Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:164

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02880
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1512
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:2108, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schuldheling grote hoeveelheid gereedschappen die ’s nachts, kort na de diefstal van die gereedschappen, zijn aangetroffen in verdachtes bestelbus, art. 417bis.1.b Sr. Bestanddeel “uit winstbejag” voldoende gemotiveerd? Hof heeft kennelijk uit de bewijsvoering afgeleid dat verdachte de partij gereedschappen “uit winstbejag” voorhanden heeft gehad. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering inhoudt omtrent de aard en omvang van de grote hoeveelheid kostbare gereedschappen, ten aanzien waarvan door of namens verdachte niet is aangevoerd dat hij deze met een ander doel voorhanden had. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0074
RvdW 2018/248
NJ 2018/233 met annotatie van Redactie, N. Rozemond
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/02880

CeH/KD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 18 mei 2016, nummer 23/002537-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R. van Leusden, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, voor zover dat aan het oordeel van de Hoge Raad is onderworpen, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2. Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit wat betreft het bestanddeel "uit winstbejag" als bedoeld in art. 417bis, eerste lid aanhef en onder b, Sr onvoldoende met redenen is omkleed.

2.2.1.

Overeenkomstig het onder 1 subsidiair tenlastegelegde is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"Hij op of omstreeks 25 februari te Spierdijk, gemeente Koggenland, uit winstbejag gereedschappen, te weten:

- een compressor en

- een rode haspel en

- een Multizaag (merk Fein) en (bijbehorende) gereedschapskoffer en

- een compressor en

- een schiethamer (merk Paslode, serienummer [001] ) en bijbehorende koffer en

- een (accu)nageltacker en

- een tas met daarin:

* een klopboormachine en

* een slijptol (merk Bosch) en

* een voegenbeitel en

* een cirkelzaag en

- een koffer (kleur grijs) bevattende een asfaltnageltacker en

- een koffer (kleur grijs) bevattende een decoupeerzaag en een boorhamer en

- een schiethamer en

- een accuboormachine en

- een accucirkelzaagmachine en

- meerdere boormachines,

voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof."

2.2.2.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015049171-1, van 25 februari 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , doorgenummerde paginaꞌs 9-10.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten (of één of meer van hen):

Op 25 februari 2015 te 4.10 uur reden wij over de Nood-Spierdijkerweg te Spierdijk. Wij zagen dat een witte Peugeot Partner ons in tegengestelde richting kruiste. Via het politiesysteem zagen wij dat de [betreffende] bestelauto, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] , op naam stond van [verdachte] .

Wij konden de bestelauto staandehouden op 25 februari 2015 te 04.13 uur ter hoogte van Noord-Spierdijkerweg 215. Wij zagen dat [verdachte] onmiddellijk uitstapte.

In het hierboven genoemde voertuig zat nog een tweede persoon. Ik zag dat hij mij zijn identiteitskaart overhandigde. Ik zag dat het ging om [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1995.

Wij vroegen aan [verdachte] of wij in zijn bestelauto mochten kijken. Wij hebben de beide achterdeuren geopend. Wij zagen dat er diverse gereedschappen achterin lagen.

Ik, verbalisant [verbalisant 2] , heb zoveel mogelijk gereedschappen op de foto vastgelegd, met indien mogelijk serienummers van de gereedschappen.

2. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015058870-16, van 1 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde paginaꞌs 6-8.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 25 februari 2015 te 04.10 uur zagen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een witte Peugeot Partner, voorzien van het kenteken [AA-00-BB] rijden over de Noord-Spierdijkerweg in Spierdijk. Het voertuig is staande gehouden en de bestuurder was [verdachte] en naast hem zat [betrokkene 1] .

3. De verklaring van de verdachte, op 4 mei 2016 afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voor zover inhoudende:

Toen ik werd staandegehouden wist ik dat de gereedschappen achterin mijn bus lagen.

4. Een geschrift, te weten een niet ondertekend proces-verbaal aangifte, met nummer PL1100-2015051246-1, van 27 februari 2015, opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] , doorgenummerde paginaꞌs 30-31.

Dit (niet ondertekende) proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Feit: diefstal uit/vanaf personenauto

Plaats delict: [a-straat 1] te Ursum, binnen de gemeente Koggenland.

Van dit strafbare feit is via internet aangifte gedaan bij de politie. Op 27 februari 2015 is door mij de middels internet gedane aangifte verwerkt tot een proces-verbaal.

De aangever gaf op te zijn:

[betrokkene 2] .

Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het in de aanhef vermelde incident, dat plaatsvond op de locatie genoemd bij de plaats delict, tussen 24 februari 2015 te 17.00 uur en 25 februari 2015 te 5.45 uur:

"Bedrijfsbus is vakkundig leeggehaald. Hierbij werden de goederen, zoals genoemd op de bijlage goederen weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit."

5. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1100-2015051246-5 van 1 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde paginaꞌs 37-38.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:

Op 6 maart 2015 las ik een mutatie in het politiesysteem waar[in stond vermeld dat] [verdachte] en [betrokkene 1] gecontroleerd waren. Ik zag dat op woensdag 25 februari 2015 te 04.13 uur [verdachte] en [betrokkene 1] gecontroleerd waren in een Peugeot Partner voorzien van het kenteken [AA-00-BB] .

Tijdens de controle is gereedschap aangetroffen in het voertuig waar [verdachte] en [betrokkene 1] in reden. Van dit gereedschap zijn fotoꞌs gemaakt door de collegaꞌs.

Ik zag dat op een aantal foto's van dit gereedschap de intialen ꞌRꞌ en ꞌRBꞌ geschreven stond. Ik zag dat er in de nacht van dinsdag 24 februari op woensdag 25 februari (het hof begrijpt: 2015) een inbraak was geweest in een bedrijfsbus.

6. Een geschrift, te weten een kopie van een proces-verbaal van verhoor aangever met nummer PL1100-2015051246-2 van 6 maart 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , doorgenummerde paginaꞌs 39-41.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 6 maart 2015 tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de aangever [betrokkene 2] :

V [hof: betreft] vraag verbalisant/opmerking verbalisant

A [hof: betreft] antwoord aangever

V: Hoe is het gereedschap weggenomen uit de bedrijfsbus?

A: Er is schade tussen beide achterdeuren. Ik vermoed dat er iets van een breekijzer tussen de deur is gezet. Een van de deuren gaat ook wat moeilijker dicht nu. Er zit nu wat ruimte tussen beide deuren.

V: Zijn er nog specifieke kenmerken waaraan ik uw gereedschap zou kunnen herkennen?

A: Op een aantal goederen had ik de letter R gezet. Zowel op de koffer als het gereedschap zelf. Ook op een aantal accuꞌs had ik mijn initialen RB gezet.

V: Ik toon u een aantal fotoꞌs die de collegaꞌs gemaakt hebben van het gereedschap. Herkent u foto 1?

A: Dat is het plaatje op mijn compressor die gestolen is. Ik herken deze dus als mijn compressor.

V: Herkent u foto 2?

A: Dat is mijn rode haspel voor de compressor.

V: Herkent u foto 3?

A: Dat is de koffer van mijn Fein Multizaag.

V: Herkent u foto 4?

A: Dat is dezelfde als het typeplaatje van foto 1. Dit is mijn compressor. De aan en uit-knop is hiervan af.

V: Herkent u foto 5?

A: Dat is de multizaag die in de koffer van foto 3 zit.

V: Herkent u foto 6?

A: Dat is de koffer van mijn Paslode. Ik heb hier het serienummer ook van en heb dat op een briefje geschreven.

V: De aangever overhandigt mij een briefje met hierop het serienummer [001] .

Dit komt precies overeen met het serienummer op de foto die gemaakt zijn door de collegaꞌs.

V: Herkent u foto 7?

A: Dat is nogmaals het serienummer van de Paslode.

V: Herkent u foto 8?

A: Dat is de Paslode die in de koffer van foto 7 en 8 zit.

V: Herkent u foto 9?

A: Dit is mijn accu nageltacker. Ik zie hier ook mijn initiaal R op staan.

V: Herkent u foto 10?

A: Deze tas stond leeg in mijn bus. Ik zie dat er spullen in die tas zijn gedaan. Ik zie in de tas mijn klopboormachine met daarop een speciale voegenbeitel. Verder zie ik nog mijn Bosch slijptol. Ik zie mijn cirkelzaag.

V: Herkent u foto 11?

A: Ik zie een grijze koffer met daarin een asfaltnageltacker. In de andere grijze koffer zit mijn decoupeerzaag. Ik zie ook nog een boorhamer.

V: Herkent u foto 12?

A: Ik zie hier mijn twee schiethamers.

V: Herkent u foto 14?

A: Dit is ook een van mijn accuboormachines.

V: Herkent u foto 16?

A: Dat is een accucirkelzaagmachine. Op de accu staan ook mijn initialen RB.

V: Herkent u foto 17?

