Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1672

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
17/02713
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:514, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:462, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Contractenrecht. Samenhangende overeenkomsten. Invloed einde overeenkomst tussen afnemer en leverancier op voortbestaan overeenkomst tussen leverancier en producent. Exclusiviteitbeding, nawerking. Onrechtmatige daad doordat producent direct aan afnemer levert? Samenhang met 17/03120.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1707
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14 september 2018

Eerste Kamer

17/02713

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie, verweerster in het incidenteel cassatieberoep,

advocaat: mr. B.T.M. van der Wiel,

t e g e n

rechtspersoon naar Tsjechisch recht BAST S.R.O.,

gevestigd te Moravské Budějovice, Tsjechië,

VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het incidenteel cassatieberoep,

advocaten: mr. M. den Besten en mr. D. Rijpma.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en Bast.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/10/357326/HA ZA 10-1989 van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2012 en 24 december 2014;

b. het arrest in de zaak 200.167.104/01 van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. Bast heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De procesinleiding en het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiseres] mede door mr. R.R. Oudijk.

De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging en in het incidentele cassatieberoep tot verwerping.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [eiseres] produceert en handelt in metaalwaren, machines en constructies. Zij verkocht metalen straatmeubilair, met name de fietsenparkeerinstallatie ‘Tulip’ en/of ‘Twin Tulip’, aan VelopA B.V. (hierna: VelopA), die dit doorleverde aan de Nederlandse Spoorwegen en/of ProRail. Daartoe hadden [eiseres] en VelopA, laatstelijk in mei 2002, een raamovereenkomst gesloten (hierna: het Raamcontract NS).

(ii) Aanvankelijk produceerde [eiseres] het aan VelopA te leveren metalen straatmeubilair zelf. Wegens druk op de marges heeft [eiseres] deze producten sinds eind 1996 in Tsjechië laten vervaardigen, onder meer bij Bast.

(iii) [eiseres] en Bast hebben een op 29 april 1997 gedateerde overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst is – voor zover hier van belang – het volgende bepaald:

“(…)

This contract (…) contains the following statements and no-compete agreements:

1) The product is to be manufactured by Bast acc. specifications and drawings supplied by [eiseres] (…)

It shall be manufactured for [eiseres] only, not for third parties.

(…)”

(iv) [eiseres] en Bast hebben voorts een op 1 september 1999 gedateerde overeenkomst gesloten, waarin – voor zover hier van belang – het volgende is bepaald:

“Betreffs Produkten wie zubehörende Zeichnungen sollte Sie allein in Auftrag nehmen von [eiseres] und deshalb auch nicht direkt zu unserem Kunde geliefert werden.

(…)

Das Vertrag ist gültig auf unbestimmte Zeit (…)”.

(v) In 2004 hebben [eiseres] en VelopA onderhandeld over overname door VelopA van de activiteiten van [eiseres] met betrekking tot de productie van straatmeubilair, waaronder de aan Bast uitbestede activiteiten. Zij hebben daarover geen overeenstemming bereikt.

(vi) VelopA heeft zich in april 2005 tegenover [eiseres] op het standpunt gesteld dat zij geen afnameverplichting had op grond van het Raamcontract NS en gerechtigd was rechtstreeks bij Bast te bestellen. Dit standpunt heeft VelopA ook kenbaar gemaakt aan Bast. [eiseres] heeft Bast op 12 april 2005 erop gewezen dat tussen hen een overeenkomst geldt die niet toelaat dat Bast rechtstreeks aan VelopA levert.

(vii) De eerste rechtstreekse levering van Bast aan VelopA is door de vervoerder in mei 2005 bij vergissing afgeleverd bij [eiseres] in plaats van bij VelopA.

(viii) VelopA heeft geen straatmeubilair meer bij [eiseres] besteld, met als gevolg dat [eiseres] ook geen bestellingen meer had te plaatsen bij Bast. Andere opdrachtgevers dan VelopA had [eiseres] (met betrekking tot dit soort straatmeubilair) niet.

(ix) Bij brief van 5 juli 2005 heeft [eiseres] aan VelopA meegedeeld dat de situatie lijkt te zijn dat de samenwerking “na de aanstaande leveringen feitelijk beëindigd is”. Zij heeft aan VelopA gevraagd op welke wijze deze zeker kon stellen dat de in dat verband verschuldigde betalingen nog zouden plaatsvinden. Bij brief van 11 juli 2005 heeft VelopA [eiseres] meegedeeld dat samen is geconstateerd dat de relatie tussen hen is geëindigd.

(x) [eiseres] heeft tegenover zowel VelopA als Bast bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken en zich daarbij op haar contractuele rechten beroepen.

