Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1695

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
17/02947
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1940, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

BPM; art. 10, lid 1, Wet BPM; vermindering van bpm wegens gebruikte staat van een motorrijtuig; aankoop van een nieuw motorrijtuig in het buitenland; beoordeling of een motorrijtuig in gebruik is geweest geschiedt op het tijdstip waarop dit wordt geregistreerd in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-09-2018
V-N Vandaag 2018/1962
FutD 2018-2484 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/49.13 met annotatie van Redactie
NLF 2018/2085 met annotatie van Heleen Elbert
NTFR 2018/2258 met annotatie van Rolleman
FED 2018/168 met annotatie van G.C.D. Grauss
BNB 2019/1 met annotatie van B.A. van Brummelen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

21 september 2018

nr. 17/02947

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 mei 2017, nr. 17/00003, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/6544) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, schriftelijk gereageerd op de conclusie van de Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman van 28 mei 2018 in de zaak met nummer 17/04506 (ECLI:NL:PHR:2018:616).

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende, gevestigd in Nederland, heeft bij een dealer in Duitsland een nieuwe personenauto gekocht. Toen de auto op 21 januari 2016 in Duitsland aan belanghebbende werd afgeleverd, stond de kilometerteller op circa 30. De auto is op diezelfde dag voor het eerst toegelaten tot de openbare weg in Duitsland. Daartoe is aan belanghebbende in Duitsland een zogenoemd exportkenteken afgegeven. Met de auto is ongeveer 3000 kilometer in Duitsland gereden.

2.1.2.

Daarna heeft belanghebbende op 1 februari 2016 op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan met het oog op de registratie van de hiervoor in 2.1.1 bedoelde auto in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens (hierna: het kentekenregister). Ten tijde van de registratie in het kentekenregister stond de kilometerteller op 3195.

2.1.3.

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto voor de heffing van bpm als een gebruikte personenauto moet worden aangemerkt. Zij heeft daarom het bedrag dat zij op aangifte heeft voldaan, berekend door de in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) bedoelde vermindering toe te passen op het bij de auto behorende bedrag aan bpm, bedoeld in artikel 9, lid 1, van de Wet.

2.1.4.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de auto als nieuwe personenauto moet worden beschouwd en dat belanghebbende de hiervoor in 2.1.3 bedoelde vermindering niet in aanmerking mag nemen. Op die grond heeft hij de naheffingsaanslag opgelegd.

2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de auto voor de heffing van bpm moet worden aangemerkt als een nieuwe personenauto aangezien de auto als nieuw aan belanghebbende is afgeleverd en zij het zelf in de hand had wanneer zij na aankoop de auto in Nederland zou doen registreren.

2.3.1.

De eerste klacht is gericht tegen het hiervoor in 2.2 weergegeven oordeel van het Hof. De klacht voert aan dat voor de heffing van bpm niet de (af)levering van een personenauto het belastbare feit vormt, maar de registratie ervan in het kentekenregister. Daarom moet de beoordeling of een te registreren personenauto is aan te merken als nieuw dan wel als gebruikt, plaatsvinden naar de staat waarin die auto zich bevindt op het tijdstip waarop die personenauto in het kentekenregister wordt geregistreerd, aldus de klacht.

2.3.2.

Op grond van artikel 1, lid 2, van de Wet is ter zake van de registratie van een personenauto, motorrijwiel of bestelauto in het kentekenregister bpm verschuldigd. Indien een dergelijk motorrijtuig niet is geregistreerd in het kentekenregister maar feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, wordt op grond van artikel 1, lid 6, van de Wet bpm verschuldigd ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de weg). In beide situaties dient bpm op grond van artikel 6 van de Wet op aangifte te worden voldaan, waarbij betaling van de verschuldigde bpm dient te geschieden voordat het desbetreffende motorrijtuig in het kentekenregister op naam is gesteld respectievelijk voordat het gebruik van de weg daarmee aanvangt.

Voor gebruikte personenauto’s, gebruikte motorrijwielen of gebruikte bestelauto’s wordt op de voet van artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet een vermindering toegepast op de bpm die behoort bij dat motorrijtuig in nieuwe staat zoals bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, van de Wet.

2.3.3.

Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat voor het antwoord op de vraag of de in artikel 10, lid 1, van de Wet bedoelde vermindering kan worden toegepast, beslissend is in welke staat (nieuw of gebruikt) een personenauto, motorrijwiel of bestelauto verkeert op het tijdstip waarop het belastbare feit voor de bpm plaatsvindt. Dat is het tijdstip van de registratie van dat motorrijtuig in het kentekenregister. Indien dat motorrijtuig niet is geregistreerd in het kentekenregister en daarmee in Nederland gebruik is gemaakt van de weg door een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam aan wie dat motorrijtuig feitelijk ter beschikking staat, is het tijdstip van het belastbare feit de aanvang van dat gebruik.

2.3.4.

Onder een nieuw motorrijtuig moet worden verstaan een motorrijtuig dat na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 16/02949, ECLI:NL:HR:2017:78, BNB 2017/68, rechtsoverweging 2.3.2 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien in geschil is of het desbetreffende motorrijtuig ten tijde van het belastbare feit in gebruikte staat verkeert, rusten de stelplicht en de bewijslast ter zake op de belanghebbende die zich op de vermindering van bpm beroept.

2.3.5.

Deze maatstaf voor de staat van een motorrijtuig, te beoordelen naar de toestand op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt, heeft ook te gelden in een geval als het onderhavige, waarin een nieuwe auto in het buitenland is afgeleverd aan een in Nederland gevestigde (rechts)persoon en die Nederlandse (rechts)persoon degene is die het motorrijtuig voor het eerst in gebruik neemt. Opmerking verdient nog dat uit het objectieve karakter van deze maatstaf voortvloeit dat de intentie waarmee dit een en ander heeft plaatsgevonden voor de beoordeling van de staat van het motorrijtuig niet ter zake doet.

2.3.6.

Het oordeel van het Hof getuigt van een hiervan afwijkende en dus onjuiste rechtsopvatting. De eerste klacht slaagt daarom.

2.4.1.

Dit brengt mee dat ‘s Hofs uitspraak niet in stand kan blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.

2.4.2.

Uit de hiervoor in 2.1.1 vermelde feiten en omstandigheden volgt dat met de auto op het tijdstip van de registratie ervan, een zodanig aantal kilometers in het buitenland was gereden dat deze niet als een nieuwe personenauto in de hiervoor in 2.3.4 bedoelde zin kan worden aangemerkt. Voor dat geval is tussen partijen niet in geschil dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

3 Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak van de Inspecteur, behoudens diens beslissing omtrent de kosten van rechtsbijstand voor het maken van bezwaar,

vernietigt de naheffingsaanslag,

gelast dat de Staatssecretaris van Financiën aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het beroep in cassatie betaalde griffierecht ten bedrage van € 501, en gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende vergoedt het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof ten bedrage van € 501 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank ten bedrage van € 334,

veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3382 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en

veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding voor het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1879 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1503 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2018.