Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1180

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
17/04947
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:519, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:2162, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Beschikking
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Pensioenrecht. Tussen twee huwelijken van partijen opgebouwde pensioenaanspraak (waarop Wvps van toepassing is) is afgekocht, en afkoopsom is tijdens huwelijk geïnvesteerd in een gemeenschappelijke woning. Vergoedingsrecht jegens huwelijksgemeenschap voor afkoopbedrag?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0188
V-N Vandaag 2018/1840
NJB 2018/1527
Viditax (FutD), 04-09-2018
FutD 2018-2363
RvdW2018/893
V-N 2018/49.3 met annotatie van Redactie
PJ 2018/147
Belastingadvies 2018/22.3
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13 juli 2018

Eerste Kamer

17/04947

TT/MD

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[de man],
wonende te [woonplaats], Frankrijk,

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand,

t e g e n

[de vrouw],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de man en de vrouw.

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de beschikkingen in de zaken C/09/500318, C/09/478849 en C/09/499509 van de rechtbank Den Haag van 2 juli 2015, 15 januari 2016 en 4 juli 2016;

b. de beschikking in de zaak 200.200.506/01 van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2017.

De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging en tot afdoening als onder 3.27 voorgesteld.

3 Beoordeling van de middelen

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) Partijen zijn tweemaal met elkaar gehuwd geweest.
Het eerste huwelijk werd gesloten op 11 maart 1978 en ontbonden op 12 juli 2005. Het tweede huwelijk werd gesloten op 1 februari 2010 en ontbonden op 18 september 2015.

(ii) In beide huwelijken heeft tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestaan.

(iii) In de periode tussen beide huwelijken heeft de man pensioen opgebouwd.

(iv) In april 2010 heeft de man pensioenrechten afgekocht. Ter zake van de hiervoor onder (iii) bedoelde periode is hem een afkoopsom van € 64.953,-- uitgekeerd (hierna: de afkoopsom).

(v) De man heeft het uitgekeerde bedrag laten storten op een bankrekening die op zijn naam was gesteld.

(vi) Het uitgekeerde bedrag is vervolgens aangewend om een woning in Frankrijk te kopen. Deze woning is gemeenschappelijk eigendom van partijen.

3.2

De vrouw heeft in de onderhavige (tweede) echtscheidingsprocedure onder meer verdeling en verrekening van de gemeenschap van goederen verzocht. Ook heeft zij verzocht te bepalen dat de man aan haar een gebruiksvergoeding voor hun woning in Frankrijk zal betalen zolang die woning nog niet is overgedragen aan een derde dan wel volledig aan de man. Voor zover in cassatie van belang, heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de woning in Frankrijk grotendeels is gefinancierd met de afkoopsom, en dat hem daarom een vergoedingsrecht toekomt voor een bedrag van € 64.953,--.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de man geen vergoedingsrecht toekomt met betrekking tot de in de woning in Frankrijk geïnvesteerde afkoopsom. Voorts heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw inzake de gebruiksvergoeding afgewezen.

3.3.1

Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd voor zover daarin het verzoek van de man om rekening te houden met de in de woning in Frankrijk geïnvesteerde afkoopsom is afgewezen. Met betrekking tot de gebruiksvergoeding heeft het hof de beschikking van de rechtbank vernietigd en geoordeeld dat de man voor het gebruik van de woning een vergoeding van € 75,-- per maand aan de vrouw dient te betalen.

3.3.2

Het hof heeft zijn oordeel over de geïnvesteerde afkoopsom (in rov. 24 bepaald op een bedrag van € 64.593,--) als volgt gemotiveerd:

