Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1414

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
31-08-2018
Zaaknummer
18/02313
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:632, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:1392
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie in het belang der wet
Inhoudsindicatie

Cassatie in het belang der wet. Familieprocesrecht. Alimentatie. Laat de bijzondere regeling voor voorlopige voorzieningen tijdens de scheidingsprocedure (art. 821-826 Rv) ruimte voor het vaststellen van een voorlopige onderhoudsbijdrage voor de duur van het hoger beroep op de voet van art. 223 Rv wanneer de mogelijkheid daartoe op grond van de art. 821-826 Rv ontbreekt?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1585
PFR-Updates.nl 2018-0215
RvdW 2018/967
JIN 2018/154 met annotatie van M. Peeters
NJ 2018/411 met annotatie van Redactie, S.F.M. Wortmann
RBP 2018/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

31 augustus 2018

Eerste Kamer

18/02313

TT/EE

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

Op een vordering tot cassatie in

het belang der wet, ingesteld door de

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad

der Nederlanden en gericht tegen de

beschikking van het gerechtshof

Den Haag van 17 februari 2016,

zaaknummer 200.176.394/02.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikking in de zaken C/10/458483/FA RK 14-7121 en C/10/468175/FA RK 15-406 van de rechtbank Rotterdam van 12 juni 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.176.394/02 van het gerechtshof Den Haag van 17 februari 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de Procureur-Generaal cassatie in het belang der wet ingesteld.
De voordracht is aan deze beschikking gehecht.

De vordering van de Procureur-Generaal strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking in het belang der wet zal vernietigen, met bepaling dat de vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.

3 Beoordeling van het middel

3.1.1

Bij beschikking van 12 juni 2015 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. In dezelfde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud moet betalen van € 2.082,-- per maand, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, tot 1 december 2015. De rechtbank heeft haar beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De beschikking is op 30 oktober 2015 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.1.2

Op 16 november 2015 heeft de vrouw in het door haar ingestelde hoger beroep het hof verzocht op de voet van art. 223 Rv voor de duur van het hoger beroep een voorlopige voorziening te treffen, inhoudend dat de man vanaf 1 december 2015, althans een door het hof te bepalen datum, een bijdrage in haar levensonderhoud betaalt. In zijn beschikking van 17 februari 2016 heeft het hof voor de duur van het geding de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 december 2015 bepaald op € 2.082,-- per maand. Tegen deze beschikking is geen cassatieberoep ingesteld.

3.1.3

Bij beschikking van 14 september 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:2737) heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en, voor zover van belang, de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man voor de periode van 30 oktober 2015 tot 30 oktober 2018 bepaald op € 712,-- per maand en met ingang van 30 oktober 2018 op nihil.

3.2.1

De Procureur-Generaal heeft gevorderd de hiervoor in 3.1.2 vermelde beschikking in het belang der wet te vernietigen. Het middel is gericht tegen rov. 6 van deze beschikking, die als volgt luidt:

“6. (…) Ingevolge artikel 821 lid 1 Rv kan ieder der echtgenoten in zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in artikel 822 en 823 Rv vragen. Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het moment waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge artikel 826 Rv haar kracht verliest. Nu bij de bestreden beschikking ten laste van de man aan de vrouw een partneralimentatie van € 2.082,- per maand is toegekend met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en ter terechtzitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, kan een voorlopige partneralimentatie ingevolge artikel 822, lid 1, sub e Rv niet langer worden verzocht. Nu de vrouw mitsdien geen gebruik meer kan maken van voornoemde wettelijke mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige partneralimentatie gedurende de echtscheidingsprocedure is het hof van oordeel dat het haar vrij staat een incidenteel verzoek te doen tot het treffen van een partneralimentatie voor de duur van het geding als bedoeld in artikel 223 Rv. (…). Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Hoge Raad bij zijn uitspraak van 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) heeft geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zoals geregeld in artikel 261 Rv zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van artikel 223 Rv op verzoekschriftprocedures. Daarbij heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen, daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. De Hoge Raad heeft dan ook geoordeeld dat ook in andere gevallen in een verzoekschriftprocedure een incidenteel verzoek kan worden gedaan tot het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding overeenkomstig hetgeen artikel 223 Rv bepaalt voor dagvaardingsprocedure. Het hof is van oordeel dat uit de uitspraak van de Hoge Raad niet kan worden afgeleid dat een incidenteel verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen alleen kan worden gedaan in verzoekschriftprocedures, die geen zaak van echtscheiding en scheiding van tafel en bed betreffen. De vrouw is derhalve ontvankelijk in haar verzoek.”

