Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1318

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
16/05128
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:7628, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:121, Gevolgd
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting; art. 9 Wet OB, post b.14, letter g, van Tabel I behorende bij de Wet OB; het tegen vergoeding bieden van parkeergelegenheid nabij ingang nationaal park is zelfstandige prestatie en deelt niet als bijkomende prestatie bij het verlenen van toegang tot dat park in het verlaagde tarief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-08-2018
V-N Vandaag 2018/1730
FutD 2018-2192 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2018/1905 met annotatie van Jan Sanders jr.
V-N 2018/45.9 met annotatie van Redactie
NJB 2018/1659
NTFR 2018/1987 met annotatie van Mr. P.F. Zijlstra
Belastingadvies 2018/19.6
BNB 2018/192 met annotatie van C.J. HUMMEL
FED 2019/19 met annotatie van M.D.C. Gomes Vale Viga
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 augustus 2018

nr. 16/05128

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 september 2016, nr. 15/01353, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nr. AWB 14/2735) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting over het tijdvak 1 augustus 2012 tot en met 31 augustus 2012. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal C.M. Ettema heeft op 31 januari 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:121).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende, ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet), is beheerder van [A] (hierna: het Park).

2.1.2.

Het Park is omheind met hekken. Het kan via drie ingangen te voet, op de fiets, te paard, met het openbaar vervoer, per touringcar en met de auto worden bezocht. Belanghebbende verleent bezoekers toegang tot het Park tegen betaling van een entreeprijs, berekend per persoon.

2.1.3.

Een beperkt gedeelte van het Park is toegankelijk voor auto’s. Bezoekers die het Park met de auto wensen binnen te gaan, betalen daarvoor naast de entreeprijs een vergoeding per auto.

Aan bezoekers die met de auto naar het Park komen, maar het Park niet met de auto willen binnengaan, biedt belanghebbende bij elk van de drie ingangen tegen een afzonderlijke vergoeding gelegenheid tot parkeren op een daarvoor bestemd terrein (hierna: de parkeerterreinen). De parkeerterreinen zijn gelegen buiten de hekken van het Park.

2.1.4.

Over de in het onderhavige tijdvak (de maand augustus 2012) ontvangen vergoedingen voor het verlenen van toegang tot het Park, ook de vergoedingen die zijn ontvangen voor het binnenlaten van auto’s, heeft belanghebbende met toepassing van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet in samenhang gelezen met post b.14, letter g, van de bij de Wet behorende tabel I op aangifte omzetbelasting voldaan naar het verlaagde omzetbelastingtarief.

Over de in datzelfde tijdvak ontvangen vergoedingen voor gebruikmaking van de parkeerterreinen heeft belanghebbende op aangifte omzetbelasting voldaan naar het algemene omzetbelastingtarief.

2.1.5.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte, voor zover deze betrekking had op het bedrag dat in de aangifte was verantwoord ter zake van het bieden van parkeergelegenheid. Volgens belanghebbende moet deze dienstverlening worden aangemerkt als een bijkomende handeling bij het verlenen van toegang tot het Park en is deze daarom eveneens belast naar het verlaagde omzetbelastingtarief.

2.2.

Het Hof heeft dit standpunt van belanghebbende verworpen. Het heeft daartoe geoordeeld dat het bieden van gelegenheid tot parkeren buiten de hekken van het Park voor de modale bezoeker van het Park een doel op zich is. Naar het oordeel van het Hof is het bieden van gelegenheid tot parkeren op de parkeerterreinen daarom een zelfstandige prestatie die niet bijkomend is ten opzichte van het verlenen van toegang tot het Park en is die prestatie daarom onderworpen aan het algemene omzetbelastingtarief. Het Hof heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de bezoeker de keuze heeft tussen diverse vormen van vervoer om het Park te bereiken. Een bezoeker die met de auto komt, weet dat hij deze niet zomaar ergens kan achterlaten zodat het bieden van parkeergelegenheid voorziet in diens behoefte aan een tijdelijke bestemming voor de auto, aldus het Hof.

