Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1765

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
17/00140
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:650
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Verduistering gehuurde steigermaterialen, art. 321 Sr. Bewijsklacht “zich wederrechtelijk toe-eigenen”. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2015:57 m.b.t. begrip zich wederrechtelijk toe-eigenen. Mede in aanmerking genomen de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte dat de goederen werden gestolen zodat hij deze kwijt was, kan uit de bewijsvoering niet z.m. volgen dat hij zich de goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/1077
SR-Updates.nl 2018-0349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

25 september 2018

Strafkamer

nr. S 17/00140

KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 30 december 2016, nummer 23/000603-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel bevat onder meer de klacht dat de bewezenverklaarde wederrechtelijke toe-eigening niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan volgen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 augustus 2012 tot en met 8 augustus 2012 in Nederland opzettelijk diverse steigermaterialen, toebehorende aan [A], welke goederen verdachte als huurder, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende door het Hof van de Rechtbank overgenomen bewijsmiddelen:

"I. Een proces-verbaal (dossierparagraaf 4 e.v.) van aangifte. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 8 augustus 2013 door aangever [betrokkene 1] namens de benadeelde [A] B.V., [a-straat 1] te Wormerveer, ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] afgelegde verklaring:

Mijn bedrijf, [A] B.V., heeft op 19 juni 2012 een contract gesloten met [verdachte] voor de huur van steigermateriaal voor de duur van 6 weken, ingaande op 19 juni 2012. Op 19 juni 2012 heeft de overdracht van het gehuurde materiaal plaatsgevonden aan [verdachte]. Het afgesproken huurbedrag van de goederen was € 3099,64, waarvan door verdachte € 1550,- euro contant werd voldaan bij de levering van de goederen. De rest van het verhuurbedrag, dat zou worden betaald voor 5 juni 2012, is niet aan [A] B.V. voldaan. Tevens zijn de verhuurde goederen, met een waarde van ongeveer € 8000,- exclusief btw, ondanks herhaaldelijke telefonische en schriftelijke verzoeken niet retour gebracht.

II. Een huuroverkomst (dossierparagraaf 7 e.v.). Deze huurovereenkomst houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in: de op 19 juni 2012 gesloten overeenkomst tussen [A] B.V. en [verdachte] voor de huur van drijvende steigers in de periode van 19 juni 2012 tot 1 augustus 2012.

III. Een proces-verbaal (dossierparagraaf 14 e.v.) van verhoor. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 24 december 2012 door getuige [betrokkene 2] ten overstaan van verbalisant, [verbalisant 2], afgelegde verklaring:

Als werknemer van [A] B.V. heb ik op 27 april 2012 een offerte uitgebracht aan [verdachte], welke mij een aantal dagen daarvoor telefonisch had benaderd voor de huur van opvaarsteigers en pontons. Op 19 juni 2012 zijn de goederen opgehaald door [verdachte] en is er een betaling van € 1550,- gedaan. De afspraak dat het overige huurbedrag voor 5 juni 2012 zou worden betaald, is niet nagekomen. De goederen zijn ook na het verstrijken van de huurtermijn op 1 augustus 2012 tot op heden niet teruggebracht, ondanks herhaaldelijke telefonische en schriftelijke verzoeken.

IV. Een proces-verbaal (dossierparagraaf 18 e.v.) van verhoor. Dit proces-verbaal houdt - zakelijk weergegeven - onder meer in als de op 25 oktober 2012 door verdachte ten overstaan van verbalisant, [verbalisant 3], afgelegde verklaring:

Ik heb de goederen gehuurd voor een vriend van mij, waarvan ik de naam niet wil geven. Nadat ik de goederen op 19 juni 2012 had gehuurd, zijn deze in de nacht van 19 op 20 juni 2012 gestolen. De goederen bevonden zich op dat moment op een aanhangwagen op de Groeneweg in Bunnik. Hiervan heb ik geen aangifte gedaan. Omdat ik de spullen kwijt ben heb ik de rest van het verschuldigde bedrag niet betaald aan de verhuurder [A] B.V."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts onder meer het volgende overwogen:

"De verdachte heeft op 19 juni 2012 een huurovereenkomst gesloten met [A] B.V. De verdachte en [A] B.V. zijn overeengekomen dat de verdachte voor de duur van 6 weken, ingaande op 19 juni 2012, diverse steigermaterialen huurt. Na afloop van deze huurperiode heeft de verdachte de gehuurde goederen niet geretourneerd.

Het hof stelt allereerst vast dat de verdachte van de door hem genoemde diefstal geen aangifte heeft gedaan, terwijl dat wel in de rede had gelegen. De verdachte heeft op geen enkel moment duidelijk gemaakt waarom hij dat heeft nagelaten.

Het hof overweegt verder dat gesteld noch gebleken is dat er voor de verdachte in de periode na het aflopen van de huurovereenkomst enig serieus te nemen beletsel bestond om contact op te nemen met [A] B.V. en zodoende de door de verdachte gestelde diefstal van de gehuurde steigermaterialen te melden. Daarnaast heeft [A] B.V. diverse keren telefonisch getracht om het steigermateriaal terug te krijgen, waarop de verdachte voor [A] B.V. onbereikbaar was. Voorts heeft de verdachte de ontstane schade waarvoor hij, conform het door hem ondertekende contract, verantwoordelijk is, niet vergoed en ook niet aangeboden deze te vergoeden.

Het hof constateert dat de verdachte aldus vanaf 1 augustus 2012 in gebreke is gebleven ten opzichte van de verhuurder, zonder dat hiervoor een valide excuus door hem is aangevoerd of anderszins is gebleken. Uit het vorenstaande leidt het hof af dat het, in elk geval vanaf het moment dat zijn huurcontract afliep tot aan zijn aanhouding, de verdachte de steigermaterialen niet aan de rechtmatige eigenaar wilde retourneren, noch de schade te vergoeden die ten gevolge van de door de verdachte gestelde diefstal was ontstaan. Daarmee is het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening gegeven.

Gelet op het voorgaande en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang beschouwd acht het hof de tenlastegelegde verduistering wettig en overtuigend bewezen."

2.3.

In de tenlastelegging en bewezenverklaring is het begrip 'zich wederrechtelijk toe-eigenen' kennelijk gebezigd in de betekenis die daaraan in art. 321 Sr toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. onder meer HR 13 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:57).

2.4.

Uit de hiervoor weergegeven bewijsvoering kan - mede in aanmerking genomen de door het Hof tot het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte, inhoudende dat de in de bewezenverklaring bedoelde goederen werden gestolen, zodat hij deze goederen kwijt was - niet zonder meer volgen dat de verdachte zich deze goederen wederrechtelijk heeft toegeëigend in de hiervoor bedoelde zin. De bewezenverklaring is derhalve niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

2.5.

Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-presidentW.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 september 2018.