Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:145

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
17/04689
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1503, Gevolgd
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:GHARL:2018:3472
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging schuldsanering. Toerekenbare tekortkoming schuldenaar? Vervolg op HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76. Nieuw verweer na cassatie? Monitoring aanvraag beschermingsbewind door bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/370
NJ 2018/90
RvdW 2018/241
JBPR 2018/10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2018

Eerste Kamer

17/04689

TT/IF

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster],
wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. S. Kousedghi.

Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1 Het verloop van het geding

Voor het verloop van het geding tot dusver verwijst de Hoge Raad naar:

a. het arrest in de zaak 16/02831HR van de Hoge Raad van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76;

b. het arrest in de zaak 200.220.345/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 september 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het tweede geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest en het aanvullend verzoekschrift zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Beoordeling van het middel

3.1

Dit tweede cassatieberoep heeft de volgende achtergrond.

De rechtbank Rotterdam heeft bij vonnis van 3 april 2015 een voordracht tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] afgewezen. Daartoe is overwogen dat het niet naar behoren nakomen van de informatieverplichting en het laten ontstaan van een boedelachterstand niet geheel aan [verzoekster] verwijtbaar is. De rechtbank heeft [verzoekster] een laatste kans gegeven om de schuldsaneringsregeling tot een goed einde te brengen onder de voorwaarde dat zij zo spoedig mogelijk beschermingsbewind zou aanvragen. De rechtbank heeft daarbij de bewindvoerder verzocht “nauwgezet (…) te monitoren dat schuldenares deze voorwaarde naleeft.”

In haar eindverslag heeft de bewindvoerder geadviseerd geen schone lei te verlenen. De rechtbank heeft daarop de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder verlening van een schone lei op grond van het laten ontstaan van bovenmatige nieuwe schulden en het niet aanvragen van beschermingsbewind. Het gerechtshof Den Haag heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. De Hoge Raad heeft het arrest van het gerechtshof Den Haag vernietigd op de grond dat dit hof zijn oordeel dat de geconstateerde tekortkomingen [verzoekster] kunnen worden toegerekend, onvoldoende heeft gemotiveerd doordat het hof het door [verzoekster] gestelde niet-nakomen door de bewindvoerder van haar verplichting om de aanvraag van beschermingsbewind “nauwgezet te monitoren” niet bij zijn oordeel heeft betrokken (HR 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:110, NJ 2017/76).

3.2

Het (verwijzings)hof heeft opnieuw geoordeeld dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de behoorlijke nakoming van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling en heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe als volgt overwogen:

“2.7 Het hof ziet zich (…) voor de vraag gesteld wat de bewindvoerder heeft gedaan ter uitvoering van het verzoek van de rechtbank in het vonnis van 3 april 2015 om het aanvragen door [verzoekster] van beschermingsbewind nauwgezet te monitoren en wat het doen of nalaten daartoe van de bewindvoerder betekent voor de toerekenbaarheid van het laten ontstaan door [verzoekster] van de nieuwe schulden.

2.8

De bewindvoerder heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij na het vonnis van 3 april 2015 contact heeft opgenomen met Plangroep (budgetbeheerder van [verzoekster]), dat Plangroep zich tegenover haar (de bewindvoerder) bereid heeft verklaard om [verzoekster] te helpen bij het aanvragen van beschermingsbewind en dat zij vervolgens van Plangroep heeft vernomen dat er telefonisch contact is geweest tussen Plangroep en [verzoekster] over het aanvragen van beschermingsbewind. Kort voor deze zitting heeft Plangroep (nog steeds budgetbeheerder van [verzoekster]) laten weten dat er nog steeds geen beschermingsbewind is aangevraagd. Volgens de bewindvoerder heeft [verzoekster] ook helemaal geen beschermingsbewind gewild omdat dat zou hebben betekend dat zij de huur- en zorgtoeslagen waarop zij vanwege haar inwonende zoon geen recht (meer) had, zou kwijtraken. Tijdens de schuldsaneringsregeling is [verzoekster] wel in acht brieven van het kantoor van de bewindvoerder er op gewezen dat zij vanwege de inwonende zoon de toeslagen moest stopzetten, doch alles tevergeefs, aldus de bewindvoerder.

