Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1536

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
17/00491
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:984
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Voorhanden hebben wapen en munitie, art. 26.1 WWM. Vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv en bewijsuitsluiting. Hadden verbalisanten bevoegdheid inzage van het identiteitsbewijs van verdachte te vorderen ex art. 8.1 Politiewet 2012? Het Hof heeft bij de verwerping van het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer dat vordering onrechtmatig is geschied, betrokken de omstandigheid dat de verbalisanten inzage van het identiteitsbewijs van verdachte hebben gevorderd nadat deze driemaal een andere naam had opgegeven. Gelet op het p-v van bevindingen van politie, dat inhoudt dat verdachte eerst na het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs valse namen had opgegeven, is 's Hofs motivering in zoverre niet begrijpelijk. Dit gebrek in de motivering behoeft niet tot cassatie te leiden. Ook met weglating van de omstandigheid dat verdachte voorafgaande aan het vorderen van inzage van het identiteitsbewijs driemaal een andere naam had opgegeven, heeft het Hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat het vorderen van inzage van het legitimatiebewijs van verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak a.b.i. art. 8.1 Politiewet 2012. Daarbij neemt HR i.h.b. in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat verdachte omstreeks 03.15 uur is aangetroffen in een garagebox in een boxgang waarvan het de verbalisanten ambtshalve bekend was dat daar in het verleden gestolen goederen waren aangetroffen. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/999
NBSTRAF 2018/295
NJ 2018/426 met annotatie van J.M. Reijntjes
TPWS 2018/103
SR-Updates.nl 2018-0323
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 september 2018

Strafkamer

nr. S 17/00491

NA/LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 27 januari 2017, nummer 23/003303-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kleiman, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting.

2.2.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op 24 augustus 2016 te Amsterdam een wapen van categorie III onder I, te weten Zoraki M2906 9 x 17mm, en munitie van categorie III, te weten .380 volmantel rondneus, voorhanden heeft gehad."

2.3.1.

Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord gevoerd overeenkomstig de aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Deze pleitnota houdt in:

"De feiten en omstandigheden die bekend waren toen mijn cliënt werd aangehouden, waaronder de vaststelling dat hij een valse naam had opgegeven en er een vuurwapen onder het kussen van de bank bleek te liggen, zijn het directe gevolg van de vraag om zijn identiteitsbewijs.

Op het moment dat mijn cliënt om zijn identiteitsbewijs werd gevraagd was hij nog geen verdachte en het was op dat moment in het kader van de taakuitoefening van de politie redelijkerwijs niet noodzakelijk om het identiteitsbewijs van mijn cliënt te controleren (het materiële vereiste). De noodzaak hiertoe blijkt in ieder geval niet uit het proces-verbaal.

(...)

In het proces-verbaal van deze zaak staat slechts vermeld dat de verbalisanten bezig waren met surveilleren in de [a-straat] en dat zij de boxgang gingen controleren op gestolen rijwielen. Er worden in het proces-verbaal geen feiten en omstandigheden genoemd waarom de vordering van het identiteitsbewijs noodzakelijk was. De sleutel zat in de deur, er waren geen braaksporen en mijn cliënt gaf aan de eigenaar van de box te zijn. Er was geen enkele noodzaak om zijn identiteitsbewijs te vorderen.

Nu het redelijkerwijs niet noodzakelijk was om het identiteitsbewijs van mijn cliënt te controleren is er sprake van een vormverzuim, omdat er niet is voldaan aan het materiële vereiste voor het uitoefenen van de betreffende bevoegdheid."

2.3.2.

Het Hof heeft dit verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit omdat er, na bewijsuitsluiting, onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de verbalisanten zonder wettelijke grondslag de inzage van het identiteitsbewijs van de verdachte hebben gevorderd en dat de verdachte slachtoffer is geweest van willekeurig overheidsoptreden.

Er is sprake van schending van het legaliteitsbeginsel, neergelegd in artikel 1 van het Wetboek van Strafvordering, nu niet is voldaan aan de materiële vereisten voor het vorderen van inzage, zodat sprake is van opsporing op een wijze die niet in de wet is voorzien. Het zonder wettelijke grondslag vorderen van het identiteitsbewijs levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat door de schending is veroorzaakt, dient uitsluiting van het bewijs als passende reactie te volgen.

(...)

Het hof verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de politie op grond van artikel 8 van de Politiewet bevoegd is tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak.

Uit het dossier volgt dat op 24 augustus 2016 om 03:15 uur twee verbalisanten surveilleren in de [a-straat] in Amsterdam. Het is hen ambtshalve bekend dat in de boxgang, behorend bij de woningen in de [a-straat] , in het verleden gestolen goederen zijn aangetroffen. De verbalisanten zijn in het bezit van een door de woningbouwvereniging ter beschikking gestelde elektronische sleutel van de deur die toegang biedt tot de boxgang.

Nadat de verbalisanten de boxgang hebben betreden en aldaar aanwezige fietsen willen controleren, horen zij een piepje, dat overeenkomt met een sms-toon van een mobiele telefoon, vanuit een van de garageboxen. Zij zien dat de sleutel van garagebox 178 in het slot aan de buitenzijde van de deur is gestoken en dat de deur dicht is, maar ontdekken dat deze niet op slot is. Bij het openen van de deur zien zij een manspersoon op een bank in de garagebox zitten. Hij is op dat moment de veters van zijn schoenen aan het strikken. Op vragen van de verbalisanten antwoordt de man dat de garagebox van hem is en geeft hij een naam op die erg lijkt op de naam die vermeld staat op het naambordje van de bij de box behorende woning. De namen komen echter niet precies overeen. Vervolgens geeft de verdachte tot tweemaal toe een andere naam op en zegt hij zich geen geboortedatum te herinneren.

