Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:155

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
16/02936
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:878
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:851, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Is verdachte door inzet undercoveragenten uitgelokt tot het begaan van de bewezenverklaarde feiten? Medeplegen van voorbereiding van diefstal met geweld en/of medeplegen afpersing, art. 312 en 317 Sr en medeplegen van handelen i.s.m. art. 26.1 WWM (meermalen gepleegd). 1. Verwerping Hof van verweer dat het optreden van de infiltranten dient te worden gekwalificeerd als ontoelaatbare uitlokking. 2. Afwijzing getuigenverzoeken.

Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2010:BL0613 m.b.t. het Tallon-criterium. De opvatting waarop de middelen berusten dat de inzet van infiltranten uitsluitend toelaatbaar is als verdachte reeds een begin heeft gemaakt met de gedragingen die hem worden verweten, is in haar algemeenheid onjuist. Ook uit de rechtspraak van het EHRM volgt dit niet, nu deze rechtspraak inhoudt dat de inzet van infiltranten toelaatbaar is indien betrokkene zich inlaat met criminele activiteiten of indien zijn opzet reeds tevoren op het plegen van een misdrijf was gericht. Hof heeft vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan de inzet van de infiltranten heeft gesproken over vuurwapens, munitie en het plegen van overvallen en in de nabijheid is geweest van tenminste één vuurwapen. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof heeft vastgesteld m.b.t. de contacten tussen verdachte en de infiltranten, is ’s Hofs kennelijke oordeel dat verdachte niet is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht, niet onbegrijpelijk.

Ad 2. Hof heeft bij afwijzing van de verzoeken A1, A2, A3, B1, B2 en C als getuige te horen betrokken dat de A-getuigen reeds in e.a. in aanwezigheid van de verdediging door de RC zijn gehoord, het dossier uitvoerige p-v’s van bevindingen bevat met de verslaglegging van de A- en B-getuigen en dat niet aannemelijk is geworden dat de p-v’s van verbalisant C i.s.m. de waarheid zijn opgemaakt. Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen aan de verzoeken tot het horen van de getuigen ten grondslag is gelegd, is oordeel Hof - ook i.h.l.v. rechtspraak EHRM - niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0070
NJB 2018/417

Uitspraak

6 februari 2018

Strafkamer

nr. S 16/02936

AP/MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 30 maart 2016, nummer 22/002708-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft B.Th. Nooitgedagt, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De middelen zijn mondeling toegelicht.

De Advocaat-Generaal G. Knigge heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Bewezenverklaringen en beoordeling van een gevoerd verweer

2.1.

De Advocaat-Generaal heeft in zijn conclusie onder 3.1 en 3.2 kort samengevat waar het in deze zaak om gaat:

"3.1. Centraal in deze zaak staat de vraag of de verdachte door de inzet van undercoveragenten is uitgelokt tot het begaan van de bewezenverklaarde feiten. (...) In de middelen wordt een beroep gedaan op de jurisprudentie van het EHRM. De vraag die in het bijzonder beantwoording behoeft, is of de uitleg die de verdediging aan die jurisprudentie geeft, juist is.

3.2. (...)

Bepleit is dat de verdachte is uitgelokt de tenlastegelegde feiten te plegen "en dat de gedragingen nimmer zouden hebben plaatsgevonden zonder de instigerende en uitlokkende gedragingen van de in dit dossier figurerende stelselmatige informatie-inwinner "Sam" en de infiltranten "Phil" en "de Rus"". (...)"

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"1. hij op 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een diefstal in vereniging voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld en/of een afpersing in vereniging, opzettelijk

- drie vuurwapens

- bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;

2. hij op 15 mei 2014 te Delft en/of te Rotterdam en/of te Den Haag en/of te Scheveningen, tezamen en in vereniging met anderen wapens van categorie III, te weten

- een Riotgun met serienummer JB70040 en

- een revolver kaliber 3.57 magnum en

- een gaspistool zonder houder met een omgebouwde loop naar het kaliber 6.35 mm, en munitie van categorie III, te weten

- 6 kogelpatronen kaliber .38 spec. (behorend bij voormelde revolver) en

- 9 kogelpatronen en

- 1 kogelpatroon 357 Magnum en

- een doosje met 25 kogelpatronen 6.35 mm en 30 hagelpatronen,

voorhanden heeft gehad."

2.2.2.

Het Hof heeft naar aanleiding van gevoerde verweren over de rechtmatigheid van de inzet van de informant en de infiltranten het volgende overwogen en beslist:

"Door de verdediging zijn, verkort en zakelijk weergegeven, verweren gevoerd met betrekking tot de inzet en het optreden van de informant A-3678 (hierna ook: "Sam"), de twee infiltranten A-2154 (hierna ook: "Phil") en A-2158 (hierna ook: "de Rus") en de verantwoording daarvan, met als conclusie dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte dan wel dat de langs die weg verkregen verklaringen voor het bewijs dienen te worden uitgesloten.

Het hof gaat bij de beoordeling van die verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 4 september 2013 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de projectnaam WINZIP. Het onderzoek is gestart naar aanleiding van de als betrouwbaar gekwalificeerde informatie in een tweetal ambtsberichten van de Algemene Inlichtingen-en Veiligheidsdienst (AIVD) van 30 augustus 2013 met betrekking tot [betrokkene 1] en [verdachte] . Blijkens de ambtsberichten, in onderling verband en samenhang gelezen, zouden zowel de verdachte als [betrokkene 1] in februari 2013 zijn uitgereisd naar Syrië, zouden zij samen in augustus 2013 naar Nederland zijn teruggekeerd en zich sindsdien teruggetrokken en religieus radicaal gedragen.

Op 13 november 2013 is wederom een ambtsbericht van de AIVD ontvangen, vergezeld van een cd-rom bevattende geluidsfragmenten van gesprekken die in de bij verdachte in gebruik zijnde auto hebben plaatsvonden op 25 oktober 2013 tussen de verdachte, [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . In deze gesprekken, die ook gedeeltelijk ter terechtzitting in hoger beroep zijn beluisterd, spreekt de verdachte (in de transcriptie aangeduid als ' [verdachte] ') onder meer over zijn gevechtshandelingen in Syrië en zijn wetenschap met betrekking tot derden die bij de strijd in Syrië zijn gesneuveld. Voorts spreekt verdachte over het plegen van een overval en het gebruik van wapens daarbij:

[verdachte] . (...) Twee weken (woord onverstaanbaar) van nu, dan gaan we gelijk we gaan die drie ton. Als die lukt, akhi, als die lukt!

