Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1203

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/05454
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:4421, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. Uitleg ‘fout’ in de zin van die bepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 13-07-2018
V-N Vandaag 2018/1516
FutD 2018-1907 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2018/39.25 met annotatie van Redactie
NLF 2018/1591 met annotatie van Tom Noë
NTFR 2018/1693 met annotatie van Mr. M.B. Weijers
Belastingblad 2018/333 met annotatie van J.P. Kruimel
Belastingadvies 2018/16-17.1
BNB 2018/152 met annotatie van F.J.P.M. Haas
FED 2018/135 met annotatie van I.L.S. IJzerman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2018

nr. 17/05454

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 12 oktober 2017, nrs. 15/00429, 15/00462 en 15/00463, op de hoger beroepen van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 12/6681 tot en met 12/6683) betreffende een aan belanghebbende over het jaar 2007 opgelegde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Eind juni 2009 is bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld over de periode 2005 tot en met 2007. De controlerend ambtenaar heeft verzuimd bij aanvang van het boekenonderzoek de automatische afdoening van de aangiften in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) te blokkeren.

2.1.2.

Op 11 december 2009 heeft belanghebbende niet eerder aangegeven buitenlands vermogen vrijwillig gemeld (hierna: de vrijwillige verbetering).

2.1.3.

De primitieve aanslag IB/PVV voor het jaar 2007 is opgelegd op 5 februari 2010 (hierna: de aanslag). Daarin is geen rekening gehouden met bevindingen uit het boekenonderzoek en met de vrijwillige verbetering.

2.1.4.

Met dagtekening 23 oktober 2010 is in verband met de vrijwillige verbetering een navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 opgelegd (hierna: de eerste navorderingsaanslag). Ook daarin is geen rekening gehouden met de bevindingen uit het boekenonderzoek.

2.1.5.

Met dagtekening 2 december 2011 is een tweede navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2007 opgelegd ter zake van genoten inkomen uit aanmerkelijk belang en resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: de tweede navorderingsaanslag). De tweede navorderingsaanslag is opgelegd naar aanleiding van bevindingen uit het boekenonderzoek.

2.2.1.

Voor het Hof was onder meer in geschil of de tweede navorderingsaanslag mocht worden opgelegd.

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de omstandigheid dat de Inspecteur in de eerste navorderingsaanslag slechts het inkomen in verband met de vrijwillige verbetering heeft begrepen, het gevolg is van de keuze van de Belastingdienst de behandeling van de (navorderings)aanslagen IB/PVV van belanghebbende bij twee verschillende eenheden van de Belastingdienst te beleggen. Het daarmee verband houdende verzuim van de controlerend ambtenaar om in de computersystemen van de Belastingdienst vast te leggen dat er een boekenonderzoek liep, dient daarom voor rekening en risico te blijven van de Inspecteur, aldus het Hof. Het Hof heeft de betreffende onjuistheden aangemerkt als een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht, zodat geen sprake is van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR die navordering rechtvaardigt.

2.3.1.

Tegen dit oordeel voert het middel onder meer aan dat het Hof het abusievelijk niet vermelden van het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst ten onrechte heeft aangemerkt als een gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht in de feiten.

2.3.2.

Bij de beoordeling van het middel wordt vooropgesteld dat op grond van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR navordering mogelijk is indien te weinig belasting is geheven doordat een belastingaanslag ten gevolge van een fout tot een te laag bedrag is vastgesteld, en dit voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is. Van dit laatste is volgens deze bepaling in elk geval sprake indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent bedraagt van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.

2.3.3.

Uit de parlementaire behandeling van het in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR opgenomen voorschrift moet worden afgeleid dat het begrip ‘fout’ in deze bepaling neutraal en ruim is bedoeld, en dat daaronder moet worden verstaan elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld.

De wetgever heeft met de introductie van deze regeling echter niet willen breken met de voorheen ontwikkelde rechtspraak over beoordelingsfouten van de inspecteur. Die rechtspraak houdt in dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is indien een aanslag te laag is vastgesteld als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van de) belastingplicht of van een onjuist inzicht van de inspecteur in het recht. Een dergelijke beoordelingsfout kan niet op basis van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR worden hersteld, ook niet indien zij voor de belastingplichtige kenbaar was (zie HR 15 juni 2018, nr. 17/01894, ECLI:NL:HR:2018:797).

2.3.4.

Dat de controlerend ambtenaar in het onderhavige geval heeft nagelaten het boekenonderzoek in het computersysteem van de Belastingdienst te vermelden, is aan te merken als een fout in de ruime en neutrale zin die aan dat begrip toekomt in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (vgl. HR 27 juni 2014, nr. 13/02194, ECLI:NL:HR:2014:1529, BNB 2014/202 en HR 27 juni 2014, nr. 14/00350, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014/203). Dat bij het opleggen van de eerste navorderingsaanslag geen rekening is gehouden met de bevindingen uit het boekenonderzoek, is het gevolg van het achterwege blijven van deze vermelding. Aldus is de eerste navorderingsaanslag tot een te laag bedrag vastgesteld als gevolg van een fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, die navordering rechtvaardigt. Daaraan doet niet af dat de eerste navorderingsaanslag, anders dan de aanslag, niet geautomatiseerd is afgedaan. Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling.

2.4.

Uit het hiervoor in 2.3.4 overwogene volgt dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven. Verwijzing moet volgen.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart het beroep in cassatie gegrond,

vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissingen ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2006, de daarmee verband houdende boetebeschikking en heffingsrentebeschikking, en behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht, de proceskosten en de schadevergoeding, en

verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren P.M.F. van Loon, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.