverklaring, bewijsvoering en kwalificatie

2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 30 november 2014 te Schoonhoven [betrokkene 1] heeft mishandeld door tegen het linkerbeen een sliding te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een dubbele beenbreuk van het linkerbeen (kuitbeen en scheenbeen) en een scheurtje in het linker enkelgewricht ten gevolge heeft gehad."

2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 3 december 2014 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2014309022-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 7 t/m 13):

als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :

Op 30 november 2014 was ik op het voetbalveld van [A] te Schoonhoven. Ik voetbal bij [A] . De wedstrijd was tegen het voetbalteam [B] .

Ik kreeg de bal, de bal wilde ik wegspelen en voor ik het wist voelde ik een trap. De trap kwam tegen mijn linker been aan.

Ik viel op de grond en wist gelijk dat mijn been gebroken was. Ik had erg veel pijn. Ik ben via de spelerslijst er achter gekomen dat de man die mij getrapt heeft [verdachte] is.

Mijn verwondingen zijn: een dubbele beenbreuk van mijn linker been. Mijn kuitbeen en mijn scheenbeen zijn gebroken en er zit een scheurtje in mijn linker enkelgewricht.

2. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring d.d. 17 maart 2015, opgemaakt en ondertekend door de arts D.H. de Lange. Deze geneeskundige verklaring houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 15):

als relaas van deze arts:

Medische informatie betreffende:

Achternaam : [betrokkene 1]

Voornamen : [voornaam betrokkene 1]

Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 01/12/2014. De patiënt werd geopereerd gezien zijn breuk in het onderbeen. Door verhoogd drukken in het onderbeen werd 1 dag na de initiële operatie een heroperatie uitgevoerd. Geschatte genezingsduur: 6-12 maanden

3. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2017 verklaard - zakelijk weergegeven -:

Op 30 november 2014 vond in Schoonhoven een voetbalwedstrijd plaats tussen [A] en [B] . Ik speelde tijdens deze wedstrijd in het team van [B] en [betrokkene 1] speelde in het team van [A] . In de tweede helft renden [betrokkene 1] en ik beiden achter de bal aan. Het was mijn bedoeling balbezit te krijgen. [betrokkene 1] rende voor mij, ik was schuin achter hem. Ik heb toen een sliding gemaakt met mijn rechterbeen om te bal te veroveren. Ik speelde daarbij zowel de bal als de man. Ik heb tijdens deze actie [betrokkene 1] geraakt en [betrokkene 1] is daarbij ten val gekomen.

Op het moment dat ik de sliding inzette was er al lichamelijk contact tussen [betrokkene 1] en mij, waarbij ik hem een klein zetje gaf. Ik heb de sliding van dichtbij ingezet omdat het veld zo slecht was dat ik niet naar [betrokkene 1] toe kon glijden.

4. De eigen waarneming van het hof.

Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 10 juli 2017 waargenomen - zakelijk weergegeven -:

De verdachte doet voor hoe hij de sliding bij [betrokkene 1] gemaakt heeft, waarbij zijn raadsman zich voordoet als [betrokkene 1] (de tegenspeler). Het hof neemt waar dat de verdachte zich op het moment dat hij de sliding inzet op korte afstand schuin achter zijn tegenspeler, aan diens linkerzijde bevindt. Bij het inzetten van de sliding geeft de verdachte zijn tegenspeler een kleine schouderduw, waarna de verdachte een beweging met zijn rechterbeen/rechtervoet in de richting van de benen van zijn tegenspeler maakt en daarbij het linkerbeen van [betrokkene 1] raakt.

5. Een geschrift, zijnde de bijlage Aanvullende instructies veldvoetbal juli 2015 bij de Spelregels veldvoetbal 2016-2017 van de KNVB. Het houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 33):

Bij het maken van een sliding tackle loopt de speler altijd bewust het risico dat hij de bal niet speelt of raakt en dus te laat komt en daardoor zijn tegenstander ten val brengt. Bedenk ook dat voor een sliding tackle ruimte nodig is, namelijk ruimte om de glijdende beweging over de grond te kunnen uitvoeren. Als de sliding tackle van te dichtbij wordt ingezet, valt de aangevallen speler vrijwel zeker over het (uitgestoken) been van zijn tegenstander.

Vooral de sliding tackle die van achter of opzij op een tegenstander wordt ingezet, terwijl deze de bal aan de voet heeft, moet door de scheidsrechter nauwkeurig in het oog worden gehouden. Het is namelijk de bedoeling dat met een sliding tackle uitsluitend de bal wordt gespeeld. Als de tegenstander wordt geraakt, dan is dat altijd een overtreding, maar ook nog een gevaarlijke actie.