Gelet op het tijdstip waarop de verdachte in de box is aangetroffen, de sleutel in het slot aan de buitenkant van de deur van de box, het feit dat de verdachte driemaal een andere naam opgeeft en de omstandigheid dat de verbalisanten ambtshalve bekend zijn met in het verleden aangetroffen gestolen goederen in de boxgang, kan niet worden geoordeeld dat de vordering tot inzage van het identiteitsbewijs van verdachte redelijkerwijs niet noodzakelijk was ter uitvoering van de politietaak als omschreven in artikel 8 van de Politiewet 2012. Van willekeurig overheidsoptreden blijkt in de omstandigheden van dit geval niet."

2.3.3.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2016. Dit proces-verbaal houdt als verklaring van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] onder meer in:

"Op woensdagochtend 24 augustus 2016 om 03.15 uur, waren wij verbalisanten, in uniform gekleed in een opvallend dienstvoertuig aan het surveilleren in de [a-straat] te Amsterdam. Ter hoogte van perceel 178 bevindt zich de toegangsdeur welke toegang verschaft tot de boxgang die behoort bij de daar gesitueerde woningen. Het is ons, verbalisanten ambtshalve bekend, dat in deze boxgang in het verleden gestolen goederen zijn aangetroffen, meer specifiek onder andere scooters. Om deze boxgang te controleren betraden wij deze om 03.20 uur waarbij wij de toegangsdeur konden openen middels een door de woningbouwvereniging beschikbaar gestelde electronische sleutel.

Toen wij verbalisanten een aantal rijwielen wilden controleren, hoorde ik, verbalisant [verbalisant 2] een piepsignaal uit één van de boxruimten komen, dat overeenkwam met een sms-toon van een mobiele telefoon. Hierop zagen wij verbalisanten, dat aan de buitenzijde van boxnummer 178 de sleutels in het slot zaten, maar dat de deur dicht was. Hierop controleerden wij de deur welke niet op slot bleek te zijn en troffen daar naar later bleek de verdachte (...) [verdachte] (...).

Toen wij verbalisanten, vroegen of deze box hem toebehoorde verklaarde hij dat dit geval was. Hij verklaarde dat hij daar was om zijn schoenen aan te trekken om naar zijn vriendin te gaan. Hierop vroeg verbalisant [verbalisant 2] naar zijn identiteitsbewijs, [verdachte] verklaarde geen identiteitsbewijs bij zich te dragen maar dat deze in zijn woning lag, naar zijn zeggen [a-straat] 178 en dat hij deze even wilde halen. Hiervoor gaven wij geen toestemming en vroegen hem zijn naam en geboortedatum te noemen.

Hij verklaarde [betrokkene 1] te heten als voorletter L, maar [verdachte] kon geen geboortedatum produceren, zelfs niet na flinke bedenktijd. Later bleek ons verbalisanten, dat op het naambordje van de [a-straat] 178 de naam [betrokkene 1] vermeld staat. Het zou dus mogelijk kunnen zijn dat [verdachte] deze naam wel gezien maar niet goed onthouden had.

Vervolgens verklaarde hij inderdaad een valse naam op te hebben gegeven en dat hij nu zijn werkelijke naam zou geven, welke zou zijn [betrokkene 2] van [geboortedatum] -1975. Ook deze naam kwam niet in de systemen voor en [verdachte] kon ook geen adres noemen waar deze [betrokkene 2] dan zou wonen.

Hierop hebben wij verbalisanten de verdachte [verdachte] op basis van artikel 435 Sr op woensdagochtend 24 augustus 2016 om 03.30 uur aangehouden. Verbalisant [verbalisant 1] wees [verdachte] op zijn rechten en deelde hem mede niet tot antwoorden verplicht te zijn en recht had op bijstand van een advocaat voorafgaand en tijdens verhoor. [verdachte] wilde nu juist wel verklaren de valse namen te hebben opgegeven omdat zijn verblijf in Nederland illegaal is. Dat hij nu de wel de waarheid sprak en [verdachte] van [geboortedatum] -1975 genaamd was, hetgeen later inderdaad na verificatie bleek te kloppen."

2.4.

Art. 8, eerste lid, Politiewet 2012 luidt:

"Een ambtenaar van politie die is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak, is bevoegd tot het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak."

2.5.

Blijkens zijn hiervoor weergegeven overweging heeft het Hof bij de verwerping van het verweer betrokken de omstandigheid dat de verbalisanten inzage van het identiteitsbewijs van de verdachte hebben gevorderd nadat deze driemaal een andere naam had opgegeven. Gelet op het hiervoor onder 2.3.3 weergegeven proces-verbaal, dat inhoudt dat de verdachte eerst na het vorderen van inzage van een identiteitsbewijs valse namen had opgegeven, is 's Hofs motivering in zoverre niet begrijpelijk. Het middel klaagt daarover terecht.

Dit gebrek in de motivering behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Ook met weglating van de omstandigheid dat de verdachte voorafgaande aan het vorderen van inzage van het identiteitsbewijs driemaal een andere naam had opgegeven, heeft het Hof in zijn hiervoor onder 2.3.2 weergegeven overwegingen niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat het vorderen van inzage van het legitimatiebewijs van de verdachte redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitoefening van de politietaak als bedoeld in art. 8, eerste lid, Politiewet 2012. Daarbij neemt de Hoge Raad in het bijzonder in aanmerking dat het Hof heeft vastgesteld dat de verdachte omstreeks 03.15 uur is aangetroffen in een garagebox in een boxgang waarvan het de verbalisanten ambtshalve bekend was dat daar in het verleden gestolen goederen waren aangetroffen.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 september 2018.