Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:157

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
16/03610
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Onttrekking van twee minderjarige dochters van verdachte aan bevoegd opzicht van Stichting Bureau Jeugdzorg door kinderen na ondertoezichtstelling onder te brengen op adres in Spanje, art. 279.1 Sr. Uitleg begrip “onttrekken” a.b.i. art. 279.1 Sr. De opvatting waarop het middel berust dat verdachte zich slechts dan kan schuldig maken aan het “onttrekken” a.b.i. art. 279 Sr van een minderjarige aan het opzicht van een in art. 1:254.1 (oud) BW genoemde stichting, indien die stichting een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven a.b.i. art. 1:258.1 (oud) BW, waaraan verdachte zich niet gehouden heeft, is in haar algemeenheid onjuist. Aantekening verdient dat het voorgaande ook geldt m.b.t. de aanwijzing a.b.i. het huidige art. 1:263.1 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0068
NJB 2018/415

Uitspraak

6 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/03610

EC/SK

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 30 juni 2016, nummer 21/005208-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft N. van Schaik, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt onder meer dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het begrip 'onttrekken' van een minderjarige aan het bevoegd opzicht als bedoeld in art. 279, eerste lid, Sr.

2.2.1.

Overeenkomstig de tenlastelegging is ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 6 juni 2012 tot 2 januari 2013 in Spanje, opzettelijk minderjarigen, te weten [betrokkene 1] (geboren op [geboortedatum] 2009) en [betrokkene 2] (geboren op [geboortedatum] 2007), die beneden de twaalf jaren zijn en die middels een door de kinderrechter uitgesproken ondertoezichtstelling ingaande op 6 juni 2012 onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland zijn gesteld, heeft onttrokken aan het opzicht van voornoemde Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland die dit desbevoegd over die minderjarigen uitoefende, immers heeft verdachte die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ondergebracht gehouden op een of meer adressen in Spanje en vervolgens opzettelijk genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2], die onttrokken zijn aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hun uitoefende, aan de nasporing van de ambtenaren van de justitie of politie heeft onttrokken, immers heeft verdachte genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 2], terwijl zij onttrokken waren aan het opzicht uitgeoefend door Stichting Bureau Jeugdzorg, ondergebracht op een adres in Spanje."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Het hof stelt vast dat de Raad voor de Kinderbescherming in maart 2012 besluit tot een raadsonderzoek naar aanleiding van zorgen die zijn geuit door het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling omtrent - kort gezegd - de relatie tussen de ouders, de vele verhuizingen (ook naar het buitenland) van het gezin en verschillende 'oppassers' voor de kinderen. Op 1 juni 2012 vond er een zitting plaats bij de kinderrechter in verband met het verzoek tot ondertoezichtstelling van beide minderjarige kinderen. Verdachte en haar toenmalige partner waren aanwezig bij deze zitting. Op 4 juni 2012 is verdachte met haar kinderen naar Spanje vertrokken. De tickets voor de reis waren voor de zitting al aangeschaft en verdachte had de bedoeling voor langere tijd in Spanje te verblijven. Zij heeft Bureau Jeugdzorg hiervan niet op de hoogte gebracht. Bij beschikking van 6 juni 2012 zijn de minderjarige kinderen van verdachte door de kinderrechter onder toezicht van Stichting Bureau Jeugdzorg Friesland gesteld. Na 6 juni 2012 heeft verdachte telefonisch contact gehad met [betrokkene 3] van Bureau Jeugdzorg Friesland. Verdachte heeft toen te kennen gegeven dat zij op de hoogte was van de uitgesproken ondertoezichtstelling en dat zij niet van plan was om naar Nederland terug te keren.