2.9

Mr. Van der Linden [de toenmalige advocaat van [verzoekster], HR] heeft verklaard dat [verzoekster] vanwege de kosten niet ter zitting heeft kunnen verschijnen.
Er is wel telefonisch contact geweest waarin zij hem heeft laten weten dat zij geen behoefte heeft aan beschermingsbewind. Mr. Van der Linden heeft verder betwist dat de bewindvoerder de door haar gestelde inspanningen voor de beschermingsbewindaanvraag van [verzoekster] heeft verricht. Daartoe heeft hij erop gewezen dat de verslagen van de bewindvoerder niets inhouden over wat zij ter uitvoering van haar verplichting om de beschermingsbewindaanvraag te monitoren, heeft gedaan. Volgens mr. Van der Linden zou [verzoekster] omwille van de schone lei zeker hebben meegewerkt aan haar beschermingsbewind als de bewindvoerder de aanvraag daartoe correct had gemonitord.

2.10

Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat – zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 350, derde lid, Fw – uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voor de schuldenaar verplichtingen voortvloeien, die hun grond vinden in de doelstelling van die wet. Deze doelstelling komt er op neer dat natuurlijke personen die in een uitzichtloze financiële positie zijn komen te verkeren de kans moet worden geboden weer met een schone lei verder te gaan. Daar staat echter tegenover dat van de schuldenaar een actieve medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling wordt gevergd. Van het ontbreken van de vereiste medewerking kan, onder meer, sprake zijn indien de schuldenaar zijn informatie- en/of sollicitatieplicht niet nakomt, dan wel een boedelachterstand en/of bovenmatige nieuwe schulden heeft laten ontstaan.

2.11

Vast staat dat [verzoekster] tijdens haar schuldsanering substantiële nieuwe schulden heeft laten ontstaan ter zake ten onrechte ontvangen huur- en zorgtoeslagen. De vraag is of die nieuwe schulden haar kunnen worden toegerekend. Naar het oordeel van het hof moet die vraag bevestigend worden beantwoord. Dat oordeel is gebaseerd op de verklaring van de bewindvoerder ter zitting. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Het verbindt daaraan de conclusie dat de bewindvoerder wel degelijk voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag van [verzoekster]. Dat het beschermingsbewind er niet is gekomen, moet dan ook niet voor rekening van de bewindvoerder worden gebracht, maar voor die van [verzoekster] zelf. Voldoende aannemelijk is geworden dat zij vanwege haar vrees voor stopzetting van de toeslagen haar medewerking aan het aanvragen van beschermingsbewind heeft geweigerd. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat in de verslagen van de bewindvoerder van 9 december 2015 en 25 februari 2016 staat vermeld dat [verzoekster] ondanks meerdere verzoeken haar toeslagen niet heeft stopgezet.

2.12

Het hof stelt vast dat [verzoekster] toerekenbaar is tekortgeschoten in de behoorlijke nakoming van haar verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Het hof ziet geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkomingen gezien hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijven. (…).”

3.3.1

Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof in rov. 2.11 de omvang van de rechtsstrijd na verwijzing heeft miskend. Na cassatie en verwijzing heeft de bewindvoerder ter zitting de door [verzoekster] aangevoerde schending van de monitorverplichting alsnog betwist, terwijl de bewindvoerder dat in de procedure voor verwijzing had nagelaten. Het hof had hieraan ambtshalve voorbij moeten gaan, aldus het onderdeel. Voor zover het hof heeft gemeend dat het hier niet gaat om een nieuw verweer, heeft het volgens het onderdeel niet alleen het partijdebat voor verwijzing miskend, maar ook een onbegrijpelijk oordeel gegeven.

3.3.2

Het onderdeel faalt omdat het de aard van de onderhavige procedure miskent. Deze procedure betreft de vraag of een schone lei kan worden verleend. De rechter dient deze vraag ambtshalve te beantwoorden.

Van geschilbeslechting is geen sprake. De bewindvoerder is dan ook geen partij of belanghebbende in de procedure, en evenmin is de rechter bij zijn beslissing gebonden aan hetgeen de bewindvoerder in zijn advies ter zake of naderhand in de procedure naar voren brengt. In de onderhavige procedure is van het voeren van verweer door de bewindvoerder derhalve geen sprake geweest, en dus evenmin van een nieuw verweer als bedoeld in het onderdeel.

Indien de beschikbare informatie naar zijn oordeel daartoe aanleiding gaf, diende het hof ook na verwijzing zelfstandig (nader) onderzoek te doen naar de door [verzoekster] gestelde nalatigheid van de bewindvoerder om de aanvraag van beschermingsbewind ‘nauwgezet te monitoren’. Het stond het hof daarom vrij om nadere inlichtingen bij de bewindvoerder in te winnen en deze in de beoordeling te betrekken.

3.4

Onderdeel 2 bouwt voort op onderdeel 1 en faalt dus eveneens. Onderdeel 3 is ingetrokken.

