Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1428

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
18/02214
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:930
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:2802
Procedure voortgezet met: ECLI:NL:RBDHA:2018:12418
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Beschikking Hof inhoudende afwijzing verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand, art. 591a Sv. Zijn kosten rechtsbijstand van politieambtenaar die n.a.v. een incident tijdens diensttijd als verdachte is aangemerkt t.z.v. een strafbaar feit, terwijl strafzaak uiteindelijk is geseponeerd, ex art. 591a.2 Sv vatbaar voor toewijzing, indien het politiekorps de declaraties van de raadsman heeft voldaan? Afwijzing door Hof van verzoek vergoeding kosten rechtsbijstand op de grond dat geen sprake is van een situatie waarin verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen. Indien een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van art. 9a Sr, kan ex art. 591a.2 Sv aan gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat de raadsman was toegevoegd. In ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien gewezen verdachte o.g.v. een andere rechtsverhouding zo’n vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen. Volgt vernietiging in het belang van de wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0316 met annotatie van P.C. Verloop
NJB 2018/1658
RvdW 2018/970
JIN 2018/167 met annotatie van C. van Oort
NBSTRAF 2018/311
O&A 2018/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 september 2018

Strafkamer

nr. S 18/02214 CW

LBS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van het Gerechtshof Amsterdam, nummer R 000464-17, van 7 juli 2017 in de zaak van:

[betrokkene] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983.

1 Het cassatieberoep

De Advocaat-Generaal W.H. Vellinga heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking.

2 De bestreden beschikking

Bij de bestreden beschikking heeft het Hof in hoger beroep het op de voet van art. 591a Sv gedane verzoek tot toekenning van een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand afgewezen. De beschikking houdt dienaangaande het volgende in:

"2. Procesverloop

De rechter in eerste aanleg heeft het verzoek afgewezen daar de werkgever van de appellant de kosten van rechtsbijstand draagt. De kosten van rechtsbijstand zijn niet ten laste van de appellant gekomen en het door de werkgever voldoen van die kosten kan niet als een voorschot worden beschouwd. Het bepaalde in artikel 591a Sv biedt geen ruimte voor de verzochte vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Derhalve zijn er geen gronden van billijkheid aanwezig om aan de appellant de verzochte vergoeding toe te kennen.

Het hoger beroep is ingesteld namens de appellant.

Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld proces-verbaalnummer, van het onderhavige verzoekschrift en van de stukken met betrekking tot de behandeling van dit verzoek in eerste aanleg.

Het hof heeft op 23 juni 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van de appellant ter gelegenheid van de openbare behandeling van het hoger beroep in raadkamer gehoord. De appellant is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon in raadkamer verschenen.

Standpunt appellant

De advocaat van de appellant heeft het hoger beroep in raadkamer aan de hand van haar pleitnota toegelicht en - kort gezegd - betoogd dat het gerechtshof Den Bosch bij arrest van 3 november 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:4602) heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de kosten van rechtsbijstand op grond van artikel 69a, eerste lid, Besluit Algemene Rechtspositie Politie (verder: BARP) ten laste zijn gebracht van de werkgever van de appellant en de appellant in zoverre zelf geen kosten heeft gemaakt, geen beletsel vormt om aan de appellant een vergoeding voor de kosten van rechtsbijstand toe te kennen. Uit artikel 5, derde lid, Regeling tegemoetkoming rechtskundige hulp politie (verder: de Regeling) vloeit immers voort dat de appellant gehouden is om vergoeding van de kosten op grond van artikel 591/591a Sv te verzoeken en ervoor te zorgen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde tegemoetkoming toekomt aan de werkgever. Voorts heeft de advocaat verwezen naar een aantal uitspraken van de rechtbank Amsterdam, gewezen na eerdergenoemde uitspraak van het gerechtshof Den Bosch, waarbij de gevraagde vergoedingen ook werden toegekend in gevallen waarin de politie-eenheid Amsterdam de kosten van rechtsbijstand had betaald. Tenslotte heeft de advocaat aangevoerd dat uit de bij artikel 591a Sv behorende wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat de beperking dat alleen de door de appellant zelf geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt, niet geldt voor de vergoeding van de kosten van een raadsman. Ook overigens zijn er voldoende gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van de verzochte vergoeding.

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de appellant in het verzoek nu de appellant geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift, omdat de kosten van rechtsbijstand niet ten laste van de appellant zijn gekomen en daadwerkelijk door de werkgever van de appellant zijn voldaan, wat, gelet op alle van toepassing zijnde bepalingen, niet als een voorschot kan worden aangemerkt, maar als een onvoorwaardelijke tegemoetkoming dient te worden aangemerkt. Subsidiair heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bevestiging van de beschikking waarvan beroep.

3. Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.