[betrokkene 2] : Wordt schieten hoor.

[verdachte] : Jij hoeft niet mee. Jij ken thuis

(...)

[verdachte] : (...) Ik en [betrokkene 1] is genoeg. (...) Misschien wil jij op de uitkijk of zoiets. Jouw been is kapot. Wij gaan naar binnen en wij gaan het doen. Jij moet buiten met (onverstaanbaar). Snap je. Dat is wel lauw. Maar als iets gebeurt, jij staat buiten alert. Of als iets binnen gebeurt, jij staat buiten alert, ik, [betrokkene 1] zo, bam, weggaan.

(...)

[betrokkene 2] : Maar moet ie tipgeld krijgen?

[verdachte] : Ja

[betrokkene 2] : Hoeveel?

[verdachte] : 20 maximum, hij heeft bij zegwaard niks gekregen hoor, ja, bij hen (of hem) hebben 1000 euro gegeven, zegt ie 'een week, ik heb het nu nodig en daarvoor hebben hun 7000, gaven hem hem geld, maar ik zeg tegen hem mattie: ik zou hem gewoon killen, hij heeft paar miljoen gepakt, hij heeft je niks gegeven

(...)

[verdachte] : (...) Maar kom aan die echte wapen, glock (fon) wollah

[betrokkene 2] : Hoezo echte wapen hebben?

[verdachte] : Kijk (hierna paar woorden onverstaanbaar) als we echt glock hebben bij de spel

[betrokkene 2] : Twee lasers?

[verdachte] : Twee ladykillers (fon)

[betrokkene 2] : Wat is dat?

[verdachte] : Zes en een half

[betrokkene 2] : Zo'n kleintje?

[verdachte] : Ja, maar twee is ook hij gaat dood, begrijp je

[betrokkene 2] : Als je van dichtbij schiet

[verdachte] : Of een grote of twee kleine, beter twee kleine

[betrokkene 2] : Twee kleine, komt een grote daarbij

Ook wordt in dit gesprek gesproken over geld sturen naar "de broeders".

Op 18 november 2013 wordt een ambtsbericht door de AIVD uitgebracht, vergezeld van een cd-rom bevattende geluidsfragmenten van een gesprek dat heeft plaatsvonden in de bij verdachte in gebruik zijnde auto op 17 november 2013 tussen de verdachte en twee niet nader bekende mannen. Ook dit gesprek is ter terechtzitting in hoger beroep gedeeltelijk beluisterd. Uit dit gesprek blijkt dat in de auto waarin bovengenoemde personen zich bevonden een vuurwapen met bijbehorende munitie aanwezig was. Zij oefenen met het vullen van een magazijn met kogels. De verdachte laat weten dat vingerafdrukken van de kogels moeten worden verwijderd.

Op 16 januari 2014 wordt wederom een ambtsbericht door de AIVD uitgebracht, inhoudende dat van de verdachte momenteel nog steeds een criminele dreiging uitgaat richting goederen en personen waarbij vuurwapengebruik mogelijk is en dat de AIVD over informatie beschikt dat de opbrengst van bovengenoemde activiteiten wordt aangewend ten behoeve van de broeders in Syrië.

In het kader van het opsporingsonderzoek worden eveneens gesprekken in de bij verdachte in gebruik zijnde auto opgenomen. In de gesprekken op 18 januari 2014 tussen verdachte (in de transcriptie aangeduid als ' [verdachte] '), eerder genoemde [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , die ook gedeeltelijk ter terechtzitting in hoger beroep zijn beluisterd, wordt wederom gesproken over het plegen van een overval:

[verdachte] : klein lauw toertje wat we snel, snel kunnen doen. Kijk, [betrokkene 5] gaat [betrokkene 6] bellen. We gaan met elkaar chillen. [betrokkene 6] komt met de Rolex.

We gaan hem pakken daar. We pakken die horloge van hem af wil je toch klaar gewoon inleveren toch. Klappen geven inleveren. Dan gaan we die horloge die we hebben gaan we kijken of die echt ...(ntv) is. Als die echt is krijgen we zo een paar doezo en kunnen we naar z'n osso gaan, snap je, begrijp je? En da's in 1 seconde gebeurd

(...)

[verdachte] : [betrokkene 5] ik ga nu serieus praten. [betrokkene 5] je weet toch die [betrokkene 6] . Zo gaan we d'r achter komen of het echt of nep is alles aan hem. We gaan met hem afspreken. Je weet ik heb twee chickies. We gaan naar lounge snap je. A sowieso lauwe dingen aandoen ja toch

[betrokkene 5] : jongen ik helemaal geen zin daarin

[verdachte] schreeuwt: luister

[betrokkene 5] : ja

[verdachte] : we gaan naar hem toe. We geven hem een paar klappen. We doen die horloge van hem uit. Die horloge gaan we naar een echte man brengen. Kijk als die horloge echt is krijgen we sowieso doekoetje voor en dan is het waard om in zijn osso in te breken, snap je. En anders is het niet waard om naar zijn osso te gaan. We kunnen hem gewoon een paar bitch claps geven. Ik haal die horloge van zijn hand en we gaan weg.

[betrokkene 5] : ja en dan mishandeling op je naam

[verdachte] : hoe gaan ze mij pakken kankerhond. We hebben toch bivak hij gaat toch trimmen jij weet toch [betrokkene 6] .

Gelet op de gevaarzetting voor een te plegen overval/afpersing/diefstal met geweld is in overleg met de zaaksofficier van justitie besloten om op 19 januari 2014 over te gaan tot de aanhouding van verdachte en de hiervoor genoemde personen op verdenking van overtreding van art 46 i.v.m. 312 c.q. 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Op 21 januari 2014 is de verdachte in vrijheid gesteld.

Op 7 mei 2014 is verdachte aangehouden naar aanleiding van een openstaande vordering van: € 1.087 met daarbij als dwangmiddel een periode van 7 dagen gijzeling. Verdachte heeft niet voldaan aan deze vordering en is daarop ingesloten. Voor verdere uitvoering van het dwangmiddel is verdachte overgebracht naar P.I. Haaglanden, vestiging Zoetermeer op de G-afdeling.