3.5.1

Onderdeel 4 bevat een reeks klachten met als strekking dat het hof de zorgplicht van de bewindvoerder tot nauwgezet monitoren heeft miskend. Geklaagd wordt onder meer dat de verplichting van de bewindvoerder was bedoeld om te waarborgen dat [verzoekster] aan haar schuldsaneringsverplichtingen zou kunnen voldoen, omdat zij daartoe zelf niet in staat is. De bewindvoerder kan dus niet worden ontslagen van die monitorverplichting op de grond dat [verzoekster] haar toeslagen niet heeft stopgezet op verzoek van de bewindvoerder omdat zij die toeslagen niet wilde kwijtraken, aldus de klacht.

3.5.2

Het hof heeft in rov. 2.7 – terecht – vooropgesteld dat het diende te beoordelen wat de bewindvoerder heeft gedaan ter uitvoering van het verzoek van de rechtbank om het aanvragen van beschermingsbewind door [verzoekster] nauwgezet te monitoren, en wat het doen of nalaten daarvan van de bewindvoerder betekent voor de toerekenbaarheid van het laten ontstaan door [verzoekster] van de nieuwe schulden. Uit rov. 2.8 volgt dat de bewindvoerder heeft verklaard contact te hebben opgenomen met Plangroep, Plangroep bereid te hebben gevonden om [verzoekster] te helpen met het aanvragen van beschermingsbewind en van Plangroep te hebben vernomen dat contact was opgenomen met [verzoekster] over het aanvragen van een zodanig bewind. Voorts heeft de bewindvoerder verklaard kort voor de zitting van Plangroep te hebben vernomen dat nog steeds geen beschermingsbewind was aangevraagd.

3.5.3

Het hof heeft zijn beslissing in rov. 2.11 vooral erop gegrond dat [verzoekster] nieuwe schulden heeft laten ontstaan, en heeft uit de verklaring van de bewindvoerder afgeleid dat die schulden [verzoekster] kunnen worden toegerekend en dat de bewindvoerder voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag. Dit oordeel is onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in verband met het volgende.

Hetgeen het hof in rov. 2.8 heeft overwogen laat geen andere conclusie toe dan dat de bewindvoerder, na het benaderen van Plangroep, het tot stand komen van beschermingsbewind geheel aan Plangroep heeft overgelaten. Niet blijkt dat de bewindvoerder hierover zelf contact met [verzoekster] heeft onderhouden of zelfs opgenomen, dan wel dat en waarom het onderhouden of opnemen van een zodanig contact niet mogelijk was of niet van de bewindvoerder kon worden gevergd. Op grond van het hiervoor in 3.1 vermelde vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2015 staat echter vast dat [verzoekster] door haar leeftijd en psychische gesteldheid “niet bij machte is om haar verplichtingen na te komen”, en dat in verband hiermee het aanvragen van beschermingsbewind noodzakelijk was. De opdracht aan de bewindvoerder tot ‘nauwgezet monitoren’ moet tegen deze achtergrond worden gezien, hetgeen betekent dat ook rekening moest worden gehouden met een passieve en wellicht aanvankelijk zelfs tegenwerkende houding van [verzoekster] bij het aanvragen van beschermingsbewind. Het door de rechtbank bedoelde ‘nauwgezet monitoren’ had tot doel om, gegeven de persoonlijke gesteldheid van [verzoekster], zoveel mogelijk te bewerkstelligen dat beschermingsbewind zou worden aangevraagd. Daarom kon het hof niet volstaan met een verwijzing naar de (in rov. 2.8 vermelde) verklaring van de bewindvoerder ter zitting als onderbouwing van zijn oordeel dat die bewindvoerder “wel degelijk voldoende heeft gedaan ter monitoring van de beschermingsbewindaanvraag van [verzoekster]”.

3.5.4

Dat de nieuwe schulden niet aan [verzoekster] kunnen worden toegerekend zonder dat daarbij de vraag wordt betrokken of de bewindvoerder heeft voldaan aan haar verplichting om ‘nauwgezet te monitoren’ dat beschermingsbewind zou worden aangevraagd, volgt uit het in 3.1 vermelde arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017 (rov. 3.3.2 slot). De door het hof in rov. 2.11 in aanmerking genomen omstandigheid dat uit verslagen van de bewindvoerder van 9 december 2015 en 25 februari 2016 volgt dat [verzoekster] meermalen tevergeefs is verzocht om de toeslagen te doen stopzetten, doet daarom aan het voorgaande niet af.

3.5.5

Onderdeel 4 slaagt derhalve.

3.6

De klachten van onderdeel 5 kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.7

Onderdeel 6 bouwt voort op de eerdere onderdelen en behoeft geen afzonderlijke behandeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 september 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 2 februari 2018.