3.2.2

Volgens het middel heeft het hof miskend dat de mogelijkheid om in scheidingszaken (als bedoeld in Boek 3, titel 6, afdeling 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot een uitkering tot levensonderhoud, bij uitsluiting wordt bepaald door de regeling van voorlopige voorzieningen in die afdeling (art. 821-826 Rv). Nu bij beschikking van 12 juni 2015 de echtscheiding tussen partijen was uitgesproken, die beschikking op 30 oktober 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en in die beschikking – uitvoerbaar bij voorraad – een beslissing was gegeven over de uitkering tot levensonderhoud, kon de vrouw geen gebruik meer maken van de wettelijke mogelijkheid tot het verzoeken van een voorlopige uitkering tot levensonderhoud gedurende de echtscheidingsprocedure (art. 826 lid 1, aanhef en onder c, Rv). Gelet op het exclusieve karakter van de betrokken regeling, kon tijdens de echtscheidingsprocedure evenmin op grond van de algemene regeling van art. 223 Rv een voorlopige voorziening worden getroffen, aldus het middel.

3.3.1

In zaken van echtscheiding of scheiding van tafel en bed kan iedere echtgenoot bij verzoekschrift voorlopige voorzieningen als bedoeld in de art. 822 en 823 Rv vragen (art. 821 lid 1, eerste volzin, Rv). De voorlopige voorzieningen die de rechter op grond van art. 822 Rv kan treffen, hebben betrekking op het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, het beschikbaar stellen van goederen tot dagelijks gebruik van een echtgenoot of de kinderen, de voorlopige toevertrouwing van de kinderen aan een echtgenoot en het aan deze te betalen bedrag voor hun verzorging en opvoeding, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, omgang met en informatie over de kinderen, alsmede een door een echtgenoot aan de andere echtgenoot te betalen bedrag voor diens levensonderhoud (hierna: voorlopige partneralimentatie) (art. 822 lid 1, aanhef en onder a-e, Rv).

3.3.2

Een voorlopige voorziening kan worden gevraagd tot het tijdstip waarop een zodanige voorziening, indien gegeven, ingevolge art. 826 Rv haar kracht verliest
(art. 821 lid 1, tweede volzin, Rv). Volgens de hoofdregel van art. 826 lid 1 Rv verliest een voorlopige voorziening haar kracht zodra een beschikking waarbij de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed is uitgesproken, wordt ingeschreven in de daartoe bestemde registers, of zodra de mogelijkheid daartoe vervalt. Een voorlopige voorziening betreffende het gebruik van de echtelijke woning blijft echter van kracht totdat de beslissing op een verzoek als bedoeld in art. 7:266 lid 5 BW (huurrecht woning), indien dit verzoek is gedaan, in kracht van gewijsde gaat. Voorlopige voorzieningen die op minderjarige kinderen betrekking hebben blijven, indien door de rechter in het gezag wordt voorzien, van kracht totdat het gezag overeenkomstig art. 1:253p BW is begonnen. Een voorlopige partneralimentatie blijft van kracht totdat de beslissing op een verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie als bedoeld in art. 1:157 BW (hierna: definitieve partneralimentatie), indien dit verzoek is gedaan, bij toewijzing voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt dan wel bij afwijzing in kracht van gewijsde gaat.

3.3.3

Zoals blijkt uit de (in de voordracht van de Procureur-Generaal onder 2.4-2.6 en 2.8 vermelde) parlementaire geschiedenis van de art. 821-826 Rv en de voorlopers daarvan, heeft de wetgever met deze regeling beoogd in scheidingsprocedures zowel een mogelijke leemte tussen, als een mogelijke overlapping van een voorlopige voorziening en een daarmee corresponderende definitieve voorziening te voorkomen (zie in deze zin ook HR 8 juli 1996, ECLI:NL:HR:1996:AC0478, NJ 1997/120, rov. 3.3.2).

3.3.4

In een geval als het onderhavige, waarin (i) de beslissing van de rechtbank over de definitieve partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad is verklaard en dus voor tenuitvoerlegging vatbaar is voordat deze beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, (ii) hoger beroep tegen die beslissing wordt ingesteld, en (iii) de door de rechtbank bepaalde definitieve partneralimentatie ingevolge de desbetreffende beschikking eindigt op een tijdstip waarop het hoger beroep nog aanhangig is, ontstaat, voordat de scheidingsprocedure is afgerond, een leemte in de onderhoudsvoorziening van een behoeftige echtgenoot. Immers, de door de rechtbank bepaalde definitieve partneralimentatie wordt uitvoerbaar, maar eindigt tevens voordat op het hoger beroep (over onder meer de door de rechtbank bepaalde einddatum van de alimentatie) is beslist, terwijl art. 821 lid 1 Rv in verbinding met art. 826 lid 1, aanhef en onder c, Rv tot gevolg heeft dat voor de periode tussen het eindigen van de definitieve partneralimentatie en de afloop van het hoger beroep geen voorlopige voorziening kan worden gevraagd. Hoewel dat niet een leemte is als bedoeld door de wetgever (zie hiervoor in 3.3.3; daarbij gaat het immers om de aansluiting van een voorlopige voorziening op een definitieve voorziening), betreft het wel een leemte binnen de scheidingsprocedure.

