Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1211

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/04463
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:526, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1704, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Procesrecht. Verdeling gemeenschap. Verdeling vermogensbestanddelen zonder verrekening van de waarde; verbod van reformatio in peius.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2018

Eerste Kamer

17/04463

LZ/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. C.S.G. Janssens,

t e g e n

[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. C.G.A. van Stratum.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaak en C/10/456610 FA RK 14-6320 en C/10/462996 FA RK 14-9139 van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2015, 23 december 2015 en 14 juli 2016;

b. de beschikking in de zaak 200.201.470/01 van het gerechtshof Den Haag van 21 juni 2017.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en verwijzing.

De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 8 juni 2018 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn op 31 oktober 2002 met elkaar gehuwd te Yoğurtlu, Turkije. Zij hebben twee minderjarige kinderen.

(ii) De vrouw exploiteert samen met haar zuster een aantal ondernemingen door middel van verschillende vennootschappen (hierna gezamenlijk: de ondernemingen van de vrouw). Partijen houden ieder 50% van de aandelen in die vennootschappen. Tussen de vrouw en de vennootschappen bestaan rekening-courant verhoudingen.

(iii) De man exploiteerde de onderneming [A] in de vorm van een eenmanszaak (hierna: de onderneming van de man).

3.2.1

De vrouw heeft een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Daarbij heeft zij onder meer verzocht de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap te verdelen.

3.2.2

De rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2015 de echtscheiding uitgesproken. In haar eindbeschikking heeft de rechtbank de ondernemingen van de vrouw aan de vrouw toebedeeld onder de verplichting tot verrekening met de man van de helft van de waarde van die ondernemingen per peildatum. Ten aanzien van de onderneming van de man heeft de rechtbank beslist dat de waarde daarvan op de peildatum tussen partijen dient te worden verdeeld.

3.2.3

Het hof heeft bepaald dat de aandelen in de ondernemingen van de vrouw aan de vrouw worden toebedeeld, dat de activa die behoren tot de onderneming van de man aan de man worden toegedeeld, dat de schulden van laatstgenoemde onderneming door de man als eigen schulden moeten worden voldaan, onder vrijwaring van de vrouw, en dat partijen ter zake van deze toedelingen over en weer niets van elkaar te vorderen hebben. Het hof overwoog daartoe:

“21. Het hof is gebleken dat de man in eerste aanleg aan de rechtbank onder meer heeft gevraagd de waarde van de ondernemingen te laten bepalen door een deskundige. Een deskundigenonderzoek heeft vervolgens niet plaatsgevonden, omdat de man zei de helft van het voorschot voor de deskundige niet te kunnen voldoen. Beide partijen hebben nu aangegeven geen deskundigenbenoeming te wensen. De waarde kan derhalve niet worden vastgesteld nu een deskundigenonderzoek is uitgebleven en partijen de waardebepalingen van elkaar over en weer blijven betwisten. Het hof is op basis van de overgelegde stukken van oordeel dat de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een latente belastingaanslag inzake de onderneming [A] , zodat daarmee geen rekening wordt gehouden. De vrouw wil de ondernemingen niet onverdeeld laten. In het licht van bovengenoemde omstandigheden acht het hof het het meest aangewezen dat de aandelen in de ondernemingen [B] B.V., [C] B.V., [D] B.V. en [E] B.V. aan de vrouw worden toegedeeld; de activa die behoren tot de onderneming [A] worden aan de man toegedeeld, met bepaling dat de man de schulden van deze onderneming als eigen schulden moet voldoen onder vrijwaring van de vrouw. Deze toedeling vindt plaats met gesloten beurzen, dus zonder verrekening van de waarden. Het hof zal aldus beslissen.”

3.3

De onderdelen 1 en 2 klagen onder meer dat het hof wat betreft de verdeling van de ondernemingen van de vrouw respectievelijk de onderneming van de man het verbod van reformatio in peius heeft geschonden door in het door de man ingestelde hoger beroep een voor hem ongunstiger beslissing te nemen dan de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg, althans zijn beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd.

3.4

Deze klachten treffen doel. Uitsluitend de man is in hoger beroep opgekomen tegen de beslissingen van de rechtbank waarbij de ondernemingen van de vrouw aan de vrouw en de onderneming van de man aan de man zijn toegedeeld, telkens tegen verrekening van de helft van de waarde ervan. Wat betreft de ondernemingen van de vrouw heeft de man aangevoerd dat die ondernemingen € 86.000,-- waard zijn. Hij heeft voorgesteld de aandelen van de vrouw over te nemen tegen betaling van € 43.000,-- (na belastingen € 32.250,--). Ten aanzien van de onderneming van de man heeft de man aangevoerd dat deze inmiddels was gestaakt en geen waarde had. De vrouw heeft de desbetreffende grieven bestreden en haar reeds in eerste aanleg ingenomen stellingen dat de ondernemingen van de vrouw € 43.000,-- waard zijn en de onderneming van de man € 135.000,--, gehandhaafd.

Tegen de achtergrond van dit processuele debat stond het het hof niet vrij om de ondernemingen van de vrouw zonder verrekening van de waarde aan de vrouw toe te delen en de onderneming van de man zonder verrekening van de waarde aan de man, althans is die beslissing onvoldoende gemotiveerd. De omstandigheid dat het hof de waarde van de ondernemingen van de vrouw en de waarde van de onderneming van de man niet kon vaststellen, maakt dit niet anders. Deze omstandigheid had het hof ertoe kunnen brengen de grief van de man tegen de beslissing van de rechtbank te verwerpen, maar het hof kon niet de onderhavige beslissing in de plaats stellen van die van de rechtbank. Niet kan immers worden uitgesloten, gelet op de onbekendheid van de waarde van de ondernemingen, dat deze wijziging een verslechtering voor de man inhoudt ten opzichte van de beslissing van de rechtbank; indien het hof ervan is uitgegaan dat van een dergelijke verslechtering geen sprake was, heeft het zijn beslissing onvoldoende gemotiveerd.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshofDen Haag van 21 juni 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 13 juli 2018.