Ontvankelijkheid appellant

Met betrekking tot het primaire standpunt van de advocaat-generaal dat de appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek, omdat hij geen belang (meer) heeft bij behandeling van het verzoekschrift overweegt het hof dat de appellant wel degelijk een belang bij behandeling van het verzoekschrift heeft, nu uit het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Regeling blijkt dat de ambtenaar in een strafrechtelijke procedure zorg draagt voor (het doen van) een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a Sv en er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor draagt dat deze vergoeding aan het bevoegd gezag toekomt.

Inhoudelijke beoordeling

De appellant, brigadier van politie, is naar aanleiding van een incident tijdens diensttijd op 11 juni 2013 als verdachte aangemerkt ter zake van zware mishandeling de dood ten gevolge hebbende, dan wel doodslag, dan wel dood door schuld.

De strafzaak tegen de appellant werd bij brief van 15 mei 2014 van het arrondissementsparket Amsterdam, Team Specialistische Maatwerkzaken, geseponeerd.

Nadat op grond van artikel 12 Sv een klacht tegen het sepot werd ingediend, wees het gerechtshof Amsterdam de klacht bij beschikking van 19 januari 2016 af, waarmee de strafzaak tegen de appellant is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Wetboek van Strafrecht (Sr).

Ten aanzien van de vraag of de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand ten laste van de appellant zijn gekomen overweegt het hof het volgende.

Bij de in de artikel 591a Sv geregelde vergoeding gaat het, blijkens de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, om die kosten die daadwerkelijk ten laste van de gewezen verdachte komen. Vaststaat dat ten behoeve van de verdediging van de appellant, mr. (...) (en diverse van haar kantoorgenoten vanwege de verbondenheid van de zaken tegen de politieambtenaren) (...) werkzaamheden heeft verricht. Genoemde advocaat heeft ter zake van de door haar (en haar kantoorgenoten) verrichte werkzaamheden declaraties op naam gesteld van en ingediend bij de politie Amsterdam-Amstelland. De politie Amsterdam-Amstelland heeft de declaraties voldaan. In beginsel betekent dit dat de bedoelde kosten niet ten laste van de appellant zijn gekomen. Dat kan anders zijn indien moet worden geoordeeld dat de kosten, hoewel feitelijk niet door de appellant gemaakt, toch als door hem gemaakte kosten zouden moeten worden gezien. In onderhavige zaak betekent dit dat moet worden beoordeeld of de kosten alsnog ten laste van de appellant komen, omdat sprake zou zijn van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp. Dat sprake is van een dergelijke voorwaardelijke tegemoetkoming kan volgen uit de bewoordingen van de daarop van toepassing wet- en regelgeving of uit anderszins door de appellant gestelde en gebleken feiten en omstandigheden.

De voor het onderhavige verzoekschrift relevante artikelen uit het BARP en de eerdergenoemde Regeling luiden (thans) als volgt:

Artikel 69a BARP:

1. Indien de ambtenaar wegens de uitvoering van de politietaak aansprakelijk wordt gesteld naar burgerlijk recht of als verdachte wordt aangemerkt naar strafrecht, kent het bevoegd gezag hem een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe, tenzij hij naar het oordeel van het bevoegd gezag opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, of grof nalatig is geweest.

(...)

4. Het bevoegd gezag kan verdere tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp staken of de tegemoetkoming in de kosten van de rechtskundige hulp terugvorderen, indien

a de aan een derde toegebrachte schade blijkens rechterlijk vonnis het gevolg is van opzettelijk onrechtmatig dan wel opzettelijk wederrechtelijk of bewust roekeloos handelen van de ambtenaar, of

b indien de ambtenaar strafrechtelijk wordt veroordeeld.

(...)

Artikel 5 Regeling:

(...)

3. In een strafrechtelijke procedure draagt de ambtenaar zorg voor een verzoek tot vergoeding van kosten op grond van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering en draagt er bij toewijzing van dit verzoek zorg voor dat deze vergoeding toekomt aan het bevoegd gezag.

(...)

In de toelichting op artikel 5 van de Regeling is het volgende opgenomen (Stcrt. 2008, 236):

'Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat de ambtenaar er zorg voor draagt dat het korps de gemaakte kosten van rechtskundige hulp achteraf vergoed krijgt van de wederpartij of de Staat in de gevallen waarin dit van toepassing is. Het bevoegd gezag wijst de ambtenaar op het bestaan van deze verplichting bij indiening van het verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

De mate waarin de ambtenaar deze bedragen afdraagt aan het korps is afhankelijk van de mate waarin de ambtenaar zijn kosten voor rechtskundige hulp vergoed heeft gekregen. Indien de vergoeding niet alle kosten dekt dan geldt de verplichting tot afdracht naar rato.