(xi) Tussen [eiseres] en VelopA zijn diverse procedures gevoerd over (onder meer) de beëindiging van de handelsrelatie. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 19 maart 2013 geoordeeld dat VelopA gehouden was bepaalde aantallen product uit hoofde van het Raamcontract NS tot het jaar 2008 van [eiseres] af te nemen en dat VelopA, door in 2005 de afname te staken, deze verplichting heeft geschonden en daarom jegens [eiseres] toerekenbaar is tekortgeschoten. Het verwierp daarbij de stelling van VelopA dat [eiseres] in de brief van 5 juli 2005 ermee heeft ingestemd dat VelopA het raamcontract had beëindigd.
De Hoge Raad heeft vandaag het tegen dat arrest gerichte cassatieberoep van VelopA verworpen (HR 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1418).

3.2.1

[eiseres] vordert in deze procedure – kort gezegd en voor zover in cassatie van belang – veroordeling van Bast tot vergoeding van schade en afdracht van winst. Zij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat Bast jegens haar wanprestatie heeft gepleegd onder de (hiervoor in 3.1 onder (iii) en (iv) genoemde) overeenkomsten van 29 april 1997 en 1 september 1999. Voorts heeft [eiseres] aangevoerd dat Bast onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door bewust te profiteren van de wanprestatie of onrechtmatige daad van VelopA jegens [eiseres] en door bewust ten nadele van [eiseres] rechtstreeks zaken te doen met VelopA.

3.2.2

De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat Bast wanprestatie heeft gepleegd door de directe leveringen aan VelopA in de periode april tot en met juni 2005, en heeft bij eindvonnis Bast veroordeeld de daaruit voor [eiseres] voortvloeiende schade te vergoeden. Het meer of anders gevorderde heeft de rechtbank afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd. Daaraan heeft het – verkort weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd.

Bast heeft terecht aangevoerd dat het Raamcontract NS en de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast nauw met elkaar samenhangen en dat de beëindiging van het contract tussen VelopA en [eiseres] tevens het einde meebrengt van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. (rov. 10)

Vast staat dat VelopA zich, naar aanleiding van de brief van [eiseres] van 5 juli 2005, op het standpunt heeft gesteld dat de jarenlange samenwerking tussen [eiseres] en VelopA is geëindigd. Verder staat vast dat VelopA (in elk geval) vanaf juli 2005 geen opdrachten tot levering van straatmeubilair meer aan [eiseres] heeft verstrekt en dat [eiseres] vanaf dat moment ook geen opdrachten tot levering meer heeft gegeven aan Bast. Dit leidt tot de gevolgtrekking dat de tussen [eiseres] en Bast gesloten overeenkomsten in juli 2005 tot een einde zijn gekomen. Het was immers voor alle partijen duidelijk dat [eiseres] vanaf juli 2005 geen opdrachten tot levering meer aan Bast zou verstrekken.

Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat hiermee ook de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt.
De exclusiviteitsbedingen beschermen [eiseres] gedurende de looptijd van de overeenkomsten tegen levering door Bast van het straatmeubilair aan derden (waaronder VelopA). Voor de stelling dat partijen in redelijkheid de bedoeling zouden hebben gehad om de exclusiviteitsbedingen ook na beëindiging van de overeenkomsten van kracht te laten zijn valt in de stukken onvoldoende steun te vinden. Ook (andere) omstandigheden op grond waarvan [eiseres] en Bast met de exclusiviteitsbedingen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten dat deze ook na beëindiging van de overeenkomst (voor onbeperkte duur) van kracht zouden blijven, zijn niet gesteld. Het stond Bast derhalve vrij om vanaf juli 2005 rechtstreeks aan VelopA te leveren. (rov. 11-12)

De omstandigheid dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 19 maart 2013 VelopA in het ongelijk heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest (waarbij Bast geen partij is) is gewezen ruim nadat de door het hof in die procedure vastgestelde afnameverplichting van VelopA jegens [eiseres] uit het Raamcontract NS was geëindigd. De vordering van [eiseres] strekte niet tot nakoming maar tot schadevergoeding en de uitspraak heeft niet geleid tot hervatting van de opdrachten van [eiseres] aan Bast. (rov. 13)