“26. (…). Volgens vaste rechtspraak hangt het antwoord op de vraag of een goed op de voet van artikel 1:94 lid 3 BW op enigerlei wijze aan een der echtgenoten is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Sprake is van een aan de man toegekende afkoopsom van ouderdomspensioen. In de Pensioenwet wordt ouderdomspensioen gedefinieerd als een geldelijke uitkering, die vast of variabel is, voor de werknemer of de gewezen werknemer bij wijze van inkomensvoorziening bij ouderdom (artikel 1). Bij de beantwoording van de vraag of deze afkoopsom in de huwelijksgemeenschap valt, moet naar het oordeel van het hof – in navolging van de jurisprudentie van de Hoge Raad over aanspraken op een stamrechtuitkering (vgl. Hoge Raad 24 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1293) – een onderscheid worden gemaakt tussen het deel van de afkoopsom dat ziet op vervanging van de pensioenaanspraken over de periode vóór en dat deel van de afkoopsom dat ziet op de vervanging van de pensioenaanspraken na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Dat laatste deel van de afkoopsom valt naar het oordeel van het hof niet in de gemeenschap. Het hof kan op basis van de overgelegde stukken en de standpunten van partijen niet vaststellen of en in hoeverre dat het geval is. Voor dat deel van de afkoopsom dat ziet op pensioenaanspraken na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap en dat derhalve verknocht is, geldt dat de man dit heeft geïnvesteerd in de woning in Frankijk, waarvan niet ter discussie staat dat die woning gemeenschappelijk is, waardoor er op grond van artikel 1:95 lid 2 BW een vergoedingsrecht (reprise) van de man is ontstaan op de gemeenschap. Nu het vergoedingsrecht is verkregen voor 1 januari 2012 geldt dat de man een nominaal vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap. Het vergoedingsrecht is een schuld van de gemeenschap die door ieder van partijen voor de helft moet worden gedragen. Nu het hof de hoogte van dit vergoedingsrecht niet kan vaststellen, zal de grief van de man worden verworpen en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen (…).”

3.3

Middel I klaagt onder meer dat het hof ten onrechte het door de man gepretendeerde vergoedingsrecht heeft bepaald op een bedrag van € 64.593,-- in plaats van € 64.953,--. Deze klacht is gegrond. Het door het hof genoemde bedrag berust klaarblijkelijk op een vergissing.

3.4.1

Middel I richt voorts vanuit verschillende invalshoeken klachten tegen het oordeel van het hof dat aan de man geen vergoeding toekomt voor het bedrag van de afkoopsom. Deze klachten, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, slagen. Daartoe wordt het volgende overwogen.

3.4.2

Tussen partijen staat vast dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 342; hierna: Wvps) op hun (tweede) echtscheiding van toepassing is. De pensioenrechten van de man waarop deze wet van toepassing is, vallen niet in de gemeenschap van goederen (art. 1:94 lid 2, aanhef en onder b, (oud) BW). Krachtens de Wvps worden uitsluitend pensioenrechten die tijdens het huwelijk zijn opgebouwd, verevend. De pensioenrechten die de man in de periode tussen beide huwelijken heeft opgebouwd, worden dus niet op de voet van deze wet verevend (art. 2 lid 1 Wvps).

3.4.3

De achtergrond van de beperking van pensioenverevening tot de huwelijkse periode is erin gelegen dat het delen van de pensioenrechten samenhangt met de – met de huwelijkse taakverdeling samenhangende – gezamenlijke inspanning van de huwelijkspartners die erop is gericht dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening. Buiten deze door de wetgever veronderstelde, met de huwelijkse taakverdeling samenhangende, gezamenlijke inspanning is er geen grond voor verevening. (Zie de parlementaire geschiedenis aangehaald in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.15)

3.4.4

Het strookt met de (ratio van de) Wvps om afgekochte pensioenrechten bij de verdeling van een huwelijksgemeenschap op een zo veel mogelijk gelijke wijze in aanmerking te nemen als niet afgekochte pensioenrechten. De herkomst en bestemming van de onderhavige afkoopsom brengen daarom mee dat deze som tot het nominale bedrag ervan moet worden aangemerkt als privévermogen van de man. Hij heeft dan ook voor dat bedrag een vergoedingsrecht jegens de huwelijksgemeenschap.

3.5

De overige klachten van middel I en die van middel II (dat de gebruiksvergoeding voor de woning in Frankrijk betreft) kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.6

Uit het voorgaande volgt dat het hof in rov. 26 is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door te bepalen dat de man jegens de gemeenschap een vergoedingsrecht toekomt voor het hiervoor in 3.3 vermelde bedrag van € 64.953,--.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2017 voor zover daarin is bekrachtigd de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de man om bij de vaststelling van de verdeling rekening te houden met een vergoedingsrecht voor een bedrag van € 64.953,-- en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man een vergoedingsrecht jegens de gemeenschap heeft voor een bedrag van € 64.953,-- wegens de investering van privévermogen in de woning in Frankrijk.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 13 juli 2018.