Een voorbeeld ter illustratie:

Een ambtenaar heeft vanwege een door hemzelf aangezochte advocaat € 4.800,- aan kosten. Het korps verstrekt een tegemoetkoming van € 3.600,- (overeenkomstig het lagere uurtarief van de huisadvocaat). De tegemoetkoming bedraagt daarmee 75% van de gemaakte kosten. De wederpartij wordt in een civiele procedure veroordeeld om een bedrag van € 800,- te betalen aan de ambtenaar. De ambtenaar dient van deze € 800,- een bedrag van € 600,- (is 75%) aan het korps af te dragen.'

Artikel 69a BARP kent de politieambtenaar een tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp toe. Het vierde lid van dat artikel noemt limitatief de gevallen waarin de kosten van rechtskundige hulp kunnen worden teruggevorderd. Het nalaten om een artikel 591a Sv-verzoek in te dienen of een gehele of gedeeltelijke afwijzing van een dergelijk verzoek zijn blijkens genoemde bepaling geen gronden voor terugvordering. In genoemde bepaling worden aan de tegemoetkoming in de kosten ook geen voorwaarden verbonden. Het feit dat uit artikel 5 lid 3 van de Regeling voortvloeit dat de appellant gehouden is om - in een geval als zich in deze voordoet - over te gaan tot indiening van een verzoek ex artikel 591a Sv en ervoor zorg te dragen dat bij toewijzing van het verzoek de uitgekeerde vergoeding toekomt aan diens werkgever, maakt niet dat daarom reeds sprake zou zijn van een door de werkgever verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming. Dat volgt niet uit de bewoordingen van de Regeling en ook niet uit de toelichting daarop. Ook anderszins volgt niet uit het Besluit, de Politiewet 2012 - waarop dat Besluit is gebaseerd - en de Regeling dat sprake is van een door de werkgever aan de appellant verstrekte voorwaardelijke tegemoetkoming in de kosten van rechtskundige hulp.

Gelet hierop is er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake van een situatie waarin de appellant op enigerlei wijze zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.

Nu voorts gesteld noch gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden op grond waarvan - desondanks - een vergoedingsplicht voor de Staat jegens de appellant zou kunnen worden aangenomen, dient het verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand te worden afgewezen.

Ook overigens, alle omstandigheden in aanmerking genomen, acht het hof geen gronden van billijkheid aanwezig de appellant de verzochte vergoeding ter zake van de kosten van rechtsbijstand toe te kennen."

3 Wettelijk kader

Behalve de door het Hof geciteerde voorschriften zijn bij de beoordeling van de vordering de volgende wettelijke bepalingen van belang:

- art. 591a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering:

"Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voorzover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten."

- art. 44a Wet op de rechtsbijstand:

"1. Indien een verdachte in een strafzaak is bijgestaan door een raadsman die op het moment van de verlening van rechtsbijstand is toegevoegd, wordt met uitzondering van de vergoeding van de eigen bijdrage, geen kostenvergoeding van een raadsman als bedoeld in artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering toegekend, tenzij de toevoeging, anders dan na een daartoe ingediende aanvraag, wordt ingetrokken of beëindigd.

2. In het geval op last van de rechter een raadsman is toegevoegd, wordt overeenkomstig het eerste lid geen kostenvergoeding toegekend, indien de toevoeging op of na de uitspraak van de rechter na een daartoe ingediend verzoek van de verdachte bij de rechterlijke instantie die een last heeft verstrekt, wordt ingetrokken of beëindigd."

4 Beoordeling van het middel

4.1.

Het middel komt op tegen de afwijzing door het Hof van het op de voet van art. 591a Sv gedane verzoek tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand op de grond dat geen sprake is van een situatie waarin de verzoeker zelf de kosten van rechtsbijstand heeft moeten dragen of zal moeten dragen.

4.2.

Indien een zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, kan op grond van art. 591a, tweede lid, Sv aan de gewezen verdachte uit 's Rijks kas een vergoeding worden toegekend in de kosten van een raadsman, behoudens in het zich hier niet voordoende geval dat - kort gezegd - de raadsman was toegevoegd.

4.3.

In HR 1 mei 1973, ECLI:NL:HR:1973:AB3408, NJ 1973/355 is deze bepaling aldus uitgelegd dat zij plaats laat voor het toekennen van een tegemoetkoming in (thans: vergoeding van) de door een gewezen verdachte geleden of verschuldigde kosten van een raadsman indien de gewezen verdachte krachtens een rechtsbijstandsverzekering op de verzekeraar een vordering tot vergoeding van die kosten heeft. Er bestaat geen goede grond anders te oordelen indien de gewezen verdachte op grond van een andere rechtsverhouding zo een vordering heeft op een derde, bijvoorbeeld zijn werkgever. Aan toekenning van een vergoeding staat evenmin in de weg dat de rechtsbijstandskosten door die derde worden gedragen.

4.4.

Het middel is terecht voorgesteld.

5 Slotsom

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

6 Beslissing

De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de bestreden beschikking.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, V. van den Brink, J.C.A.M. Claassens en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2018.