Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:16

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
09-01-2018
Datum publicatie
10-01-2018
Zaaknummer
16/02344
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1402, Gedeeltelijk contrair
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

T.b.v. hennepkwekerij in woning medeplegen van opzettelijk een stoornis in de werking van een elektriciteitswerk veroorzaken en een t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is, art. 161bis sub 2 en 3 Sr. 1. Is een meterkast een “elektriciteitswerk”? 2. “Te duchten levensgevaar” toereikend gemotiveerd? 3. Medeplegen toereikend gemotiveerd?

Ad 1. Hof heeft geoordeeld dat de meterkast voor de stroomvoorziening in de woning kan worden aangemerkt als een "elektriciteitswerk" a.b.i. art. 161bis en 90ter Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Om in rechte het in art. 161bis Sr bedoelde levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige b.m. volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar t.t.v. het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden. Nu uit de gebezigde b.m. kan worden afgeleid dat verdachte en zijn mededader de stroomvoorziening t.b.v. een hennepkwekerij hadden aangelegd op een wijze die niet voldeed aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen en aldus de t.o.v. een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen hadden verijdeld, terwijl dit geschiedde in een appartementencomplex waarin personen huizen en ook aanwezig waren, en daadwerkelijk brand is ontstaan op de zolderruimte van het perceel, kunnen de b.m. ‘s Hofs oordeel dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was.

Ad 3. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:718 en ECLI:NL:HR:2016:1316 m.b.t. de motiveringsplicht voor de rechter indien medeplegen niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Hof heeft o.m. vastgesteld dat de in verdachtes woning aangetroffen hennepkwekerij van hem was, dat hij een kennis, die geen elektricien was, heeft gevraagd om daarvoor de elektrische installatie aan te leggen, dat die installatie niet professioneel was en dat verdachte zelf de kabels in de meterkast heeft gezien. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij eerder had gehoord dat in een wietplantage brand was ontstaan en dat een dergelijke brand kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. In dat verband heeft Hof nog overwogen dat een feit van algemene bekendheid is dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die in de meterkast aanwezig zijn worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan. Mede in aanmerking genomen dat verdachte heeft verklaard dat hij verder niet heeft gecontroleerd of de in zijn opdracht aangelegde elektrische installatie veilig was aangelegd, geeft ’s Hofs oordeel dat de bijdrage van verdachte aan het bewezenverklaarde feit van voldoende gewicht is om zijn gedragingen als medeplegen van dit delict aan te merken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. CAG: anders t.a.v. medeplegen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/156
NBSTRAF 2018/105
NJ 2018/334 met annotatie van Redactie, H.D. Wolswijk
SR-Updates.nl 2018-0001
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

9 januari 2018

Strafkamer

nr. S 16/02344

MAA/NA

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 april 2016, nummer 21/002434-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het eerste middel komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen de bewezenverklaring.

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 oktober 2013 tot 24 oktober 2013 te Arnhem tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een elektriciteitswerk, te weten een zogenaamde meterkast voor de stroomvoorziening in een woning aan de [a-straat 1] , een stoornis in de werking van die meterkast en/of voor die stroomvoorziening heeft veroorzaakt en ten opzichte van die zogenaamde meterkast en die stroomvoorziening, genomen veiligheidsmaatregel heeft verijdeld, zodanig dat daardoor gemeen gevaar voor brand in die woning, en in een of meer belendende percelen en levensgevaar voor een of meer in die belendende percelen aanwezige personen te duchten was."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL078C-2013113942-14, gesloten en ondertekend op 28 november 2013 door [verbalisant 1] , voornoemd, pagina 33-34, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als aangifte van [betrokkene 1] :

Ik ben namens de benadeelde, Liander N.V. gerechtigd tot het doen van aangifte. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Een aangifte diefstal, opgemaakt door [betrokkene 1] , door het hof te bezigen als een schriftelijk bescheid als bedoeld in artikel 344 van het Wetboek van Strafvordering, inhoudende -zakelijk weergegeven- :

AANGEVER

Bedrijf Liander N.V

Naam [betrokkene 1]

Voornamen [voornamen betrokkene 1]

Adres Postbus 1101, 8200 BC Lelystad

BENADEELDE

Naam Liander N.V.

