Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:167

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
17/02950
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1462, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1555, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Art. 30i AWR. Revisierente i.v.m. afkoop lijfrente. Geen individuele buitensporige last in de zin van art. 1 EP EVRM, geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Art. 3.133 Wet IB 2001.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/298
NLF 2018/0366 met annotatie van Eddo Hageman
V-N 2018/10.12 met annotatie van Redactie
BNB 2018/79
Viditax (FutD), 09-02-2018
FutD 2018-0402 met annotatie van Fiscaal up to Date
mr. M.E. Kastelein annotatie in NTFR 2018/418
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 februari 2018

nr. 17/02950

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 26 april 2017, nr. BK‑16/00485, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 15/9263) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake revisierente en belastingrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 22 december 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2017:1462).

2 Beoordeling van de klachten

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In de jaren 2001 tot en met 2010 heeft belanghebbende telkens premies voor lijfrenteverzekeringen in aftrek gebracht. In het jaar 2012 heeft belanghebbende deze lijfrenten afgekocht.

2.1.2.

Bij de in dit geding bestreden aanslag heeft de Inspecteur de door belanghebbende ontvangen afkoopsommen in aanmerking genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen als bedoeld in artikel 3.133, lid 1 en lid 2, aanhef en letter d, Wet IB 2001.

2.2.

Voor zover voor de beoordeling in cassatie van belang was bij het Hof in geschil

- of het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat belanghebbende op dezelfde wijze moet worden behandeld als belastingplichtigen die aanspraken op lijfrenten afkopen met toepassing van artikel 3.133, lid 9, Wet IB 2001 (tekst vanaf 2015),

- of de omstandigheid dat de premie volksverzekeringen niet wordt geheven van degene die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een lijfrente geniet, meebrengt dat die premie ook bij het belasten van de afkoopsommen buiten beschouwing moet worden gelaten, en

- of het in rekening brengen van revisierente belanghebbende confronteert met een individuele en buitensporige last en daarom een ongeoorloofde inbreuk vormt op zijn door artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht.

2.3.

Het Hof heeft deze vragen ontkennend beantwoord. 2.4. De bezwaren die belanghebbende in cassatie tegen de desbetreffende beslissingen van het Hof aanvoert, falen op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal, samengevat in de onderdelen 6.10 tot en met 6.16 van die conclusie.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2018.