De rechtbank heeft (in hoger beroep onbestreden) geoordeeld dat Bast wanprestatie heeft gepleegd door in de periode april/mei 2005 in rechtstreekse opdracht van VelopA straatmeubilair aan haar te leveren. Ten aanzien van de vraag of Bast daarnaast onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld, neemt het hof het volgende in aanmerking.
Het initiatief tot rechtstreekse levering is van VelopA uitgegaan. Er zijn geen concrete aanwijzingen gebleken dat Bast op dit punt met VelopA zou hebben samengespannen dan wel dat zij zou hebben uitgelokt dat VelopA wanprestatie zou plegen jegens [eiseres]. De enkele omstandigheid dat Bast desgevraagd bereid is geweest tot rechtstreekse levering van het staatmeubilair aan VelopA is daartoe in elk geval onvoldoende. Voor zover [eiseres] heeft willen betogen dat de onrechtmatigheid haar grondslag vindt in het feit dat Bast haar eigen belang heeft laten prevaleren boven dat van [eiseres], gaat dit betoog niet op. De enkele omstandigheid dat Bast er voor heeft gekozen om desgevraagd rechtstreeks aan VelopA te leveren is in de gegeven omstandigheden (naast de reeds vastgestelde wanprestatie) niet onrechtmatig jegens [eiseres]. Voor zover [eiseres] Bast verwijt dat Bast de belangen van [eiseres] heeft verwaarloosd door niet van rechtstreekse levering aan VelopA af te zien, zijn geen omstandigheden aangevoerd of gebleken om aansprakelijkheid van Bast op deze grond aan te nemen. Het enkele feit dat Bast de mogelijkheid had en kon benutten om in het vervolg rechtstreeks (en niet meer via [eiseres]) aan VelopA te leveren, is onvoldoende om aansprakelijkheid aan te nemen. (rov. 22)

4 Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1

De onderdelen 1 en 2 zijn gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 10 en 12 (zie hiervoor in 3.2.3) dat de tussen Bast en [eiseres] gesloten overeenkomsten tot een einde zijn gekomen omdat de daarmee nauw samenhangende overeenkomst tussen VelopA en [eiseres] was geëindigd.

4.1.2

De onderdelen missen feitelijke grondslag voor zover zij betogen dat het hof heeft miskend dat een overeenkomst slechts eindigt indien die overeenkomst zelf, een rechtshandeling, de wet, de gewoonte en/of het ongeschreven recht dit meebrengt. Wat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast betreft, geldt dat het hof deze kennelijk aldus heeft uitgelegd, dat deze eindigden als een einde kwam aan de uitvoering van de overeenkomst tussen VelopA en [eiseres], gezien de samenhang tussen laatstgenoemde overeenkomst en de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. Wat de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA betreft, heeft het hof zich niet erover uitgesproken of deze rechtens is beëindigd, maar slechts geconstateerd dat aan de feitelijke uitvoering daarvan een einde was gekomen.

4.1.3

De onderdelen klagen evenwel terecht over de motivering van het oordeel van het hof dat door het niet langer uitvoeren van de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA een einde is gekomen aan de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast. De enkele verwijzing naar de samenhang tussen deze overeenkomsten is, zonder nadere motivering, onvoldoende om dat oordeel te kunnen dragen (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1627, NJ 2015/2 (Eneco/Ronde van Nederland) rov. 3.5.3). Het oordeel van het hof dat de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast tot een einde zijn gekomen kan daarom niet in stand blijven. Dat betekent dat ook het betoog van [eiseres] dat het exclusiviteitsbeding in de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast juist mede was gemaakt voor het geval de overeenkomst tussen [eiseres] en VelopA zou eindigen (onder meer memorie van grieven, nr. 10-18) opnieuw moet worden onderzocht.

4.2

Onderdeel 3 is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 12 dat door het einde van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast ook de exclusiviteitsbedingen zijn uitgewerkt. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.1.3 is overwogen, behoeft dit onderdeel geen behandeling.

4.3

Onderdeel 4 bestrijdt rov. 22, waarin het hof naar aanleiding van grief V van [eiseres] heeft geoordeeld dat Bast door rechtstreeks aan VelopA te leveren niet onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Blijkens de toelichting op de grief gaat het erom dat Bast volgens [eiseres] “onrechtmatig heeft gehandeld, voor zover het handelen en gedragen niet binnen de reikwijdte van de overeenkomsten ter beoordeling kan worden betrokken”. Omdat het oordeel van het hof over het einde van de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast niet in stand kan blijven (zie hiervoor in 4.1.3), en dus nog beslist moet worden over de reikwijdte van die overeenkomsten, en meer in het bijzonder die van het exclusiviteitsbeding, behoeft onderdeel 4 geen behandeling. Daarbij is nog van belang dat de klachten van het onderdeel mede zijn gebaseerd op de stellingen van [eiseres] over het belang en de werking van het exclusiviteitsbeding in de overeenkomsten tussen [eiseres] en Bast, die in de contractuele context dienen te worden onderzocht voordat hun relevantie in het kader van de onrechtmatigheidsvraag kan worden beoordeeld.

5 Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad:

in het principale beroep:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Den Haag van 7 maart 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt Bast in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 6.691,06 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bast deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

verwerpt het beroep;

veroordeelt Bast in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien Bast deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 14 september 2018.