Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1431

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
16/05679
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Vordering tul, art. 14g Sr. Heeft het Hof, dat het vonnis van de Rb partieel vernietigde, beslist op vordering tul? Het Hof heeft het vonnis vernietigd "ten aanzien van de opgelegde straf", in zoverre opnieuw rechtgedaan en het vonnis "voor het overige" bevestigd. Het aldus gedeeltelijk bevestigde vonnis houdt, afgezien van beslissingen onder het opschrift 'strafoplegging' en 'benadeelde partijen', in dat de Rb de tul gelast van een aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Mede gelet op de omstandigheid dat het Hof de beslissingen t.a.v. b.p. slechts heeft herhaald omdat de door de Rb gebezigde formulering "voor onduidelijkheid kan zorgen", moet ’s Hofs beslissing aldus worden gelezen dat het zijn oordeel over de hoogte en modaliteit van de op te leggen gevangenisstraf in de plaats heeft gesteld van het door de Rb dienaangaande gegeven oordeel en dat het Hof het vonnis voor het overige heeft bevestigd, ook v.zv. daarin de tul is gelast van de aan verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf. Hierdoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen. HR verstaat de bestreden uitspraak aldus dat de vordering tot tul is toegewezen en verwerpt het beroep. HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2018:372, inhoudende dat uit ’s Hofs arrest in samenhang met het vonnis van de Rb, v.zv. bevestigd, ondubbelzinnig moet blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) zijn opgelegd en dat het in voorkomende gevallen aanbeveling verdient dat het dictum van ’s Hofs arrest een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat. CAG (anders): strekt tot partiële vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018-976
SR-Updates.nl 2018-0320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 september 2018

Strafkamer

nr. S 16/05679

EC/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 7 november 2016, nummer 20/000667-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, in welke vernietiging niet is begrepen de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van [betrokkene 1] (feit 1) en [betrokkene 2] (feit 2) en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op de vordering tot tenuitvoerlegging, althans dat onduidelijk is welke beslissing het Hof op die vordering heeft genomen.

2.2.1.

Het bestreden arrest houdt het volgende in:

"Onderzoek van de zaak

(...)

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest, en voorts dat de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden geheel moet worden toegewezen.

De advocaat-generaal heeft verder gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. De advocaat-generaal heeft daarbij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.

(...)

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en de strafmotivering.

(...)

Op te leggen straf of maatregel

(...)

Met de rechtbank stelt het hof vast dat de verdachte ook in 2008 (afpersing begaan in 2007), 2012 (poging diefstal met geweld, begaan in 2010) en in 2013 (diefstal met geweld, begaan in 2012) is veroordeeld voor vermogensdelicten met een geweldsaspect.

(...)

Het hoger beroep van de verdachte is ingesteld op 27 februari 2014. Het hof doet uitspraak op 7 november 2016, derhalve meer dan twee jaren na het instellen van hoger beroep. Dit grote tijdsverloop vindt zijn verklaring in het zeer laat horen van getuigen. Op de regiezitting van 21 augustus 2014 heeft het hof, op verzoek van de verdediging, het horen van een aantal getuigen toegewezen. Deze getuigen zijn eerst gehoord bij de raadsheercommissaris op 19 januari 2016.

Het hof is geen reden gebleken waarom de getuigen in hoger beroep pas zo laat zijn gehoord. Daarom acht het hof de redelijke termijn voor berechting in hoger beroep, die op twee jaren moet worden gesteld, overschreden met ruim acht maanden. Ter compensatie hiervan zal het hof, in plaats van de zonder termijnoverschrijding op te leggen gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, opleggen een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Anders dan de rechtbank zal het hof aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf geen bijzondere voorwaarden verbinden. Het hof overweegt daartoe dat in het reclasseringsadvies dat op 12 juli 2016 omtrent verdachte is uitgebracht, als conclusie is opgenomen dat de reclassering geen meerwaarde ziet in een toezicht, omdat verdachte voldoende handvatten heeft gekregen en zelf tijdig om hulp kan vragen, maar ook vanwege het gegeven dat zijn verblijfstitel in Nederland is ingetrokken en de uitkomst van de procedure daarover nog onzeker is.

Schadevergoeding

Het hof verenigt zich met de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Nu de redactie in het vonnis van de daarbij opgelegde schadevergoedingsmaatregelen naar het oordeel van het hof voor onduidelijkheid kan zorgen, zal het hof opnieuw de beslissingen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen opnemen."

2.2.2.

Voorts houdt de bestreden uitspraak onder het opschrift "Beslissing" het volgende in:

"Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 407,50 (vierhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 7,50 (zeven euro en vijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 1] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 407,50 (vierhonderdzeven euro en vijftig cent) bestaande uit € 7,50 (zeven euro en vijftig cent) materiële schade en € 400,00 (vierhonderd euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 356,85 (driehonderdzesenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 106,85 (honderdzes euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedragen aan materiële en immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene 2] , ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 356,85 (driehonderdzesenvijftig euro en vijfentachtig cent) bestaande uit € 106,85 (honderdzes euro en vijfentachtig cent) materiële schade en € 250,00 (tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële en de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 18 oktober 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige."

2.3.1.

Het Hof heeft blijkens het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven dictum van zijn arrest het vonnis van de Rechtbank vernietigd "ten aanzien van de opgelegde straf" en in zoverre opnieuw rechtgedaan. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank "voor het overige" bevestigd. Het aldus gedeeltelijk bevestigde vonnis van de Rechtbank houdt, afgezien van beslissingen van de Rechtbank onder het opschrift 'strafoplegging' en 'benadeelde partijen', in dat de Rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van de op 2 oktober 2012 aan de verdachte onder parketnummer 20-000689-11 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden.

2.3.2.

Mede gelet op de omstandigheid dat het Hof blijkens zijn hiervoor onder 2.2.1 weergegeven overwegingen de beslissingen ten aanzien van de benadeelde partijen slechts heeft herhaald omdat de door de Rechtbank gebezigde formulering "voor onduidelijkheid kan zorgen", moet de beslissing van het Hof aldus worden gelezen dat het zijn oordeel over de hoogte en modaliteit van de op te leggen gevangenisstraf in de plaats heeft gesteld van het door de Rechtbank dienaangaande gegeven oordeel en dat het Hof het vonnis van de Rechtbank voor het overige heeft bevestigd, ook voor zover daarin de tenuitvoerlegging is gelast van de op 2 oktober 2012 aan de verdachte opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Hierdoor komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen, zodat het niet tot cassatie kan leiden.

2.4.

Opmerking verdient nog het volgende. Een arrest waarin een hof het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk vernietigt en gedeeltelijk bevestigt, dient niet onverenigbaar te zijn met het gedeeltelijk bevestigde vonnis van de rechtbank. Voorts moet uit het arrest van het hof in samenhang met het vonnis van de rechtbank, voor zover dit is bevestigd, ondubbelzinnig blijken welke straf(fen) en/of maatregel(en) aan de verdachte zijn opgelegd. In het licht daarvan alsmede teneinde - ook met betrekking tot de tenuitvoerlegging - misverstanden te voorkomen, verdient het in voorkomende gevallen aanbeveling dat het dictum van het arrest van het hof een integrale weergave van alle opgelegde straffen en/of maatregelen bevat. (Vgl. HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:372.)

3 Beslissing

De Hoge Raad:

verstaat de bestreden uitspraak aldus dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de aan de verdachte onder parketnummer 20/000689-11 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden is toegewezen;

verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2018.