Op 9 mei 2014 wordt door de politie bij de officier van justitie een aanvraag tot stelselmatige informatiewinning ex artikel 126j van het Wetboek van Strafvordering (Sv) gedaan. Het daarop volgende bevel wordt op 9 mei 2014 afgegeven met de volgende omschrijving over de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven:

Gebruik makend van de omstandigheid dat [betrokkene 1] en [verdachte] op dit moment beiden gedetineerd zitten, zal een politieambtenaar worden ingesloten met als doel stelselmatig inlichtingen in te winnen over de subjecten met name over hun bereidheid deel te nemen/voorbereidingen te treffen ten behoeve van het verwerven van geld zoals eerder is omschreven.

Op 13 mei 2014 wordt door de politie een aanvraag bevel politiële infiltratie ex artikel 126h Sv gedaan. Het bevel wordt gegeven na toestemming van het College van procureurs-generaal en een positief advies van de Centrale Toetsingscommissie en behelst de volgende omschrijving over de wijze waarop aan dit bevel uitvoering wordt gegeven:

De verdachte [verdachte] (en anderen) in contact brengen met personen in de openbare dienst van een vreemde staat en respectievelijk bekend onder de nummers A-2154 en A-2158 ten einde voorbereidingen te treffen tot het plegen van een gewelddadige diefstal. Daarnaast in het kader van een "vertrouwensaankoop" een of meerdere vuurwapens af te nemen van de verdachte [verdachte] . Uiteraard zal er strafrechtelijk worden ingegrepen wanneer er sprake is van daadwerkelijke voorbereidingshandelingen.

Op 15 mei 2014 wordt de verdachte opnieuw aangehouden op grond van artikel 134a en artikel 46 i.v.m. artikel 317 Sr en artikel 2 juncto artikel 26 juncto artikel 31 van de Wet wapens en Munitie.

Gezien de onderbouwing zoals vervat in de aanvragen tot bovengenoemde bevelen, mede verwijzende naar de inhoud van onder meer bovengenoemde AIVD ambtsberichten, is het hof van oordeel dat de vorenbedoelde bevelen rechtmatig zijn afgegeven. Er was immers jegens de verdachte sprake van een redelijk vermoeden van schuld aan een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. Voorts stelt het hof vast dat uit de

OVC-gesprekken en de aanvraag bevel Politiële Infiltratie genoegzaam is komen vast te staan dat de infiltratie zich richt op een groep personen en niet alleen op de verdachte en dat daarmee ook aan dit vereiste van artikel 126h Sv is voldaan.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of met de inzet van de informant en infiltranten voldaan is aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Met de rechtbank beantwoordt het hof die vraag bevestigend. Gezien de reeds gehanteerde opsporingsmiddelen die zonder resultaat bleven en het zwijgen van verdachte tijdens zijn aanhouding in januari 2014 was het gerechtvaardigd om gebruik te maken van de bijzondere opsporingsbevoegdheden stelselmatige informatie inwinning en infiltratie. Ook stond het optreden van politie en openbaar ministerie in een redelijke verhouding tot het te bereiken doel gezien de ernst en aard van de verdenking.

De verdediging klaagt, ook in hoger beroep, over het optreden van de informant A-3678 die buiten de bevoegdheid zou zijn getreden als bedoeld in artikel 126j Sv. In de kern komt het erop neer dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de informant Sam zich niet heeft beperkt tot het inwinnen van inlichtingen nu hij verdachte heeft verzocht contact op te nemen met zijn criminele vrienden om een boodschap over te brengen. Hij heeft aldus niet alleen inlichtingen ingewonnen, maar verdachte tevens aangezet tot gedragingen. Daarmee is de reikwijdte van de onderhavige bevoegdheid reeds overschreden aldus de verdediging.

Het hof komt dienaangaande tot de volgende overwegingen. De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie onderscheidt zich van de politiële infiltratie doordat niet actief wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen waarbinnen misdrijven worden gepleegd. De informant is dan ook niet gerechtigd om deel te nemen aan het begaan of beramen van misdrijven. Het onderscheid met stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de informant, anders dan de observant, actief binnendringt in de omgeving van de verdachte en actief tracht informatie te verkrijgen teneinde daardoor een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van de verdachte te verkrijgen. De informant mag bewust en actief verder gaan dan waarnemen of luisteren. Handelingen zoals in casu die strekken tot het onderzoeken of voorbereiden van de mogelijkheid om tot een pseudo-koop of pseudo-dienstverlening te komen, zonder dat er sprake is van het maken van concrete afspraken die strekken tot aflevering van goederen, kunnen naar het oordeel van het hof worden gedekt door het bevel stelselmatige informatie- inwinning. Het hof is mitsdien van oordeel dat het handelen van informant Sam binnen de reikwijdte valt van de opsporingsbevoegdheid van stelselmatige informatie inwinning en binnen het bereik van het daartoe afgegeven bevel door de officier van justitie.

Dat de verdachte niet in vrijheid is gesteld op de dag dat de boete alsnog is betaald op maandag 12 mei 2014, maar twee dagen later op woensdagochtend 14 mei 2014 doet aan de rechtmatigheid van de inzet van de informant niet af. Wat er zij van de beweerdelijke onrechtmatigheid van het vastzitten van de verdachte, aan de inzet van de informant raakt dit niet. Die inzet is overigens aangevangen op zaterdag 10 mei 2014 en heeft na maandag 12 mei 2014 nauwelijks nog bevindingen van de informant opgeleverd.

De verdediging stelt zich voorts op het standpunt dat het aannemelijk is dat er in het infiltratie traject sprake zou zijn van "incitement", "instigation" en uitlokking. Subsidiair is er volgens de verdediging sprake van een "prima facie entrapment defence" hetgeen (nader) feitelijk onderzoek naar dit verweer noodzakelijk maakt, behoudens en voor zover dit verweer niet op voorhand tot inwilliging leidt.

Het hof overweegt als volgt. Krachtens artikel 126h lid 2 Sv mag de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel (infiltratie) een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht. Het is dus de opsporingsambtenaar niet verboden om een persoon aan te sporen of uit te lokken tot bepaalde handelingen, mits de uitgelokte daarmee niet werd aangezet tot iets wat niet al in zijn bedoeling lag. Schending van dit zogenoemd Tallon-criterium dient volgens vaste rechtspraak in principe te leiden tot niet ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie (vgl. Hoge Raad d.d. 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:637).