Verdachte stelt dat zij (toen zijn in Spanje verbleef) contact heeft gezocht met bureau Jeugdzorg in Spanje. Dit is niet aannemelijk geworden. Vooropgesteld dat uit niets blijkt dat verdachte contact heeft gehad met de 'Spaanse' Jeugdzorg, indien het hof wel zou aannemen dat verdachte contact heeft gehad met Jeugdzorg in Spanje, dan doet dat niets af aan de verplichting van verdachte om contact te houden met de Nederlandse Jeugdzorg en Jeugdzorg (op z'n minst) te informeren omtrent de verblijfplaats van de kinderen, nu de kinderen onder toezicht zijn gesteld van Jeugdzorg.

Gelet op voorgaande overweegt het hof dat verdachte toegang van Bureau Jeugdzorg tot de kinderen in de weg heeft gestaan en dat het op de weg van Jeugdzorg lag - en niet op die van verdachte - om te beoordelen of verdachte met haar kinderen naar Spanje mocht vertrekken dan wel daar mocht blijven met hen. Op de zitting van 1 juni 2012 betreffende de ondertoezichtstelling van de kinderen is het vertrek van Spanje aan de orde geweest en is duidelijk geworden dat zij niet zonder meer met de kinderen naar het buitenland mocht vertrekken. Daarnaast is gebleken uit het telefoongesprek - gevoerd na 6 juni 2012 - tussen verdachte en [betrokkene 3] van Jeugdzorg dat verdachte op de hoogte was van de ondertoezichtstelling van de beide kinderen en dat verdachte niet van plan was op korte termijn terug te keren naar Nederland. Verdachte heeft ook nagelaten informatie te verschaffen (onder meer over de exacte verblijfplaats) die nodig was om (al dan niet door tussenkomst van of overdracht aan Spaanse instanties) het toezicht uit te oefenen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen en het hof acht verdachte is schuldig aan het aan haar tenlastegelegde."

2.3.

Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen - zoals deze luidden ten tijde van het tenlastegelegde - van belang:

- Art. 279, eerste lid, Sr:

"Hij die opzettelijk een minderjarige onttrekt aan het wettig over hem gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie."

- Art. 1:254, eerste lid, BW:

"Indien een minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, kan de kinderrechter hem onder toezicht stellen van een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg."

- Art. 1:257, eerste, tweede en vierde lid (oud), BW:

"1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg houdt toezicht op de minderjarige en zorgt dat aan de minderjarige en de met het gezag belaste ouder hulp en steun worden geboden teneinde de bedreiging van de zedelijke of geestelijke belangen of de gezondheid van de minderjarige af te wenden.

2. Deze hulp en steun zijn erop gericht de met het gezag belaste ouder de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoveel mogelijk te doen behouden. Bij algemene maatregel van bestuur, op de voordracht van Onze Ministers van Justitie en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en de omvang van de hulp en steun.

4. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg bevordert de gezinsband tussen de met het gezag belaste ouder en de minderjarige."

- Art. 1:258, eerste en tweede lid, BW:

"1. De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg kan ter uitvoering van haar taak schriftelijk aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige.

2. De met het gezag belaste ouder en de minderjarige dienen deze aanwijzingen op te volgen."

2.4.

Het middel berust op de opvatting dat een verdachte zich slechts dan kan schuldig maken aan het 'onttrekken' als bedoeld in art. 279 Sr van een minderjarige aan het opzicht van een in art. 1:254, eerste lid (oud), BW genoemde stichting, indien die stichting een schriftelijke aanwijzing heeft gegeven als bedoeld in art. 1:258, eerste lid (oud), BW, waaraan de verdachte zich niet gehouden heeft. Die opvatting is in haar algemeenheid onjuist, zodat het middel in zoverre faalt.

2.5.

Aantekening verdient dat hetgeen hiervoor onder 2.4 is overwogen met betrekking tot de aanwijzing als bedoeld in art. 1:258, eerste lid (oud), BW ook geldt met betrekking tot de aanwijzing als bedoeld in het huidige art. 1:263, eerste lid, BW. De laatstgenoemde bepaling luidt:

"De gecertificeerde instelling kan ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen."

2.6.

Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.