Telefoon 023-8904944

VERKLARING AANGEVER

Op verzoek van Liander N.V. is - in samenwerking met de politie te Arnhem op 24 oktober 2013 door monteur (5179) van Liander N.V. een onderzoek ingesteld naar de aansluiting, waaronder de meetinrichting die eigendom is van Liander en die zich bevindt in het perceel gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] .

Bij dit onderzoek is het volgende geconstateerd.

De monteur (5179) constateerde op 24 oktober 2013 verboden handelingen aan de elektriciteitsinstallatie en trof het volgende aan:

De eerdergenoemde monteur zag dat de zegels van de hoofdaansluitkast waren verbroken. Nadat hij het deksel van de aansluitkast had verwijderd, zag hij dat aan de bovenzijde van de zekeringhouders een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt en dat deze aansluiting buiten de elektriciteitsmeter om liep naar de hennepplantage en deze voorzag van elektriciteit.

De eerdergenoemde monteur zag dat er sprake was van een handelwijze waarbij niet is voldaan aan de norm NEN 1010. Deze norm beschrijft de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen. Het gevolg van de handelwijze is dat er gevaar voor goederen te duchten is geweest.

Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. De eerdergenoemde monteur heeft de elektriciteitsmeter met nummer [001] en stand(en) 11443 - 40603 verwijderd en de toevoer onderbroken.

Niemand had het recht of de toestemming van Liander N.V. om het zegel te verbreken of wijziging in de bedrading aan te brengen.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL0785-2013113942-4, gesloten en ondertekend op 25 oktober 2013 door [verbalisant 2] , hoofdagent van politie, pagina 16-20, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant:

Uit het onderzoek dat ter plaatse werd uitgevoerd door een deskundige van het energiebedrijf Liander, werd vastgesteld dat de elektriciteit voor de hennepkwekerij illegaal werd afgetapt.

De deskundige toonde mij, verbalisant, de wijze waarop de elektriciteit werd ontvreemd. Ik zag dat er een illegale aansluiting liep buiten de elektriciteitsmeter om. Hierdoor werd de afgenomen elektriciteit niet via de meter geregistreerd. Er werden twee externe schakelaars buiten de stoppenkast aangetroffen met drie stoppen van elk 35 Ampère.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal met nummer: PL078L-2013113942-8, gesloten en ondertekend op 28 oktober 2013 door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie, pagina 48-51, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

Ik woon alleen op het adres [a-straat 1] te Arnhem. De hennepkwekerij die op dat adres is aangetroffen is van mij. De hennepkwekerij is door een kennis van mij aangelegd. Ik heb die kennis gevraagd de elektrische installatie aan te leggen. Die kennis was geen elektricien van beroep. De elektrische installatie was niet professioneel aangelegd. Als je de meterkast openmaakte zag je al die kabels. Ja, ik heb wel eens eerder gehoord dat er brand is ontstaan bij een wietplantage. Dat kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. Ja, ik weet dat je je schuldig kunt maken aan brandstichting door schuld bij het aanleggen van een wietplantage.

Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 11 april 2014 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van verdachte:

U vraagt mij of ik in de woning aan de [a-straat 1] te Arnhem een hennepkwekerij heb gehad. Ja dit klopt.

U vraagt mij of ik ten behoeve daarvan stroom heb afgetapt. Ja, dit klopt ook. Een kennis van mij heeft de installatie aangelegd. Hij is elektricien. Ik heb verder niet gecontroleerd of het veilig was aangelegd.