Het hof stelt vast dat het strafdossier de navolgende processtukken bevat die relevant zijn voor de beoordeling door het hof van de rechtmatigheid van de infiltratieactie in het bijzonder of en in hoeverre de twee infiltranten in strijd zouden hebben gehandeld met het Tallon-criterium zoals door de verdediging is gesteld.

- een bevel Stelselmatige Informatie-inwinning, d.d. 9 mei 2014;

- een bevel Politiële Infiltratie, d.d. 13 mei 2014;

- vier processen-verbaal van bevindingen

Informant A-3678 d.d. 13 mei 2014;

- een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 13 mei 2014;

- een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 14 mei 2014;

- een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 15 mei 2014;

- een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 en A-2158 d.d. 16 mei 2014;

- een proces-verbaal van bevindingen begeleiding A-2154 d.d. 13 mei 2014, met als bijlage een tapjournaal van de telefonische gesprekken door A-2154 tijdens zijn inzet op 14 en 15 mei 2014;

- een statement of A2154 and A2158 detailing the events of the 14th and 15th of may 2014;

- een proces-verbaal van videoverhoor van de infiltrant bekend onder nummer A-2154 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

- een proces-verbaal van videoverhoor van de infiltrant bekend onder nummer A-2158 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

- een proces-verbaal van videoverhoor van de politiële informant bekend onder nummer A-3678 door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam d.d. 15 april 2015;

- een proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2016 van verbalisant WOD153, teamleider, Landelijke eenheid, waarin staat: "in het strafrechtelijk onderzoek Winzip zijn geen audio- en/ of visuele opnamen gemaakt van de ontmoetingen tussen de verdachte en de infiltranten/ informant.";

- een proces-verbaal van bevindingen van 7 maart 2016 van verbalisant WOD153, teamleider, Landelijke eenheid, waarin staat: "van de interacties c.q. gesprekken tussen de verdachte en informant(en), de verdachte en de infiltrant(en) en de informant(en) en de infiltrant(en) onderling zijn geen audio- dan wel audiovisuele opnamen gemaakt".

Het hof komt op grond van het vorenstaande tot de volgende overwegingen en bevindingen. Uit de hierboven genoemde OVC gesprekken, in onderling verband en samenhang bekeken, blijkt dat verdachte reeds voor de infiltratieactie met andere personen heeft gesproken over vuurwapens (en in de nabijheid was van tenminste één vuurwapen, waarmee werd geoefend), munitie en het plegen van overvallen. Tijdens de ontmoeting met informant Sam sprak verdachte over vuurwapens en Scheveningen haven. De informant meldt hierover:

Ik zei dat hij het volgende door moest geven: Dat ik vast zat. Dat de twee Glocks die ik had er niet meer waren en Scheveningen haven. Ik zei dat dit voldoende was en dat mijn vriend dan genoeg wist. Hierop vroeg [verdachte] mij of die twee Glocks voor hem waren bedoeld waren wat ik vervolgens beaamde. Hierop zei [verdachte] op eigen initiatief: "Dat kan ik voor hem regelen." Waarop ik verbaasd reageerde en vroeg hoe hij die ging regelen.

Vervolgens zei hij dat hij een keer met een jongen in Utrecht Parkwijk meerdere wapens had gehaald met een zak kogels. Dat hier ook een shotgun bij zat. Dat die wapens niet nieuw waren maar dat ze voor eigen gebruik waren maar dat hij die wel aan A2154 kon verkopen als hij geld bij zich had.

Vervolgens zei [verdachte] dat hij voor 3000 euro per stuk wel 2 nieuwe Glocks kon regelen met veel kogels. Later zei [verdachte] dat hij als ze niet nieuw waren dat hij ook wel voor 2200 euro per stuk iets kon regelen.

[verdachte] zei dat hij A2154 in ieder geval een ladykiller 6.5 kon geven zodat hij in ieder geval iets had en dat die wel meer kon regelen. Ik begreep hieruit dat hij mogelijk een klein kaliber wapen bedoelde.

Uit de tapgesprekken en het verslag van de begeleiders van de infiltranten blijkt dat verdachte zoals door informant "Sam" verzocht, contact heeft gezocht met infiltrant "Phil" en wel op 14 mei 2014. Later op die dag vond er een ontmoeting plaats tussen de twee infiltranten en verdachte waarbij blijkens het proces verbaal van bevindingen het volgende gesprek plaatsvond:

Hij zei ons dat Sam was aangehouden door de politie in Rotterdam met twee vuurwapens bij zich. Wij zeiden hierop dat dat niet zo mooi was omdat Sam ons die twee wapens zou leveren. Hierop hoorden wij dat [verdachte] zijn hulp aan ons aanbood, "als je mij nodig hebt kan ik je helpen" of woorden van soortgelijke strekking.

Wij vroegen aan hem wat bedoel je met helpen. Hierop hoorden wij dat hij ons kon helpen met twee nieuwe Baretta's.

Hierop vroegen wij wanneer hij deze aan ons kon leveren. Hij zei ons, over twee of drie dagen, hierop zeiden wij dat dat te laat was, wij zeiden hem dat we het eerder nodig hadden, we zeiden dat we het nu nodig hadden.

Wij vroegen hem of hij het eerder kon leveren.

Toen zei hij hierop dat hij een shotgun kon leveren over drie uur.

Ik A-2154 vroeg of het een lange of korte shotgun was, hij begreep dit kennelijk niet want hij reageerde niet. Wel zei hij dat hij de patronen erbij kon leveren.

Wij hoorden dat hij vroeg of wij er iemand mee dood gingen schieten, wij antwoordden hierop dat wij alleen iemand bang wilden maken. Toen zei hij dat dit wapen daar zeer geschikt voor was.

Hierna begon de man te vertellen dat hij van Sam had gehoord dat het over Scheveningen ging.

Hierna vroeg hij ons om mee te gaan in zijn auto om wat te drinken in het centrum. Wij stelden hem allerlei vragen over hoe snel hij kon leveren en over de grootte van het wapen. Wij zagen dat hij met zijn handen een afstand ter grootte van ongeveer 60 cm aan gaf.