3.3.5

Aan te nemen valt dat de wetgever bij zijn keuze voor het voor tenuitvoerlegging vatbaar worden van definitieve partneralimentatie als het moment waarop de voorlopige partneralimentatie haar kracht verliest, het algemene uitgangspunt voor ogen heeft gehad dat een uitvoerbare bodembeslissing voorrang behoort te hebben boven een voorlopige voorziening. Zoals het hier aan de orde zijnde geval illustreert, leidt toepassing van dit uitgangspunt in scheidingszaken niet steeds tot een wenselijk resultaat. Een onwenselijk resultaat kan zich met name voordoen in een situatie waarin na de vaststelling van definitieve partneralimentatie, de omstandigheden zijn gewijzigd of indien daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Ook in het geval dat hier aan de orde is, is daarvan sprake, nu de hiervoor in 3.1.2 vermelde beslissing van het hof om, met toepassing van art. 223 Rv, voor de duur van de procedure in hoger beroep een voorlopige onderhoudsbijdrage te bepalen, erop berust dat de verwachting van de rechtbank dat de vrouw met ingang van 1 december 2015 door inkomsten uit arbeid volledig in haar eigen behoefte zou kunnen voorzien, niet blijkt te zijn uitgekomen.

Overigens dient te worden bedacht dat niet alleen sprake kan zijn van een leemte in de onderhoudsvoorziening van een echtgenoot indien, zoals in dit geval, de alimentatieverplichting ingevolge de beslissing in eerdere instantie eindigt op een tijdstip waarop het rechtsmiddel daartegen nog aanhangig is, maar in alle gevallen waarin de door de rechter in vorige instantie vastgestelde definitieve partneralimentatie voor de desbetreffende echtgenoot niet toereikend blijkt te zijn om daarmee (gedurende de procedure in hoger beroep of cassatie) in zijn of haar onderhoud te kunnen voorzien.

3.4.1

Het middel stelt aan de orde of in de hiervoor in 3.3.4 en 3.3.5 bedoelde leemte kan worden voorzien door de echtgenoot die het betreft de mogelijkheid te bieden om met gebruikmaking van art. 223 Rv, voor de (resterende) duur van het geding in hoger beroep, de vaststelling van een voorlopige onderhoudsbijdrage te verzoeken.

3.4.2

In zijn uitspraak van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533, NJ 2016/261, heeft de Hoge Raad overwogen (rov. 3.4) dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv op verzoekschriftprocedures, aangezien er geen aanwijzingen zijn dat de wetgever, door alleen in zaken van echtscheiding en scheiding van tafel en bed voorlopige voorzieningen wettelijk te regelen (art. 821-826 Rv), daarbuiten de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in de verzoekschriftprocedure heeft willen uitsluiten. In het geval dat in deze cassatie in het belang der wet aan de orde is, gaat het echter om een voorlopige voorziening binnen de scheidingsprocedure.

3.4.3

Aanvaarding van de mogelijkheid om binnen een scheidingsprocedure met overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv een voorlopige voorziening te treffen, staat op gespannen voet met het feit dat de wetgever met de art. 821-826 Rv voor de scheidingsprocedure heeft voorzien in een bijzondere regeling van voorlopige voorzieningen in die procedure. Hiermee is kennelijk beoogd een uitputtende regeling te treffen van voorlopige voorzieningen die kenmerkend zijn voor een scheidingsprocedure. Daarmee is niet goed te verenigen dat een dergelijke voorziening ook op de voet van art. 223 Rv zou kunnen worden gevraagd.

3.4.4

Het voorgaande klemt te meer nu de regeling van de voorlopige voorzieningen in het kader van een scheidingsprocedure aanmerkelijk afwijkt van die van art. 223 Rv. Zo blijft een voorlopige voorziening op de voet van art. 223 Rv van kracht totdat de vordering in de hoofdzaak is ingetrokken, dan wel de einduitspraak in kracht van gewijsde is gegaan. Verder heeft de wetgever voor de voorlopige voorzieningen bij scheiding ervoor gekozen gewone rechtsmiddelen tegen een op grond van art. 822 Rv gegeven beschikking uit te sluiten (zie art. 824 lid 1 Rv), maar binnen zekere grenzen wel wijziging of intrekking van zodanige beschikking mogelijk te maken (namelijk in de in art. 824 lid 2 Rv omschreven gevallen). Deze keuze berust onder meer op de wens een vlot verloop van de scheidingsprocedure te bevorderen (zie Kamerstukken II 1985/86, 19242, nr. 3, p. 4-5 en Kamerstukken II 1990/91, 21881, nr. 3, p. 8-9). Daarentegen kan van een beslissing op de voet van art. 223 Rv direct hoger beroep en cassatieberoep worden ingesteld (zie art. 337 lid 1 Rv en art. 401a lid 1 Rv).

3.5

Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.3 en 3.4.4 is overwogen is, wat betreft de in art. 822 lid 1, aanhef en onder a-e, Rv genoemde voorzieningen, geen plaats voor overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv. Het middel is dan ook gegrond.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt, in het belang der wet, de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 17 februari 2016;

verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de door partijen verkregen rechten.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, M.V. Polak, T.H. Tanja-van den Broek en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 31 augustus 2018.