Een als bijlage bij voornoemd stamproces-verbaal gevoegd, in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met nummer: PL078L-2013113942-2, gesloten en ondertekend op 24 oktober 2013 door [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] , [verbalisant 7] , [verbalisant 8] en [verbalisant 9] , allen ambtenaar van politie, pagina 10-12, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - :

Op 24 oktober 2013, omstreeks 03:50 uur, hebben wij een onderzoek ingesteld waarbij het volgende is bevonden.

Op 23 oktober 2013, omstreeks 23:53 uur kregen wij de melding te gaan naar de [a-straat 1] te Arnhem alwaar een woningbrand zou zijn. Wij zagen dat het dak van het complex in brand stond en dat er sprake was van een grote rookontwikkeling. Wij zagen dat het een appartementencomplex betrof. Wij zijn het complex ingegaan omdat er nog mensen in het complex zouden zijn. Wij troffen op de tweede verdieping nog mensen aan. Wij hebben contact met deze bewoners gemaakt en deze mensen naar beneden gestuurd. Wij zagen dat de brandweer op de tweede etage perceel 45 binnenging. Wij zagen dat er een hennepkwekerij in de woning was gevestigd. De OvD-B vertelde ons dat de brand was ontstaan op de zolderruimte van perceel [a-straat 1] ."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voorts het volgende overwogen:

"De verdediging heeft ter zake van het onder 3 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe - voor zover van belang, kort samengevat - aangevoerd, dat niet kan worden bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd. Hij heeft niet de aanmerkelijke kans aanvaard dat een stoornis in de werking van het elektriciteitswerk zou worden veroorzaakt en dat veiligheidsmaatregelen zouden worden verijdeld. Voorts wordt bestreden dat het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijk handelen levensgevaar voor anderen oplevert. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het tenlastegelegde niet kan worden gekwalificeerd als het veroorzaken van een stoornis in een elektriciteitswerk, omdat een meterkast geen elektriciteitswerk is zoals bedoeld in artikel 90ter van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof overweegt als volgt.

Wat onder elektriciteitswerk moet worden verstaan, is te vinden in artikel 90ter van het Wetboek van Strafrecht. Het moet gaan om 'werken dienende tot voortbrenging, geleiding, transformatie of levering van elektriciteit en daarmede in verband staande beveiligings-, ondersteunings- en waarschuwingswerken'. Deze begripsomschrijving maakt duidelijk dat het moet gaan om werken die ervoor zorgen dat de klant (huishoudens en bedrijven) van stroom wordt voorzien. Het hof legt het voorgaande zo uit dat het werken zijn die direct onderdeel uitmaken van het gehele productieproces van elektriciteit, inclusief het vervoer en aflevering aan afnemers. Juist bij de aflevering van elektriciteit bij de afnemer is de meterkast een onderdeel dat daarbij onontbeerlijk is. De meterkast maakt daar onderdeel van uit en is een elektriciteitswerk zoals bedoeld in artikel 161bis Sr.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat de in de woning aan de [a-straat 1] te Arnhem aangetroffen hennepkwekerij van hem is. Voorts heeft hij verklaard dat hij een kennis heeft gevraagd om de elektrische installatie aan te leggen. Verdachte heeft zelf gezien dat er kabels in de meterkast hingen en heeft verklaard dat het slordig was gedaan. Verdachte was zich er dus van bewust dat de stroomvoorziening was gemanipuleerd en was aangepast door iemand die daartoe niet bevoegd was, ook al was deze kennis elektricien van beroep volgens verdachte. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte bekend dat er stroom werd afgetapt ten behoeve van zijn hennepkwekerij.

Verdachte heeft een kennis gevraagd om de elektrische installatie voor zijn hennepkwekerij aan te leggen. Hij wist dat de stroom voor de hennepkwekerij werd afgetapt. Gelet op deze feiten en omstandigheden is er sprake van een zodanige bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en die kennis bij de aanleg van de elektriciteitsvoorziening voor de hennepkwekerij dat van medeplegen kan worden gesproken.

Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die normaliter na de elektriciteitsmeter in de meterkast aanwezig zijn - zoals zekeringen en/of aardlekschakelaars - worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan, welk gevaar zich hier ook verwezenlijkt heeft. Evenzeer is het een feit van algemene bekendheid dat van brand in een flat waarin personen huizen en ook daadwerkelijk aanwezig zijn, gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is."

2.3.

De tenlastelegging is toegesneden op art. 161bis Sr. Daarom moet de in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende term "elektriciteitswerk" geacht worden aldaar te zijn gebezigd in dezelfde betekenis als daaraan toekomt in dat artikel.

2.4.

Het Hof heeft geoordeeld dat de meterkast voor de stroomvoorziening in de woning aan de [a-straat 1] te Arnhem, kan worden aangemerkt als een "elektriciteitswerk" als bedoeld in art. 161bis en 90ter Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

2.5.1.

In art. 161bis Sr is straf bedreigd tegen onder anderen degene die opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelt terwijl daardoor levensgevaar voor een ander te duchten is. Om in rechte het levensgevaar als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van het verijdelen van de veiligheidsmaatregel naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Van die vereiste voorzienbaarheid zal in de regel geen sprake zijn indien zich doorgaans geen personen in de nabijheid van het betreffende elektriciteitswerk bevinden.

2.5.2.

Nu uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn mededader de stroomvoorziening ten behoeve van een hennepkwekerij hadden aangelegd op een wijze die niet voldeed aan de minimale voorschriften waaraan een elektrische installatie moet voldoen om de veiligheid te kunnen waarborgen en aldus de ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregelen hadden verijdeld, terwijl dit geschiedde in een appartementencomplex waarin personen huizen en ook aanwezig waren, en daadwerkelijk brand is ontstaan op de zolderruimte van het perceel, kunnen de bewijsmiddelen het oordeel van het Hof dragen dat naar algemene ervaringsregels levensgevaar voor anderen voorzienbaar was. Het middel faalt ook in zoverre.

2.5.3.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Beoordeling van het tweede middel

3.1.

Het tweede middel klaagt dat de bewezenverklaring ten aanzien van het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.

3.2.

In de arresten HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390, HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718, NJ 2015/395 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411 heeft de Hoge Raad enige algemene overwegingen over het medeplegen gegeven, in het bijzonder gericht op de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

3.3.

Blijkens de bewijsvoering heeft het Hof onder meer vastgesteld dat de in de woning van de verdachte aan de [a-straat 1] te Arnhem aangetroffen hennepkwekerij van de verdachte was, dat de verdachte een kennis, die geen elektricien was, heeft gevraagd om daarvoor de elektrische installatie aan te leggen, dat die installatie niet professioneel was en dat de verdachte zelf de kabels in de meterkast heeft gezien. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij eerder had gehoord dat in een wietplantage brand was ontstaan en dat een dergelijke brand kan ontstaan door kortsluiting of oververhitting. In dat verband heeft het Hof nog overwogen dat een feit van algemene bekendheid is dat het aftappen van elektriciteit buiten de elektriciteitsmeter om meebrengt dat de veiligheidsmaatregelen die in de meterkast aanwezig zijn - zoals zekeringen en/of aardlekschakelaars - worden omzeild en dat daardoor brand kan ontstaan. Mede in aanmerking genomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij verder niet heeft gecontroleerd of de in zijn opdracht aangelegde elektrische installatie veilig was aangelegd, geeft het oordeel van het Hof dat de bijdrage van de verdachte aan het bewezenverklaarde "opzettelijk een ten opzichte van een elektriciteitswerk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen te duchten is" van voldoende gewicht is om de gedragingen van de verdachte als medeplegen van dit delict aan te merken, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk.

3.4.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2018.