Hij vertelde dat hij nog iets anders had, namelijk een 6mm wapen. Een ladykiller. lk, A-2158 vroeg of het een gebruikt wapen was. Hij antwoordde hierop dat het een hele nieuwe was. Je kon er makkelijk iemand mee doden. Ook vertelde hij dat hij een nepwapen had die op een echt wapen leek.

Wij zeiden vervolgens tegen hem dat wij morgen wat te doen hadden. Hierop antwoordde hij dat hij dat wist. Wij vroegen hem vervolgens wat hij wist en hij zei ons dat Sam hem dat had verteld. Wij vroegen hem wat Sam hem had verteld. Hij zei toen dat hij kleine stukjes had verteld. Hierop vroegen wij wanneer hij ons de wapens kon leveren. Hij antwoordde dat hij dat morgen omstreeks 12.00 of 13.00 uur kon leveren tesamen met heel veel patronen. Hij zei daarbij dat je er heel makkelijk iemand mee kan doden.

Wij zeiden dat wij deze twee wel wilden.

Wij doelden hier op de shotgun en de ladykiller.

Hij zei ons dat dat ongeveer 500 a 600 euro zou kosten.

Wij vroegen of hij dat vanavond kon leveren? Hij antwoordde dat het gevaarlijk is om 's avonds daarmee rond te rijden in de auto. Daarna zei hij dat het morgen geleverd kon worden rond 12.00 a 13.00 uur.

Hierna begonnen wij te praten over Scheveningen. Hij zei dat het niet ver was. Wij vroegen of hij Scheveningen kende en hij begon te vertellen over de boten. Wij zeiden hierop dat het daar over ging. Hij zei ons dat we nu met hem konden meerijden naar Scheveningen. Wij zeiden hierop dat we nog zaken te doen hadden en dat dat nu niet uitkwam. Hierop zei hij tegen ons dat wij een plattegrond nodig hebben. Wij vroegen hem vervolgens of hij ons kon helpen. Hij antwoordde dat hij dat kon. Hij zei dat het het een grote lokatie is. Hij zei ons dat hij voor ons een plattegrond zou regelen. Hij zei ons dat hij ons de boten kon aanwijzen en kon duiden. A-2158 vroeg aan hem of hij de naam voor ons kon opschrijven, [verdachte] schreef dit vervolgens op in de telefoon van A-2158.

"Scheveningen haven"

Hierna vroegen wij hem wat nu?

Vanavond is het niet meer mogelijk. Voor de Baretta's moet ik iemand spreken, misschien duurt het 1 dag voordat ik die heb. En over de ladykiller en de shotgun moet je me morgen om 10.00 uur bellen.

We kunnen dan misschien elkaar ontmoeten om 12 of 13 uur.

Hierna spraken wij over waar wij elkaar zouden kunnen ontmoeten.

Wij spraken af elkaar hierover te bellen morgenochtend.

Hierna bracht hij ons terug naar het station en namen wij afscheid van elkaar.

Op 15 mei 2015 ontmoetten de infiltranten en verdachte elkaar wederom en blijkens het proces-verbaal van bevindingen begeleiding wordt er verder gesproken over het verkrijgen van wapens door verdachte en de uitvoering van een overval in Scheveningen. Illustratief voor de bereidheid van de verdachte om mee te werken is de navolgende passage:

Omstreeks 20.30 uur bevonden wij, A-2154 en A-2158, ons beiden op de afgesproken plek nabij het Centraal Station te Den Haag. Wij zagen [verdachte] aan komen lopen en lieten hem vervolgens instappen.

Vervolgens zei ik, A-2154, tegen hem, Sorry mate, we willen je niet pushen, we begrijpen dat je afspraken heb met je vrienden maar we zitten een beetje in tijdsnood, als je geen tijd hebt voor ons is dat ook oke. [verdachte] vertelde ons vervolgens dat het geen probleem is en dat hij ons graag wil helpen. Daarna gaf hij al spellend aan wat ik, A-2158, in de satnav in moest voeren.

Hij spelde SCHEVENINGEN.

Vervolgens reden wij, A-2154 en A-2158, samen met [verdachte] in de richting van Scheveningen. Ik, A-2154, vroeg naar de Baretta's. [verdachte] vertelde dat dit mogelijk vandaag nog ging lukken, Ik A-2154, vroeg of hij het nummer had. [verdachte] antwoorde dat hij inderdaad het nummer had. Ik A-2154, vroeg hem te bellen. [verdachte] belde inderdaad en zei dat hij over en over een uur terug kon bellen. Gedurende de rit vroeg ik, A-2158, hoeveel ervaring [verdachte] had met wapens. [verdachte] vertelde dat hij veel ervaring had met kalasnikovs. [verdachte] vertelde dat kalasnikov zijn beste vriend was. Ik,

A-2154, vroeg hem of hij nog wel wilde meegaan vanavond, want het ging immers om een overval. [verdachte] zei tegen ons, ja, ik weet wat we doen, broer, in twee uur kan je heel veel zien. Ik, A-2158, vroeg [verdachte] of hij geen problemen had om dingen te doen met wapens en ze eventueel te gebruiken. Hierop zei [verdachte] "nee, natuurlijk niet, ik kan een hoop voor jullie regelen en organiseren, de dingen doen die Sam eigenlijk zou doen".

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof genoegzaam vast komen te staan dat de verdachte niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht. Dat de verdachte onder druk zou zijn gezet door de infiltranten acht het hof, mede gelet op de bevindingen van de infiltranten zoals hiervoor weergegeven, onvoldoende aannemelijk geworden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat verdachte pas bij de behandeling van de zitting in eerste aanleg hierover heeft verklaard en voorts dat er voldoende gelegenheid was voor verdachte zich aan de handelingen te onttrekken.