A: Dat zijn ook een aantal boormachines.

7. Een geschrift, zijnde een ꞌBijlage goederenꞌ, behorende bij het als bewijsmiddel 3 opgenomen proces-verbaal, doorgenummerde paginaꞌs 32-36.

Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Object: Schiethamer

Merk/type: Paslode Im90"

2.2.3.

Voorts heeft het Hof – voor zover in cassatie van belang – het volgende overwogen:

"Bewijsoverwegingen

Inleiding

Uit de stukken uit het dossier is duidelijk geworden dat ambtenaren van politie op 25 februari 2014 om ongeveer 04.10 uur de verdachte en bijrijder [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), die waren gezeten in de bestelbus van de verdachte, staande hebben gehouden. Naar achteraf is komen vast te staan, was de grote partij gereedschap die de verdachte op dat moment in zijn bestelbus vervoerde, niet langer dan ongeveer 11 uren vóór de aanhouding gestolen uit de bestelauto van de aangever [betrokkene 2].

(...)

Ten aanzien van de feiten

(...)

Met betrekking het onder 2 (de Hoge Raad begrijpt: het onder 1 subsidiair) tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij die avond [het hof begrijpt: 24 februari 2014] is gebeld door een kennis die hem de partij gereedschap te koop aanbood. Hij is vervolgens tussen 18.00 en 21.00 uur samen vanaf zijn huis met [betrokkene 1] naar die kennis getogen en heeft daar aan de kennis gevraagd of de gereedschappen niet gestolen waren. Hij stelde deze vraag, naar zijn zeggen, omdat er in die tijd in de omgeving vaker gereedschap werd gestolen. De kennis heeft de vraag ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft de verdachte met die kennis kenmerken van een aantal van de gereedschappen ingevoerd op de website www.stopheling.nl, maar de gereedschappen kwamen op die website niet voor als gestolen voorwerpen. Na de aankoop is de verdachte met de gereedschappen in zijn bestelbus naar een verjaardag in Amsterdam gereden. Op de terugweg is hij door de politie staande gehouden, aldus de verdachte.

Het hof acht de door de verdachte gepresenteerde lezing niet aannemelijk. Daartoe is redengevend dat de verdachte eerst op de terechtzitting in hoger beroep met zijn verklaring is gekomen, zodat ampel gelegenheid heeft bestaan om deze af te stemmen op de inhoud van het dossier. Verder heeft hij niet willen zeggen wie de kennis is bij wie hij de gereedschappen zou hebben gekocht, zodat zijn verklaring hoegenaamd niet verifieerbaar is. Het enige wat wel verifieerbaar is, is of [betrokkene 1] inderdaad tussen 18.00 en 21.00 uur vanaf het huis van de verdachte is meegereden naar de kennis waar het gereedschap zou worden gekocht. [betrokkene 1] heeft op 26 mei 2015 echter verklaard dat hij niets wist van het gereedschap uit de bus van de verdachte en dat de verdachte hem rond 01.00 uur [naar het hof begrijpt op 25 februari 2014] heeft opgehaald, zodat gezegd moet worden dat de verklaring van de verdachte niet te rijmen is met die van [betrokkene 1] .

De opvallende omstandigheid dat de verdachte niet langer dan ongeveer 11 uren na de diefstal van de grote en - naar gevoeglijk mag worden aangenomen - kostbare partij gereedschap daarover kon beschikken en deze in het holst van de nacht in zijn bestelbus vervoerde acht het hof redengevend voor het bewijs van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, in die zin dat daaruit afgeleid wordt dat de verdachte de partij gereedschap heeft gekregen onder omstandigheden waarin hij - minst genomen - moest vermoeden dat deze partij van diefstal afkomstig was. Nu de verdachte - zoals al bleek - geen redelijke, verifieerbare, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, kan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen als na te melden.

Het door de raadsvrouw ten aanzien van de ten laste gelegde heling gevoerde verweer wordt verworpen, omdat, daarin wordt uitgegaan van de lezing van de verdachte die het hof niet aannemelijk acht."

2.3.

Het Hof heeft kennelijk uit de bewijsvoering afgeleid dat de verdachte de bewezenverklaarde partij gereedschappen "uit winstbejag" voorhanden heeft gehad. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen de bewijsvoering inhoudt omtrent de aard en omvang van de grote hoeveelheid kostbare gereedschappen, ten aanzien waarvan door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hij deze met een ander doel voorhanden had.

2.4.

De andere klacht van het middel, die zich richt tegen de bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte "redelijkerwijs moet vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof", kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.