Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:125

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
02-02-2018
Zaaknummer
16/00791
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2016:71, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Antidumpingrechten; Vo. (EG) nr. 1225/2009; Vo. (EU) nr. 1331/2011; Vo. (EU) 627/2011; artt. 217, 218 en 220, lid 1, en art. 221 CDW; invoer van naadloze buizen van roestvrij staal uit China; betekenis ‘voorlopig antidumpingrecht’; heffing definitief antidumpingrecht met terugwerkende kracht; aanduiding ‘definitieve antidumpingrechten’ op het aanslagbiljet is juist; navordering van antidumpingrechten is niet beperkt tot invoeraangiften waarvoor bij de vrijgave van de goederen een zekerheid is gesteld ten bedrage van een voorlopig ingesteld antidumpingrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2018/0326 met annotatie van Arjan Wolkers
BNB 2018/83 met annotatie van G.J. van Slooten
FED 2018/86 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 02-02-2018
FutD 2018-0339
DouaneUpdate 2018-0050
DouaneUpdate 2018-0076
mr. G. van Dam annotatie in NTFR 2018/429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

2 februari 2018

nr. 16/00791

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 7 januari 2016, nr. 14/00466, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/3539) betreffende een aan belanghebbende uitgereikte uitnodiging tot betaling van antidumpingrechten. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2. Beoordeling van ’s Hofs uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

In het Publicatieblad van de Europese Unie van 30 september 2010, C 265, heeft de Europese Commissie bekend gemaakt een onderzoek in te stellen naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping van bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, ingedeeld in onder meer postonderverdeling 7304 49 93 van de Gecombineerde Nomenclatuur (hierna: de GN), van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van dat onderzoek – en in afwachting van de definitieve bevindingen daarvan - heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr. 627/2011 van 27 juni 2011, Pb L 169 van 29 juni 2011 (hierna: Vo. (EU) nr. 627/2011), met ingang van 30 juni 2011 voor een periode van zes maanden een voorlopig antidumpingrecht ingesteld voor onder meer de hiervoor bedoelde buizen en pijpen. Voor buizen en pijpen die zijn vervaardigd door niet in deze verordening met naam en vestigingsplaats genoemde ondernemingen, bedragen de voorlopige antidumpingrechten 71,5 percent van de nettoprijs, franco grens Unie. Artikel 1, lid 4, van Vo. (EU) nr. 627/2011 bepaalt dat bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van deze buizen en pijpen een zekerheid moet worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.

2.1.2.

Op 30 juni 2011 heeft belanghebbende langs elektronische weg aangifte gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van naadloze buizen van roestvrij staal, ingedeeld in postonderverdeling 7304 49 93 van de GN, van oorsprong uit China (hierna: de buizen). Deze aangifte is op diezelfde dag door de douaneautoriteiten aanvaard. Op 30 juni 2011 waren in het elektronische aangiftesysteem Sagitta van de douane nog niet de aanpassingen gedaan om uitvoering te geven aan Vo. (EU) nr. 627/2011. Na aanvaarding van de aangifte heeft de douane nog op dezelfde dag de buizen op de voet van artikel 73 van het Communautair douanewetboek (hierna: het CDW) vrijgegeven zonder zekerheid te eisen voor het voorlopige antidumpingrecht.

2.1.3.

Op 21 december 2011 is in werking getreden Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1331/2011 van de Raad van 14 december 2011 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op bepaalde naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, Pb L 336 (hierna: Vo. (EU) nr. 1331/2011). De definitieve antidumpingrechten voor buizen en pijpen die zijn vervaardigd door niet in deze verordening met naam en vestigingsplaats genoemde ondernemingen, zijn gesteld op 71,9 percent van de nettoprijs, franco grens Unie.

2.1.4.

Naar aanleiding van een controle achteraf van de hiervoor in 2.1.2 bedoelde aangifte heeft de Inspecteur bij brief van 9 januari 2013 aan belanghebbende zijn voornemen kenbaar gemaakt haar een uitnodiging tot betaling te doen uitreiken ten bedrage van € 76.054,38 omdat voor de buizen op de aanvaardingsdatum “71,9% antidumpingrecht” was verschuldigd. In dezelfde brief heeft hij belanghebbende in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze daarop kenbaar te maken.