Voorts ziet het hof, anders dan de verdediging, geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van de infiltranten of informant. De verslagleggingen omtrent hetgeen zich tijdens de ontmoetingen met de verdachte heeft afgespeeld en met de verdachte is besproken, vindt, voor zover hier relevant, in de kern niet alleen steun in de latere verklaringen van de infiltranten en informant tegenover de rechter-commissaris, maar bovendien, voor wat betreft de verslaglegging van de infiltranten, in de hiervoor aangehaalde statement van de infiltranten. Deze opvolgende verklaringen en bevindingen zijn onderling consistent. Daarbij komt dat de verdachte omtrent de onderhavige ontmoetingen wisselende verklaringen heeft afgelegd en hij de verklaringen en verslagleggingen van de informant en de infiltranten op cruciale punten niet heeft tegengesproken. Bijzondere omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden hebben kunnen of moeten leiden, zijn ook overigens niet aannemelijk geworden. Het hof gaat derhalve aan het verweer van de verdediging op dit punt voorbij.

Tot slot is het hof van oordeel dat het handelen van de infiltranten ook geen strijd oplevert met de door de verdediging besproken jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Immers, genoegzaam is komen vast te staan dat de opzet van verdachte ("predisposition") reeds gericht was op het plegen van strafbare feiten. Anders dan de raadsman meent is de vraag of betrokkene 'had started acting upon his latent criminal intent before the investigation' alleen dan een relevant element als niet kan worden vastgesteld dat er voorafgaand aan de undercoveroperatie een (objectieve) verdenking bestond dat een persoon betrokken is geweest in strafbare activiteiten of een predispositie had om soortgelijke strafbare feiten te plegen (vgl. r.o. 56 Ramanauskas v. Lithuania, EHRM 5 februari 2008, nr. 74420/01).

De verweren van de verdediging op dit punt falen mitsdien.

Nu ook overigens niet is gebleken dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of van enig andere vormverzuim in het voorbereidend onderzoek, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte en kunnen de resultaten van de stelselmatige informatie-inwinning en infiltratie voor het bewijs worden gebezigd."

3 Beoordeling van het eerste en het vierde middel

3.1.

De middelen komen onder meer op tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat het optreden van de infiltranten dient te worden gekwalificeerd als ontoelaatbare uitlokking. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2.

De Hoge Raad stelt voorop dat de inzet van infiltranten niet toelaatbaar is, indien hierdoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak wordt tekortgedaan. Daarvan is sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441, inzake het zogenoemde Tallon-criterium).

3.3.

De middelen doen een beroep op de rechtspraak van het EHRM betreffende het in art. 6 EVRM gegarandeerde recht van de verdachte op een eerlijk proces, in overeenstemming waarmee het Tallon-criterium dient te worden toegepast. Zij berusten onder meer op de opvatting dat de inzet van infiltranten uitsluitend toelaatbaar is als de verdachte reeds een begin heeft gemaakt met de gedragingen die hem (uiteindelijk) worden verweten. Die opvatting is echter in haar algemeenheid onjuist. Ook uit de rechtspraak van het EHRM – waarvan de inhoud is weergegeven en besproken in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.3 tot en met 5.18 – volgt dit niet, nu deze rechtspraak immers inhoudt dat de inzet van infiltranten toelaatbaar is indien de betrokkene zich inlaat met criminele activiteiten of indien zijn opzet reeds tevoren op het plegen van een misdrijf was gericht ("had been involved in criminal activity or was predisposed to commit an offence"). De middelen falen in zoverre.

3.4.

Voor zover de middelen klagen over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat de verdachte niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht, wordt het volgende overwogen.

3.5.1.

Het Hof heeft, blijkens de hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen, mede op basis van gesprekken die de verdachte met anderen heeft gevoerd in een bij hem in gebruik zijnde auto, de OVC-gesprekken (de Hoge Raad begrijpt: opnemen vertrouwelijke communicatie), vastgesteld dat de verdachte op 25 oktober 2013, 17 november 2013 en 18 januari 2014 – en aldus voorafgaand aan de inzet van de infiltranten in mei 2014 – heeft gesproken over vuurwapens, munitie, het plegen van overvallen en in de nabijheid is geweest van tenminste één vuurwapen.

3.5.2.

Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen het Hof in zijn hiervoor weergegeven overweging overigens heeft vastgesteld met betrekking tot de contacten tussen de verdachte en de infiltranten, is zijn oordeel dat de verdachte 'niet tot handelingen is gebracht waarop zijn opzet niet al tevoren was gericht' - waarin besloten ligt dat de verdachte niet is gebracht tot het begaan van de strafbare feiten waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht - niet onbegrijpelijk.

3.5.3.

Ook in zoverre falen de middelen.

4 Beoordeling van het tweede middel

4.1.

Het middel klaagt over de afwijzing door het Hof van de (herhaalde) verzoeken om als getuige te horen de personen aangeduid als A3678, A2154, A2158, B2224, B2225, WOD153.

4.2.

Het Hof heeft de in het middel vermelde verzoeken afgewezen. De hierna vermelde stukken van het geding houden

– voor zover voor de beoordeling van het middel van belang – het volgende in:

- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 januari 2016:

"Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter licht de raadsman de onderzoekswensen uit zijn brief van 20 januari 2016 als volgt nader toe:

Blijkens het proces-verbaal van de vorige terechtzitting zijn de onderzoekswensen al behoorlijk toegelicht. In mijn toelichting van 20 januari 2016 zijn de juridische kaders uitputtend neergezet.

Kort samengevat is er in deze zaak sprake van AIVD ambtsberichten. Het daaropvolgende opsporingsonderzoek levert geen resultaten op. Cliënt wordt aangehouden maar al vrij snel weer heengezonden. Vervolgens komt hij in detentie vanwege openstaande boetes en dan wordt er een informant op hem afgestuurd. Vervolgens wordt er een infiltratietraject gestart. Mijn cliënt stelt dat hij is uitgelokt en aangezet en dat daarbij grenzen zijn overschreden. Hiervoor zijn ook concrete aanwijzingen, die liggen reeds besloten in de stukken van de formele aanvragen en bevelen van stelselmatige informatie-inwinning en politiële infiltratie. Het doel van de acties was volgens de aanvragen en bevelen om cliënt te wijzen op de omstandigheid dat er zich op dit moment een mogelijkheid voordoet om buiten de penitentiaire inrichting een grote geldsom buit te maken. De volgende stap was om cliënt met infiltranten in contact te brengen ten einde voorbereidingen te treffen tot het plegen van een gewelddadige diefstal en daarnaast in het kader van een 'vertrouwensaankoop' één of meerdere vuurwapens af te nemen van cliënt. In die formulering ligt al de instigatie als doel besloten.

