Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1321

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
30-01-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
16/00546
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2017:1640
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Feitelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting en valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) door als bestuurder van onderneming verkoopfacturen te vervalsen en o.b.v. vervalste facturen aangiften omzetbelasting in te dienen. 1. OM n-o in vervolging t.a.v. valsheid in geschrift gelet op art. 69.4 AWR, nu feit louter fiscale functie heeft en daarmee enkel vervolgbaar is via AWR. 2. OM n-o in vervolging t.a.v. beide feiten, omdat o.b.v. AWR administratie van verdachte is gevorderd terwijl reeds sprake was van verdenking ex art. 27 Sv. 3. Strafmotivering in het licht van uos en art. 359.5 Sv. HR: art. 81.1 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

30 januari 2018

Strafkamer

nr. S 16/00546

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, van 27 januari 2016, nummer 21/006211-13, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben W. de Vries en M.J. van Essen, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.

De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De raadsman W. de Vries heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het vijfde middel

2.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

2.2.

Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

3 Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze zeventien maanden en een week, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2018.