In feite is een groot deel van de zogenaamde sliding tackles strafbaar. Het aantal blessures ten gevolge van de acties die sliding tackles worden genoemd is groot."

2.3.

Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:

"Nadere bewijsoverweging

Het als bewijsmiddel 5 opgenomen geschrift heeft betrekking op de periode die ligt na de pleegdatum van het bewezenverklaarde feit. Nu de in dit geschrift opgenomen instructies van algemene aard zijn gaat het hof er zonder meer vanuit dat dergelijke instructies ook golden ten tijde van het bewezenverklaarde feit."

2.4.

Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" en heeft ten aanzien van een gevoerd verweer het volgende overwogen:

"Verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig zijn overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij primair naar voren gebracht dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van letsel. Daarnaast heeft hij naar voren gebracht dat de verdachte, gelet op zijn handelen, geen opzet in voorwaardelijke zin heeft gehad om letsel toe te brengen, ook omdat er geen sprake was van een aanmerkelijke kans op het letsel. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte - ingeval het hof van oordeel is dat er wel sprake was van een aanmerkelijke kans op letsel - die kans niet heeft aanvaard. Tot slot heeft de raadsman zijn in eerste aanleg gevoerde verweer ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde gehandhaafd, inhoudende dat niet blijkt dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld omdat de handeling is ingezet in een actief spelmoment en de sliding gericht was op het afpakken van de bal.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Feiten

Op basis van de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

Op 30 november 2014 vond in Schoonhoven een voetbalwedstrijd plaats tussen [A] en [B] . Aangever [betrokkene 1] speelde in het team van [A] en de verdachte speelde in het team van [B] . Op enig moment in de tweede helft sprintten [betrokkene 1] en de verdachte beiden achter de bal aan. Tijdens deze sprint bevond de verdachte zich (schuin) achter [betrokkene 1] . De verdachte maakte vervolgens - terwijl hij vlak bij [betrokkene 1] rende - een beweging met zijn rechterbeen/rechtervoet in de richting van de benen van [betrokkene 1] . Daarbij heeft hij het onderbeen van [betrokkene 1] geraakt.

[betrokkene 1] is ten gevolge van deze actie van de verdachte ten val gekomen en heeft een dubbele beenbreuk links (gebroken kuitbeen en een gebroken scheenbeen) en een scheurtje in zijn enkelgewricht opgelopen.

De actie van de verdachte zoals hiervoor omschreven hield verband met de spelsituatie, nu op basis van de door verschillende getuigen afgelegde verklaringen vastgesteld kan worden dat de bal op het moment van de actie in elk geval in de buurt van [betrokkene 1] was. Niet is vast te stellen waar de bal zich op dat moment precies bevond en ook niet op welke plek de verdachte het been van [betrokkene 1] precies heeft geraakt. De (vele) getuigenverklaringen verschillen op deze punten te zeer.

Opzet

De verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling is geweest om de aangever letsel toe te brengen. Ook uit de overige bewijsmiddelen is van bloot opzet naar het oordeel van het hof niet gebleken.

Voorwaardelijk opzet

Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de naar ervaringsregels aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Het hof neemt daarbij in overweging dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor is bij de beoordeling van het ten laste gelegde opzet, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen plaats te vinden, dan wanneer het gaat om een gedraging die buiten zo'n situatie is verricht.

Verdachte heeft op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat en voorgedaan hoe hij op de man en de bal speelde, en dat hij om balbezit te krijgen al rennend een sliding van dichtbij maakte. Het handelen van de verdachte is dan ook aan te merken als een 'sliding tackle'. Hoewel dit een gevaarlijke actie is, kan niet gesteld worden dat de kans op zwaar lichamelijk letsel in zo'n situatie naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is. Reeds daarom kan geen sprake zijn van voorwaardelijk opzet op het primair ten laste gelegde. Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van het hof was de kans dat [betrokkene 1] door de actie van de verdachte geraakt zou worden, ten val zou komen en dat daardoor pijn of letsel aan [betrokkene 1] toegebracht zou worden wèl aanmerkelijk. Bij het maken van een sliding tackle neemt de speler bewust het risico dat hij zijn tegenstander raakt en/of ten val brengt. Voorts is voor een sliding tackle altijd ruimte nodig; als een sliding tackle van te dichtbij wordt ingezet valt de aangevallen speler vrijwel zeker over het (uitgestoken) been van zijn tegenstander. Het is een feit van algemene bekendheid dat het aantal blessures ten gevolge van acties die sliding tackles worden genoemd groot is.

