Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1423

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
16/06267
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:5567
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:926
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gewoontewitwassen door betalingen te doen aan spelers en trainers van voetbalvereniging in Haarlem, art. 420bis.1.b en art. 420ter Sr. Bewijsmotivering zonder verwijzing naar b.m. Werkwijze Hof t.a.v. bewijsmotivering komt in wezen hierop neer dat beslissing dat verdachte tlgd. heeft begaan, steunt op bewijsredenering waarin inhoud gebezigde b.m. zakelijk is samengevat en waarin voor redengevende f&o waarop bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar b.m. waaraan deze f&o zijn ontleend. In zo'n geval behoort verwijzing naar b.m. zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of bewezenverklaring in toereikende mate steunt op inhoud van wettige b.m. en of samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of b.m. niet zijn gedenatureerd (vgl. ECLI:NL:HR:2007:BA0424). Hof heeft - met kennelijke verwerping van het te dier zake gevoerde verweer - in bewijsvoering vooropgesteld dat "uit het dossier blijkt dat de verdachte betalingen heeft gedaan aan spelers en trainers van [de voetbalvereniging]" zonder daarbij te verwijzen naar enig b.m. waaraan het die vaststelling heeft ontleend. Gelet op hetgeen is vooropgesteld, heeft Hof daarmee bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 17/00038 en 17/00200.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1656
RvdW 2018/978
NBSTRAF 2018/293
SR-Updates.nl 2018-0318
NbSr 2018/293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

4 september 2018

Strafkamer

nr. S 16/06267

IV/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 23 december 2016, nummer 23/004962-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.J. Machielse heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het betreft de beslissingen over feit 3 en de strafoplegging, waaronder wel de schadevergoedingsmaatregel, maar niet de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij begrepen is, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2 Beoordeling van het derde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 3 bewezenverklaard dat:

"hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 30 juni 2011, te Haarlem, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft verdachte telkens geldbedragen (in totaal EURO € 545.851), verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt - met inbegrip van voetnoten - op de volgende bewijsvoering:

"Feit 3

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De verdediging heeft daartoe primair aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte betalingen aan spelers en trainers heeft gedaan, nu dit door zowel de verdachte als alle spelers en trainers wordt ontkend. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat de gelden niet van misdrijf afkomstig zijn, enerzijds omdat het geldbedrag op de bankrekening van [betrokkene 1] afkomstig is van stortingen uit Oostenrijk en het Openbaar Ministerie in een eerder strafrechtelijk onderzoek heeft vastgesteld dat deze gelden niet van misdrijf afkomstig zijn, en anderzijds omdat de voetbalclub [A] beschikte over sponsorgelden. De berekening van de Belastingdienst is bovendien niet gebaseerd op een schatting, maar op vergelijkingen, aldus de verdediging.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe gesteld dat sprake is van een vermoeden van witwassen ten aanzien van een geldbedrag van € 1.200.000 betreffende betalingen aan spelers bij [A] , en dat de verdachte voor een deel daarvan, te weten € 550.000, geen aannemelijke verklaring heeft kunnen geven die een legale herkomst inhoudt. Volgens de advocaat-generaal is ook overigens niet gebleken van legale inkomsten die een legale herkomst van dit bedrag kunnen verklaren, zodat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is van enig misdrijf.

Oordeel van het hof

Allereerst dient te worden onderzocht of de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zulks zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol.

Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het geld waarop de verdenking betrekking heeft een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte betalingen heeft gedaan aan spelers en trainers van [A] . De spelers van [A] werden betaald volgens een premiestelsel. De spelers ontvingen € 50 per wedstrijd en € 75 bij winst. De spelers werden niet betaald door de club en de betalingen zijn ook niet verantwoord in de boekhouding. Uit de berekeningen van de Belastingdienst blijkt dat met de betaling van de spelers en trainers een bedrag van € 1.201.771 (19) was gemoeid. Voor de spelers bedraagt het totale bedrag over de jaren 2007 tot en met 2011 € 969.783 (20) en voor de trainers € 231.988 (21). Naar het oordeel van het hof zijn deze berekeningen voorzien van toelichtingen waarin de uitgangspunten zijn vermeld en is tevens uitgegaan van uit de media verkregen informatie ten aanzien van wedstrijduitslagen.

