Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:139

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
17/00635
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1324, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:9010, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Personen- en familierecht. Verdeling huwelijksgemeenschap. Essentiële stellingen niet behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/367
RvdW 2018/225
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2018

Eerste Kamer

17/00635

LZ/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[verzoekster] , in haar hoedanigheid van bewindvoerster over alle goederen die toebehoren aan haar moeder, [de vrouw] , wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: aanvankelijk mr. B.J. van Dorp en thans mr. S. Kousedghi,

t e g e n

[verweerster] , in haar hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van haar vader, [de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de bewindvoerster en de executeur.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. de beschikkingen in de zaken C/05/268964/ES RK 14-578 en C/05/274853/FA RK 14-4038 van de rechtbank Gelderland van 4 juni 2015 en 23 juli 2015;

b. de beschikking in de zaak 200.179.722 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2016.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de bewindvoerster beroep in cassatie ingesteld.
Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De executeur heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

3 Uitgangspunten in cassatie

3.1

Het gaat in cassatie om de verdeling van de huwelijksgemeenschap van [de man] (hierna: de man) en [de vrouw] (hierna: de vrouw), die in 2012 in gemeenschap van goederen met elkaar zijn gehuwd.

3.2.1

De rechtbank heeft, nadat in juni 2015 echtscheiding tussen de man en de vrouw was uitgesproken, bij beschikking van 23 juli 2015 onder meer bepaald dat de banksaldi op de peildatum bij helfte moeten worden verdeeld en dat de vrouw aan de man € 27.125,-- dient te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2013. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat niet in geschil is dat in november 2013 nog een bedrag van € 54.250,-- over was van het bedrag dat de vrouw heeft ontvangen uit de nalatenschap van haar ouders, dat op die verkrijging van de vrouw geen uitsluitingsclausule van toepassing is, en dat laatstgenoemd bedrag derhalve tot de gemeenschap behoort.

3.2.2

De vrouw is met haar incidentele grief 4 onder meer opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het bedrag van € 54.250,-- in de gemeenschap valt. Het hof heeft deze grief alsook de overige grieven van de vrouw en de grieven van de man verworpen en heeft de hiervoor in 3.2.1 genoemde beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

3.3

De vrouw wordt in het onderhavige geding inmiddels vertegenwoordigd door de bewindvoerster. De erfgenamen van de in de loop van het geding overleden man worden vertegenwoordigd door de executeur. De bewindvoerster en de executeur zijn te beschouwen als formele procespartij (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.2).

4 Beoordeling van het middel

4.1.1

Onderdeel I.1 van het middel klaagt dat het hof de door de vrouw in haar incidentele grief 4 aangevoerde subsidiaire stellingen niet heeft behandeld. Die stellingen houden volgens het middel in, dat indien het bedrag van € 54.250,-- in de gemeenschap valt, het resterend saldo op de peildatum moet worden verdeeld, en dat de vrouw van het bedrag van € 54.250,-- in december 2013 en in januari 2014 telkens € 5.000,-- heeft geschonken aan ieder van haar vier kinderen. Onderdeel I.2 betoogt onder meer dat de man de rechtsstrijd op dit punt heeft aanvaard. Onderdeel I.3 komt op tegen de beslissing van het hof omtrent de ingangsdatum van de wettelijke rente.

4.1.2

De vrouw heeft in hoger beroep blijkens haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel (in de punten 73 en 37, weergegeven in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.5) subsidiair aangevoerd dat het te verdelen resterende saldo op de peildatum € 14.250,-- bedroeg, aangezien zij aan ieder van haar vier kinderen in december 2013 en in januari 2014 telkens € 5.000,-- heeft geschonken. In zijn verweerschrift in het incidenteel appel heeft de man expliciet op deze stelling gereageerd (zie het citaat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.7).

4.1.3

Gelet op het hiervoor in 4.1.2 overwogene heeft het hof door de subsidiaire stellingen van de vrouw niet in zijn beoordeling te betrekken, zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. De onderdelen I.1 en I.2 zijn dus gegrond. Onderdeel I.3 behoeft geen behandeling; het in dit onderdeel aan de orde gestelde punt kan na verwijzing aan de orde komen.

4.2

Nu de onderdelen I.1 en I.2 doel treffen, slagen ook de daarop voortbouwende klachten van onderdeel II.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 november 2016;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

compenseert de kosten van het geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 2 februari 2018.