Naar aanleiding van de daarop van belanghebbende ontvangen reactie heeft de Inspecteur bij brief van 25 januari 2013 een gewijzigde kennisgeving gestuurd, waarin onder meer het volgende is vermeld:

“(…)

2. Ik deel uw mening dat mijn kennisgeving ten onrechte uitgaat van 71,9% omdat dit definitief antidumpingrecht betreft dat per 21 december 2011 verschuldigd is. Deze situatie betreft definitieve inning van 71,5% aan voorlopig antidumpingrecht. Voor de aangegeven douanewaarde bedraagt derhalve het antidumpingrecht € 75.631,27.”

2.1.5.

Bij de onderhavige uitnodiging tot betaling, gedagtekend 8 februari 2013, is van belanghebbende een bedrag van € 75.631,27 geheven onder vermelding van “Definitieve antidumpingrechten”.

2.2.1.

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur op het aanslagbiljet ten onrechte de door belanghebbende verschuldigde voorlopige antidumpingrechten heeft aangeduid als definitieve antidumpingrechten en dat de Inspecteur ten onrechte in bezwaar, beroep en hoger beroep in die opvatting heeft volhard. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 november 2002, nr. 37388, ECLI:NL:HR:2002:AE9616, BNB 2003/45, en in aanmerking nemende dat tussen partijen reeds vóór het uitreiken van de uitnodiging tot betaling was afgestemd dat – zo navordering mogelijk was - het voorlopige antidumpingrecht diende te worden nagevorderd, heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat deze onjuiste aanduiding van het belastingmiddel evenwel niet leidt tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling.

2.2.2.

Het Hof heeft voorts verworpen het standpunt van belanghebbende dat navordering van voorlopige antidumpingrechten niet mogelijk is indien het stellen van zekerheid voorafgaand aan de vrijgave van de buizen achterwege is gebleven. Naar het oordeel van het Hof was de Inspecteur op grond van artikel 217, lid 1, tweede alinea, onder a, van het CDW in samenhang gelezen met artikel 218, lid 2, tweede alinea, van het CDW gehouden tot boeking van de douaneschuld over te gaan binnen twee maanden na het tijdstip waarop Vo. (EU) nr. 1331/2011 is bekendgemaakt, te weten 20 december 2011. Aangezien de Inspecteur de onderwerpelijke douaneschuld na 20 februari 2012 heeft geboekt, was hij op grond van artikel 220, lid 1, van het CDW gehouden over te gaan tot een boeking achteraf. In deze wettelijke systematiek komt, aldus het Hof, geen betekenis toe aan de omstandigheid dat op het moment van het ontstaan van de douaneschuld geen zekerheid is gesteld.

2.3.

Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 weergegeven oordelen van het Hof en herhaalt daartoe het voor het Hof gehouden betoog dat de onjuiste aanduiding “Definitieve antidumpingrechten” op het aanslagbiljet tot gevolg moet hebben dat de uitnodiging tot betaling wordt vernietigd. Bovendien betoogt het middel dat navordering niet mogelijk is, omdat in dit geval geen zekerheid is gesteld.

2.4.

Met betrekking tot het middel wordt het volgende vooropgesteld.

2.4.1.

Op grond van artikel 1, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap, Pb L 343 (hierna: Vo. (EG) nr. 1225/2009), wordt een antidumpingrecht toegepast op ieder product ten aanzien waarvan dumping plaatsvindt, wanneer het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen daarvan schade veroorzaakt.

2.4.2.

Aan het instellen van een antidumpingrecht gaat onderzoek naar het bestaan, de omvang en de schade van dumping vooraf. Indien na opening van dat onderzoek voorlopige bevindingen wijzen op dumping en daaruit voortvloeiende schade voor een bedrijfstak van de Unie, is de Commissie op grond van artikel 7 van Vo. (EG) nr. 1225/2009 bevoegd om in het belang van de Unie ter voorkoming van verdere schade door dumping voor die bedrijfstak, een voorlopige maatregel te treffen in de vorm van een voorlopig recht. Dit in afwachting van de definitieve uitkomsten van het onderzoek naar het bestaan, de omvang en de schade van dumping voor de bedrijfstak binnen de Unie. Het voorlopige recht wordt bij verordening van de Commissie (hierna: de voorlopige verordening) ingesteld en heeft een beperkte looptijd (vgl. artikel 7, lid 7, van Vo. (EG) nr. 1225/2009) van maximaal negen maanden. Gedurende de looptijd van de voorlopige verordening moet voor de vrijgave van de desbetreffende producten voor het vrije verkeer een zekerheid worden gesteld voor het voorlopige recht (zie artikel 7, lid 3, van Vo. (EG) nr. 1225/2009).

