Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:165

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03553
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1513
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Witwassen en hawala-bankieren, art. 420bis.1.b Sr. 1. Uos dat niet kan worden bewezen dat aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist. 2. Hof heeft weigering van verdachte om een verklaring te geven over herkomst van geldbedrag gebruikt als rechtvaardiging dat het vermoeden van witwassen juist is. Schending nemo tenetur beginsel en art. 6.1 EVRM? HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/261
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/03553

SLU

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 11 juli 2016, nummer 21/006940-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben K. Canatan en M. Berndsen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.