Het hof gaat ervan uit dat het - gelijk de verdachte heeft verklaard - de bedoeling van de verdachte was balbezit te krijgen. Door dit op voornoemde wijze te doen, heeft hij zich niet alleen willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever pijn of letsel zou oplopen ten gevolge van de sliding tackle, maar heeft hij die kans ten tijde van de gedraging bewust aanvaard (op de koop toe genomen).

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte het voorwaardelijk opzet had de ander te mishandelen. Als gevolg van zijn actie heeft de ander zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Het subsidiair tenlastegelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof merkt ambtshalve op dat de omstandigheid dat de gedraging van de verdachte is verricht in een sportsituatie, namelijk tijdens een voetbalwedstrijd, wel van belang zou kunnen zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling. De deelnemers aan een sport als voetbal hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid.

Het hof stelt vast dat tijdens het handelen van de verdachte wel sprake was van een sportsituatie, maar dat dit niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten. Hij speelde gevaarlijk spel, hetgeen bovendien een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal opleverde.

Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde."

3 Beoordeling van het derde middel

3.1.

Het middel klaagt over de motivering van het bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet.

3.2.

Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie, geen zelfstandige factor is bij de beoordeling van het tenlastegelegde opzet, in die zin dat die omstandigheid tot een beoordeling aan de hand van andere maatstaven zou dienen te leiden dan indien het gaat om een gedraging die buiten zo'n situatie is verricht. (Vgl. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7087, NJ 2008/375.) Dit uitgangspunt heeft het Hof niet miskend en het middel klaagt hier terecht niet over.

3.3.

Het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte tijdens een voetbalwedstrijd een actie - in de bewezenverklaring aangeduid als "een sliding" - heeft uitgevoerd die hij heeft ingezet toen hij zich schuin achter en in de onmiddellijke nabijheid van tegenspeler [betrokkene 1] bevond, terwijl hij ruimte noch gelegenheid had te glijden waardoor hij "daarbij zowel de bal als de man speelde". Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de verdachte met deze actie bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat [betrokkene 1] door de actie van de verdachte geraakt zou worden, ten val zou komen en dat daardoor pijn of letsel aan [betrokkene 1] zou worden toegebracht, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte niet de bedoeling
- in de zin van motief - had om [betrokkene 1] letsel toe te brengen, staat aan de bewezenverklaring van opzet/mishandeling niet in de weg.

3.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

4 Beoordeling van het vierde middel

4.1.

Het middel behelst de klacht dat het Hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als "mishandeling". Daartoe is aangevoerd dat de verdachte met zijn actie, die erop gericht was de bal te veroveren, is gebleven binnen de grenzen van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten.

4.2.

Vooropgesteld zij dat de omstandigheid dat een gedraging is verricht in een sport- of spelsituatie van belang kan zijn voor de vraag of het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als mishandeling (vgl. HR 10 september 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0218, DD97.004). De deelnemers aan een sport, zoals voetbal, hebben immers tot op zekere hoogte gevaarlijke gedragingen waartoe het spel uitlokt over en weer van elkaar te verwachten, terwijl bij een door duidelijke spelregels afgebakende sport die spelregels mede van belang zijn voor het bepalen van de grenzen van de wederrechtelijkheid. Dat geldt echter niet voor gedragingen die losstaan van een spelsituatie waarbij een speler een andere speler letsel toebrengt, terwijl bij gedragingen die in een spelsituatie plaatsvinden, een speler de spelregels op dusdanige wijze kan schenden en zo gevaarlijk kan handelen dat van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake kan zijn. (Vgl. HR 22 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7087, NJ 2008/375.)

4.3.

Het oordeel van het Hof dat de gedragingen kunnen worden gekwalificeerd als "mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft" brengt met zich dat het Hof heeft geoordeeld dat in de onderhavige sportsituatie van het ontbreken van wederrechtelijkheid geen sprake is. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld dat "tijdens het handelen van de verdachte er wel sprake was van een sportsituatie, maar dat dit handelen niet binnen de grenzen is gebleven van hetgeen spelers van elkaar hebben te verwachten" en dat de verdachte met zijn onder 3.3 omschreven actie gevaarlijk spel speelde, "hetgeen bovendien een ernstige overtreding van de spelregels van het voetbal opleverde".

4.4.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.