2.4.3.

Artikel 10 van Vo. (EG) nr. 1225/2009 - welke bepaling het kopje ‘terugwerkende kracht’ draagt - bepaalt in het tweede lid dat de Raad beslist welk deel van een voorlopig recht definitief moet worden geïnd, ongeacht of een definitief antidumpingrecht dient te worden ingesteld. Het instellen van een antidumpingrecht geschiedt bij verordening van de Raad (hierna: definitieve verordening). Indien de Raad de bevindingen van de Commissie overneemt dat gedurende de looptijd van de voorlopige verordening sprake is geweest van dumping en schade, dan stelt de Raad een antidumpingrecht in dat geldt – met terugwerkende kracht – voor de producten die werden ingevoerd gedurende de geldigheidsduur van de voorlopige verordening. Is het definitieve antidumpingrecht hoger dan het bij de voorlopige verordening ingestelde antidumpingrecht, dan wordt het verschil ten aanzien van deze producten niet geïnd. Is het definitieve recht lager dan het voorlopige recht, dan wordt het recht ten aanzien van deze producten opnieuw berekend. Aldus heeft de voorlopige verordening voorzien in een rechtsgrond voor de zekerheidstelling.

2.4.4.

Dit een en ander betekent dat - anders dan het Hof heeft geoordeeld - bij een definitieve verordening een antidumpingrecht wordt ingesteld dat ook van toepassing wordt ter zake van producten die gedurende de looptijd van de voorlopige verordening zijn ingevoerd. Dat in een definitieve verordening wordt bepaald dat bedragen die als zekerheid zijn gesteld in het kader van een voorlopige maatregel, geheel of gedeeltelijk definitief moeten worden geïnd, vloeit logisch voort uit de omstandigheid dat aan de definitieve instelling van een antidumpingrecht een voorlopig recht ter voorkoming van verdere schade door dumping is voorafgegaan.

2.5.

Blijkens overweging 80 van de considerans van Vo. (EU) nr. 1331/2011 heeft de Raad de door de Commissie in Vo. (EU) nr. 627/2011 voorlopig neergelegde bevindingen over bestaande dumping en schade bevestigd en blijkens de overwegingen 85 tot en met 95 tevens besloten de door de Commissie ingestelde voorlopige maatregel tegen dumping van buizen en pijpen van oorsprong uit China definitief te maken met de instelling van een antidumpingrecht (71,9 percent). Aangezien de Commissie het voorlopige antidumpingrecht op 71,5 percent had gesteld, is - gelet op artikel 10, lid 3, van Vo. (EG) nr. 1225/2009 - voor de buizen een definitief antidumpingrecht verschuldigd van 71,5 percent.

De door de Raad aldus vastgestelde en met ingang van 30 juni 2011 geldende definitieve antidumpingrechten worden ingevolge artikel 1, lid 4, van Vo. (EU) nr. 1331/2011 ingevorderd volgens de geldende bepalingen inzake douanerechten. Daarbij geldt dat navordering van definitieve antidumpingrechten niet is beperkt tot producten waarvoor eerder bij de vrijgave een zekerheid is gesteld.

2.6.

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Hetgeen hiervoor in 2.4 en 2.5 is overwogen, betekent immers dat de Inspecteur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de buizen, die zijn ingevoerd gedurende de geldigheidsduur van Vo. (EU) nr. 627/2011, definitieve antidumpingrechten zijn verschuldigd, en dat de vermelding van zodanige rechten op het aanslagbiljet dus geen onjuiste aanduiding is. Het betekent voorts dat de Inspecteur deze definitieve antidumpingrechten op de voet van artikel 201 van het CDW in samenhang gelezen met artikel 220, lid 1, van het CDW van belanghebbende heeft kunnen navorderen. De beslissing van het Hof de uitnodiging tot betaling te handhaven is derhalve juist, wat er zij van de daartoe gebezigde gronden.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt, P.M.F. van Loon, M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.