Het hof stelt vast dat geen direct bewijs bestaat dat voornoemd geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Van de verdachte zijn geen legale inkomsten bekend en bij de Belastingdienst zijn van de verdachte vanaf 2006 geen inkomstengegevens bekend. De verdachte organiseerde daarnaast pokerwedstrijden waarmee opbrengsten werden behaald die voor de voetbalclub waren bestemd. Uit deze en de hiervoor genoemde omstandigheden, vloeit naar het oordeel van het hof voort dat sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan het delict witwassen.

Het hof is van oordeel dat, gelet op dit vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de geldbedragen die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken.

Uit hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht volgt dat de verdachte heeft kunnen beschikken over een geldbedrag van € 655.920 (22) in de periode van 2007 tot en met 2011 in verband met vanuit Oostenrijk gestorte bedragen op de bankrekening van de partner van de verdachte en die contant zijn opgenomen. De verdediging heeft aangevoerd dat door het Openbaar Ministerie onderzoek is gedaan naar de herkomst van dit geldbedrag en dat daarbij is geconcludeerd dat deze gelden geen criminele herkomst hebben. Naar het oordeel van het hof dient het door de Belastingdienst berekende geldbedrag van € 1.201.771 te worden verminderd met het bedrag waarover de verdachte heeft kunnen beschikken door de contante opnamen die hebben plaatsgevonden in verband met stortingen vanuit Oostenrijk op de rekening van de partner van de verdachte. Het resterende geldbedrag, waarvoor van de verdachte een verklaring mag worden verlangd, bedraagt aldus € 545.851.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de sponsoren voor de club regelde en dat deze sponsoren de betalingen hebben verricht. De verdachte heeft geen namen van sponsoren willen noemen.

Naar het oordeel van het hof kan deze verklaring op geen enkele wijze worden geverifieerd. Gelet op de omstandigheden dat de verdachte de spelers en trainers heeft betaald en hij daarvoor over een aanzienlijk onverklaarbaar vermogen heeft beschikt, mag van de verdachte worden verlangd dat hij zijn verklaring, dat de betalingen werden gedaan met sponsorgeld, onderbouwt met concrete en verifieerbare informatie.

Nu de verdachte dit heeft nagelaten en nu van de verdachte ook anderszins geen legale inkomstenbronnen aannemelijk zijn geworden, is het hof van oordeel dat de verdachte geen concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand onwaarschijnlijke verklaring heeft afgelegd over de herkomst van het geld. Al het voorgaande in overweging nemende is het hof dan ook van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor genoemde bedrag van € 545.851 dat de verdachte aan de spelers en trainers van [A] heeft betaald, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dat wist. Het verweer wordt dan ook in zijn geheel verworpen.

Voetnoten

19 ZD-F-01, map 12-2, pagina's 563 t/m 574 (bijlage 33G, kolom correcties).

20 ZD-F-01, map 12-2, pagina 555 (bijlage 32B).

21 ZD-F-01, map 12-2, pagina 560 (bijlage 32E).

22 ZD-F-01, map 12-2, pagina's 577 t/m 580."

2.3.

De werkwijze die het Hof in de onderhavige zaak heeft gevolgd ten aanzien van de bewijsmotivering, komt in wezen hierop neer dat de beslissing dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, steunt op een bewijsredenering waarin de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zakelijk is samengevat, en waarin voor de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewijsbeslissing steunt, wordt verwezen naar de bewijsmiddelen waaraan deze feiten en omstandigheden zijn ontleend. In zo'n geval behoort de verwijzing naar de bewijsmiddelen zo nauwkeurig te zijn dat kan worden beoordeeld of de bewezenverklaring in toereikende mate steunt op de inhoud van wettige bewijsmiddelen en of de samenvatting geen ongeoorloofde conclusies of niet redengevende onderdelen inhoudt dan wel of de bewijsmiddelen niet zijn gedenatureerd (vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR: 2007:BA0424, NJ 2007/387 rov. 5.6.1).

2.4.

Het Hof heeft - met kennelijke verwerping van het te dier zake gevoerde verweer - in zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven bewijsvoering vooropgesteld dat "uit het dossier blijkt dat de verdachte betalingen heeft gedaan aan spelers en trainers van [A] " zonder daarbij te verwijzen naar enig bewijsmiddel waaraan het die vaststelling heeft ontleend. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, heeft het Hof daarmee de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.T. Boerlage, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 september 2018.