Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1311

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
17-08-2018
Datum publicatie
17-08-2018
Zaaknummer
17/03633
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:468, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:3642, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

art. 27, lid 1, AWR; reikwijdte stelplicht inspecteur bij omkering van de bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-08-2018
V-N Vandaag 2018/1734
FutD 2018-2201
V-N 2018/42.21 met annotatie van Redactie
NTFR 2018/1882 met annotatie van mr. E. Alink RB
NLF 2018/1855 met annotatie van Wendy Nent
BNB 2018/178 met annotatie van A.O. LUBBERS
FED 2018/163 met annotatie van I.L.S. IJzerman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 augustus 2018

nr. 17/03633

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2017, nr. 16/00290, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 15/1181) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 26 april 2018 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:468).

Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteert in de vorm van een eenmanszaak een coffeeshop (hierna: de coffeeshop). Voor het jaar 2007 heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 178.886 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 11.571. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 is opgelegd conform de aangifte.

2.1.2.

Na het opleggen van de aanslag is ter kennis van de Inspecteur gekomen dat in de periode tussen 19 oktober en 28 november 2007 acht keer contante bedragen zijn gestort op de bankrekening van de coffeeshop, tot een totaalbedrag van € 415.000 (hierna: de stortingen) en dat op 12 november 2007 een bedrag van € 412.939 van deze bankrekening is overgemaakt naar een notaris ter aflossing van een hypothecaire lening die rustte op een pand dat eigendom was van belanghebbende.

2.1.3.

Bij de in dit geding bestreden navorderingsaanslag is het voor 2007 aangegeven belastbaar inkomen uit werk en woning met het bedrag van de stortingen van € 415.000 verhoogd.

2.1.4.

Naar aanleiding van het tegen de navorderingsaanslag ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld, gericht op de herkomst van de stortingen. Met het oog op dat boekenonderzoek heeft de Inspecteur bescheiden bij belanghebbende opgevraagd.

2.1.5.

Aangezien belanghebbende niet volledig aan dat verzoek heeft voldaan, heeft de Inspecteur een informatiebeschikking als bedoeld in artikel 52a AWR gegeven. Tegen die beschikking is geen rechtsmiddel ingesteld.

2.2.1.

De navorderingsaanslag is in hoger beroep onder meer bestreden met de stelling dat de Inspecteur, ofschoon de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, aannemelijk dient te maken uit welke bron van inkomen de stortingen afkomstig zijn.

2.2.2.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zich op het standpunt kunnen stellen dat de stortingen afkomstig moeten zijn uit (een) niet in de aangifte IB/PVV verantwoorde bron(nen) van inkomen, en brengen de omkering en verzwaring van de bewijslast mee dat het niet aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken welke concrete activiteiten het door hem gestelde inkomen hebben opgeleverd, maar aan belanghebbende om de onjuistheid van de uitspraak op bezwaar overtuigend aan te tonen.

2.3.

Tegen het in 2.2.2 vermelde oordeel zijn de middelen gericht. Het eerste middel bestrijdt dat de Inspecteur gelet op de omkering en verzwaring van de bewijslast niet aannemelijk hoeft te maken welke bron aan de navorderingsaanslag ten grondslag ligt. Het tweede middel betoogt dat de Inspecteur ten onrechte niet heeft vermeld op welke bron van inkomen de navorderingsaanslag berust. De middelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

2.4.

In een geval als het onderhavige, waarin niet in geschil is dat de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, is uitgangspunt dat de berekening van het nagevorderde bedrag jegens de belanghebbende redelijk en dus niet willekeurig behoort te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een (navorderings)aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. (Vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, BNB 2011/206, rechtsoverweging 4.4.3).

Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten dienen te verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van de (navorderings)aanslag niet onredelijk en dus niet willekeurig is.

2.5.1.

Uit het voorgaande volgt dat de middelen falen voor zover zij tot uitgangspunt nemen dat de inspecteur in een geval waarin de bewijslast is omgekeerd en verzwaard, steeds moet stellen en aannemelijk maken welke bron van inkomen aan de (navorderings)aanslag ten grondslag ligt.

2.5.2.

De middelen falen ook voor zover zij betogen dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is omdat de Inspecteur onvoldoende aanknopingspunten zou hebben verschaft in de hiervoor in 2.4 bedoelde zin. Het oordeel van het Hof komt erop neer dat de door de Inspecteur toegepaste correctie van € 415.000 niet onredelijk en dus niet willekeurig is aangezien de Inspecteur voor de hoogte van de correctie heeft aangesloten bij de door belanghebbende zelf in 2007 gedane stortingen voor een bedrag van € 415.000, en belanghebbende er niet in is geslaagd te doen blijken dat (een deel van) deze correctie onjuist is. Daarin ligt besloten dat de Inspecteur naar het oordeel van het Hof voldoende aanknopingspunten heeft verschaft. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd (vgl. HR 29 september 1993, nr. 28202, BNB 1993/330).

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2018.