(...)

Een aantal getuigen is in eerste aanleg gehoord en voor deze getuigenverzoeken geldt dus het noodzaakscriterium. In de toelichting op de onderzoekswensen van 20 januari 2016 is een hele rij onderwerpen opgenomen waarvan de verdediging meent dat de informant, de infiltranten en de begeleiders van de infiltranten daarover dienen te worden bevraagd. Het proces-verbaal van verhoor van de informant en infiltranten ten overstaan van de rechter-commissaris is summier, er zijn antwoorden belet en er blijkt uit dat niet goed is doorgevraagd.

(...)

Mijn cliënt heeft een visie op de feitelijke toedracht, maar de verdediging wenst iets van haar kruit "achter de hand te houden", zodat bepaalde vragen en stellingen niet op voorhand bekend worden bij de op ons verzoek te horen getuigen. Mijn cliënt ontkent en betwist het ten laste gelegde. Ook betwist cliënt de toedracht zoals neergelegd in verslagen op meerdere deelonderwerpen.

Een voorbeeld is dat volgens cliënt door de infiltranten op de bewuste dag in de haven in niet geringe mate alcohol zou zijn gedronken, dit heeft invloed op de taal en vertaling.

Cliënt schetst de feitelijke toedracht ook anders dan 'Sam'. Zo zou 'Sam' over Syrië zijn begonnen en niet hij. In ambtsberichten van de AIVD valt te lezen dat cliënt erg teruggetrokken zou zijn en met niemand zou praten. Dit strookt niet met het beeld van een jongen die in het huis van bewaring hele verhalen op zou hangen over wat er in Syrië zou zijn gebeurd. Hetzelfde geldt voor stellingen die zijn ingenomen door de infiltranten. Dit zijn geen irrelevante feiten, want men vreesde immers dat cliënt overvallen zou plegen ter financiering van de strijd in Syrië. Wat voor informatie hebben de informant en infiltranten gehad? Wat voor foto's zijn hen getoond? Was er sprake van een groep? De verdediging vermoedt dat alleen is ingezet op cliënt, maar wat is er met [betrokkene 1] gebeurd? Deze vragen zijn van belang voor de verdediging maar ook voor de door het hof te nemen beslissing. De wijze van verslaglegging roept vragen op en bergt het risico in zich dat een en ander al dan niet moedwillig onjuist is opgenomen. Niet alleen de aanvragen en bevelen en de stellingen van cliënt, maar ook de verklaringen van de informant en infiltranten op zichzelf bergen reeds een onderbouwing voor het standpunt van de verdediging in zich. Zo heeft 'Sam' bij de rechter-commissaris erkend dat hij heeft gezegd dat als cliënt met hem zou 'rollen' dat hij dan een mooie financiële toekomst zou hebben.

De begeleiders van de infiltranten zijn niet eerder gehoord, zodat het verdedigingsbelang van toepassing is. Deze getuigen zijn net zo belangrijk als de informant en infiltranten omdat zij ongetwijfeld meer kunnen vertellen over de gegeven instructies en de resultaten van de methodieken, zodat wij een completer beeld kunnen krijgen. Na het horen van deze getuigen zouden de informant en infiltranten kunnen worden gehoord.

(...)

Voorts deelt de voorzitter mede dat het hof, gehoord de raadsman en de advocaat-generaal, de navolgende beslissingen heeft genomen:

(...)

- Ten aanzien van het verzoek tot het opnieuw horen van de getuigen A-3678, A-2154 en A-2158 (hierna: de A-getuigen) en het verzoek tot het horen van de getuigen B-2224 en B-2225 (hierna: de B-getuigen):

Vooropgesteld dient te worden dat het hof thans - hoewel hierop zowel door de verdediging als de advocaat-generaal een voorschot is genomen - geen oordeel kan geven over de rechtmatigheid van het stelselmatige informatie-inwinningstraject en het infiltratietraject en dat het hof slechts zal beslissen in hoeverre nader onderzoek thans nodig is om op een later moment, nadat het verhoor van de verdachte heeft plaatsgevonden, te kunnen beraadslagen over die kwestie.

Het verzoek tot het horen van de A-getuigen dient te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, nu ook deze getuigen in eerste aanleg reeds door de rechter-commissaris zijn gehoord.

Het hof wijst vooralsnog het verzoek tot het horen van de A-getuigen af. Gelet op de omstandigheid dat de getuigen in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging reeds door de rechter-commissaris zijn gehoord en het dossier voorts uitvoerige processen-verbaal van bevindingen met de verslaglegging van deze informant en infiltranten bevat, is naar het oordeel van het hof het horen van deze getuigen, gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, thans niet noodzakelijk.

Het verzoek tot het horen van B-getuigen dient te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang, nu het verzoek tijdig bij appelschriftuur is gedaan en de verzochte getuigen niet eerder zijn gehoord.

Het hof wijst vooralsnog het verzoek tot het horen van de B-getuigen af. Gelet op de aan het verzoek ten grondslag gelegde motivering, valt naar het oordeel van het hof redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van voornoemde getuigen niet in zijn verdediging wordt geschaad, mede gelet op de zich in het dossier bevindende uitvoerige processen-verbaal van bevindingen van deze getuigen.

- Ten aanzien van het verzoek tot het uitluisteren c.q. bezichtigen van audio(visuele) opnamen gemaakt in het kader van het informatie-inwinnings- en infiltratietraject:

Het hof stelt vast dat de advocaat-generaal zich bereid heeft verklaard bij de politie te informeren naar de vraag of er audio(visuele) opnamen aanwezig zijn van de interacties tussen de verdachte en de informant, de verdachte en de infiltranten en de informant en infiltranten onderling.

Het hof wijst aldus het verzoek toe, in die zin dat het hof de advocaat-generaal zal verzoeken een proces-verbaal van bevindingen te laten opmaken met betrekking tot de volgende vragen:

• Zijn er van de interacties c.q. gesprekken tussen de verdachte en de informant (en, de verdachte en de infiltrant(en) en de informant(en) en infiltrant(en) onderling) audio dan wel audiovisuele opnamen gemaakt? En zo ja,

• Wat is de inhoud c.q. strekking van deze opnamen?

• Kunnen deze opnamen ter beschikking worden gesteld en in welke vorm, te weten als audio(visueel) bestand of als tekstbestand?"

- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 februari 2016:

"De voorzitter maakt melding van de volgende, nader ingekomen stukken:

- het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2016 van verbalisant WOD153, teamleider, Landelijke eenheid;

- een e-mailbericht van 26 februari 2016 van de raadsman aan de advocaat-generaal inhoudende het verzoek verbalisant WOD153, de opsteller van bovengenoemd proces-verbaal, op te roepen als getuige.

Daartoe in de gelegenheid gesteld door de voorzitter licht de raadsman zijn verzoek als volgt toe:

De inhoud van het proces-verbaal van bevindingen van 26 februari jl. wekt bevreemding op. In de context van het onderzoek is het opmerkelijk dat er geen opnamen zouden zijn gemaakt. De verdediging wenst de verbalisant die het proces-verbaal heeft opgemaakt te bevragen zodoende de juistheid van het proces-verbaal te toetsen en als hetgeen is gerelateerd juist is te vragen, waarom er geen enkele opname heeft plaatsgevonden. Het ontbreken van opnamen belemmert de waarheidsvinding in aanzienlijke mate, nu niet kan worden getoetst wat er daadwerkelijk is gezegd door de informant en infiltranten.

Het komt de verdediging voor dat dit van belang is voor de verdediging en noodzakelijk voor enig te nemen beslissing door uw hof.

(...)

Op een vraag van de voorzitter deelt de raadsman het volgende mede:

De verdediging heeft geen enkele concrete aanwijzing dat er opnamen hebben plaatsgevonden, maar bij de verdediging leeft een groot wantrouwen en ongeloof. In het dossier bevinden zich ambtsberichten van de AIVD over het vermeende uitreizen van cliënt naar Syrië. Zijn voertuig wordt vervolgens in niet geringe mate ge-ovc'd en, naar de verdediging vermoedt, over een lange periode. Niet alleen door de AIVD maar ook een periode door justitie. Er is uitvoerig getapt, alle financiële gegevens van cliënt zijn opgevraagd en hij wordt tot in Duitsland geobserveerd. Er wordt een arsenaal aan strafvorderlijke bevoegdheden ingezet, maar bij de toepassing van een dermate vergaand opsporingsmiddel, te weten infiltratie na de stelselmatige informatie-inwinning, zouden er geen opnamen zijn gemaakt? Of hetgeen is gerelateerd in het proces-verbaal van bevindingen is niet waar, het betreft echter een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, of het roept serieuze vragen op over de reden waarom. Het gaat de verdediging niet om een rechtmatigheidstoets, maar om een betrouwbaarheidstoets. Daar komt in het verlengde wel de rechtmatigheid ter sprake als het doel is geweest om de toetsing van de processen-verbaal en datgene wat er daadwerkelijk gezegd is tussen cliënt en de overheidsfunctionarissen die in dat traject betrokken zijn, te belemmeren. De ultieme wijze van waarheidsvinding is door middel van opnames. Zeker in een huis van bewaring worden opnamen gemaakt. Het is een omgeving waarin alles wordt gemonitord en er wordt op grote schaal opgenomen. In een zaak als deze, met deze aard van de feiten die ten laste zijn gelegd, waaraan een heel traject vooraf is gegaan, roept het ontbreken van opnamen vragen op. Ik kan niet hard maken dat het proces-verbaal feitelijk onjuist is, maar het roept vervolgvragen op met betrekking tot de redenen daarvan. Het komt de verdediging voor dat dat rechtmatige vragen zijn die zouden kunnen uitmonden in verweren met betrekking tot de betrouwbaarheid. Het gaat de verdediging om materiële waarheidsvinding, dus om de resultaten door toepassing van de methodieken. Niet om de methodieken an sich.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.

Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het hof het verzoek tot het horen van verbalisant WOD153 als getuige afwijst. Naar het oordeel van het hof is het horen van deze getuige niet noodzakelijk. Voorts valt redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van voornoemde getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, nu er geen concrete aanwijzingen zijn dat het proces-verbaal in strijd met de waarheid zou zijn opgemaakt.

- het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 maart 2016:

"Uiterst subsidiair zal ik de eerder gedane getuigenverzoeken ter onderbouwing van het uitlokkingsverweer voorwaardelijk herhalen."

- de bestreden uitspraak:

"Door de politie en het openbaar ministerie is aan de hand van verslagleggingen van de stelselmatige informatie-inwinning en infiltratieactie die aan de verdediging en rechters ter beschikking zijn gesteld, volledig rekening en verantwoording afgelegd. Voorts is in eerste aanleg de verdediging in de gelegenheid geweest de informant en de infiltranten te ondervragen hetgeen ook is geschied. De daarvan opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de procestukken en het hof heeft daarvan kennis genomen.

Het hof is dan ook van oordeel dat er geen noodzaak bestaat de (wederom) verzochte getuigen A-3678, A-2154, A-2158 en de begeleiders B-2224 en B-2225 te horen en wijst de voorwaardelijke verzoeken daartoe af.

Het voorwaardelijk verzoek om de verbalisant WOD153, opsteller van de processenverbaal van bevindingen van 26 februari 2016 en 7 maart 2016, wordt wederom afgewezen nu het hof het horen van deze getuige niet noodzakelijk acht. Niet aannemelijk is geworden dat de door hem opgestelde processen-verbaal in strijd met de waarheid zijn opgemaakt."

4.3.

Kort samengevat heeft het Hof bij afwijzing van de verzoeken A3678, A2154, A2158, B2224, B2225, WOD153 als getuige te horen, betrokken dat de A-getuigen reeds in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging door de Rechter-Commissaris zijn gehoord, het dossier uitvoerige processen-verbaal van bevindingen bevat met de verslaglegging van de A- en B-getuigen en voorts dat niet aannemelijk is geworden dat de processen-verbaal van verbalisant WOD153 in strijd met de waarheid zijn opgemaakt.

4.4.

Gelet hierop en in aanmerking genomen hetgeen aan de verzoeken tot het horen van de getuigen ten grondslag is gelegd, is het oordeel van het Hof - ook in het licht van de in de toelichting op het middel vermelde rechtspraak van het EHRM - niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.

4.5.

Het middel faalt.

5 Beoordeling van de middelen voor het overige

De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

6 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, V. van den Brink, E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 februari 2018.