Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:161

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/02733
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1510
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen van medeplichtigheid aan poging tot gekwalificeerde diefstal (meermalen gepleegd). Middelen klagen dat 1. Hof de dagvaarding in h.b. ten onrechte niet nietig heeft verklaard, 2. het aanwezigheidsrecht van verdachte is geschonden door de zaak bij verstek te behandelen en 3. Hof bij het opleggen van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf geen rekening heeft gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 16/01648 en 16/01789.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/258
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/02733

IV/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 16 maart 2016, nummer 22/001203-11, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1968.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.K. Bhadai, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.