2.3.1.

Middel 1 is gericht tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof.

2.3.2.

Bij de behandeling van het middel dient het volgende in aanmerking te worden genomen.

Indien een belastingplichtige jegens één afnemer een of meer handelingen verricht waarin verschillende prestaties kunnen worden onderscheiden, heeft als uitgangspunt te gelden dat elk van die prestaties voor de heffing van omzetbelasting als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.

Onder omstandigheden moeten verschillende handelingen of elementen van een handeling niettemin als één enkele prestatie worden aangemerkt. Dit is in de eerste plaats het geval in de - zich hier niet voordoende – situatie waarin twee of meer handelingen of elementen van een handeling zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één ondeelbare economische prestatie vormen, waarvan splitsing kunstmatig zou zijn.

Daarnaast worden verschillende handelingen of verschillende elementen van een handeling voor de heffing van omzetbelasting als één enkele, samengestelde prestatie beschouwd wanneer een of meer elementen daarvan de hoofdprestatie vormen, terwijl andere elementen moeten worden beschouwd als een of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen. Een prestatie moet met name als bijkomend bij de hoofdprestatie worden beschouwd wanneer zij voor de klanten geen doel op zich is, maar een middel om van de hoofdprestatie van de dienstverrichter optimaal gebruik te kunnen maken (vgl. bijvoorbeeld HvJ 18 januari 2018, Stadion Amsterdam CV, C‑463/16, ECLI:EU:C:2018:22, BNB 2018/119, punt 23).

2.3.3.

De vraag of sprake is van een prestatie die gebruikmaking van de hoofdprestatie optimaal maakt, moet worden beoordeeld vanuit het perspectief van de gemiddelde afnemer van die hoofdprestatie. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet worden afgeleid dat bij die beoordeling het economische doel van de samengestelde prestatie in acht moet worden genomen, waarbij ook het belang van de afnemer van die prestatie in overweging moet worden genomen (vgl. HvJ 8 december 2016, Stock ’94, C-208/15, ECLI:EU:C:2016:936, punt 29).

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat een aanwijzing dat een prestatie bijkomend is, kan zijn gelegen in de omstandigheid dat die prestatie voor de gemiddelde afnemer van de hoofdprestatie geen afzonderlijk belang heeft ten opzichte van de hoofdprestatie (vgl. HvJ 26 mei 2016, Bookit Ltd, C-607/14, ECLI:EU:C:2016:355, punt 24). Indien binnen de kring van afnemers van de hoofdprestatie het belang bij het afnemen van de nevenprestatie onderling verschilt, vormt dat echter een aanwijzing dat geen sprake is van een bijkomende prestatie die het fiscale lot van de hoofdprestatie moet delen (vgl. HR 13 oktober 2017, nr. 15/05195, ECLI:NL:HR:2017:2598, BNB 2018/20, rechtsoverweging 2.3.3). Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat een afzonderlijke vergoeding voor de nevenprestatie wordt berekend en voor de omstandigheid dat de afnemer een keuze heeft om de nevenprestatie al of niet af te nemen.

2.3.4.

In de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof ligt besloten het – juiste - uitgangspunt dat het gebruikmaken van parkeergelegenheid voor een auto op de plaats van bestemming, voor een automobilist in beginsel een doel op zich vormt. Tevens ligt daarin besloten het oordeel van het Hof dat dit niet anders wordt in een geval als het onderhavige waarin een automobilist die het Park bezoekt, ervoor kiest zijn auto voorafgaand aan het bezoek aan het Park op een van de parkeerterreinen achter te laten. Dat laatste oordeel geeft in het licht van hetgeen hiervoor in 2.3.2 en 2.3.3 is overwogen niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voor het overige kan dat oordeel, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Dat wordt niet anders indien, zoals belanghebbende voor het Hof heeft gesteld, de parkeerterreinen alleen plegen te worden gebruikt door bezoekers van het Park. Middel 1 faalt.

2.4.

Middel 2 kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, L.F. van Kalmthout, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.