Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1131

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
16/04548
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:766
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Schending ondervragingsrecht, art. 6 EVRM. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2017:1016 m.b.t. aanspraak verdediging op behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen en de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige. In aanmerking genomen dat blijkens de bewijsvoering de b.m. daarvoor overigens geen steun bieden, is de bewezenverklaring, v.zv. het betreft de betrokkenheid van verdachte bij de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever, in beslissende mate gebaseerd op het tot het bewijs gebezigde p-v van de verklaring van aangever, inhoudende, kort gezegd, dat het verdachte moet zijn geweest die hem heeft gestoken. Nu verdachte die verklaring op wezenlijke onderdelen heeft betwist en de verdediging, ondanks het nodige initiatief in de vorm van een herhaald verzoek daartoe, niet in enig stadium van het geding gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid aangever te ondervragen, brengt dit, mee dat het Hof in strijd met art. 6 EVRM het hiervoor bedoelde p-v voor het bewijs heeft gebezigd. In dat verband is nog van belang dat niet is gebleken dat verdachte op enigerlei wijze is gecompenseerd voor het ontbreken van een mogelijkheid om aangever te ondervragen. Volgt vernietiging en terugwijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2018

Strafkamer

nr. S 16/04548

ARA/SG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 september 2016, nummer 21/007135-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Bussink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2 Beoordeling van het tweede middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de verklaring van de aangever in strijd met het bepaalde in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM voor het bewijs heeft gebezigd, nu de verdediging niet in de gelegenheid is geweest de aangever te ondervragen en diens verklaring in beslissende mate heeft bijgedragen aan de bewezenverklaring.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 23 juni 2015 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [betrokkene 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een scherp voorwerp meermalen, in de buikstreek, van voornoemde [betrokkene 1] heeft gestoken en gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 15 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2015191894) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

Op dinsdag 23 juni 2015, omstreeks 11:20 uur, was ik, verbalisant [verbalisant 1] , met Incidentafhandeling belast voor Basisteam Amersfoort. Ik kreeg de melding te gaan naar de Nijverheidsweg-Noord in Amersfoort. Ik hoorde dat de ambulance ter plaatse was. Omdat de ambulancebroeder zich zorgen maakte om het slachtoffer, vanwege een aantal steekwonden, werd ik ter plaatse gevraagd. Ter plaatse zag ik dat het om een gebouw van PostNL ging. Toen ik daar binnenkwam zag ik een persoon op de grond liggen. Ik hoorde dat de man op de grond zojuist een conflict had gehad met een man op straat. Via de ambulancebroeder kreeg ik de personalia van het slachtoffer:

[betrokkene 1]

24 juni 1986

Ik zag dat [betrokkene 1] een verwonding links op zijn buik had. Ik zag dat [betrokkene 1] ook een verwonding ter hoogte van zijn lies had. Ik zag dat [betrokkene 1] een foto met zijn smartphone had gemaakt van de verdachte. Deze foto heb ik verspreid onder de collega's zodat zij konden uitkijken naar de verdachte.

2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen (pagina 18 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2015191894) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :

Vandaag, 23 juni 2015, bevond ik mij op de Nijverheidsweg-Noord te Amersfoort. Omstreeks 13.00 uur, zag ik op de genoemde locatie een man in een scootmobiel. Vanwege het steekincident was er via de mail, een foto van de verdachte verspreid. De verdachte was door het slachtoffer gefotografeerd. Ik herkende de man in de scootmobiel, als de verdachte van de foto die ik in mijn mailbox had ontvangen en bekeken via mijn diensttelefoon. De kleding die verdachte droeg was nog hetzelfde als op de foto. Vervolgens heb ik de verdachte aangehouden. De verdachte had een tas in de mand van de scootmobiel staan. In de tas zaten onder andere een Zwitsers zakmes en een schroevendraaier.

Verdachte: [verdachte] , geboren [geboortedatum] 1952 te [geboorteplaats] .

3. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte (als bijlage op pagina 20-22 van het proces-verbaal genummerd PL0900-2015191894) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als verklaring van [betrokkene 1] :

Op 23 juni 2015, omstreeks 11.00 uur, was ik klaar met werken en verliet het terrein van PostNL, gelegen aan de Nijverheidsweg Noord te Amersfoort. Ik zag een scootmobiel aankomen rijden. Ik zag dat een man de scootmobiel bestuurde. Ik moest remmen om een aanrijding te voorkomen. Ik zag dat die man ook stopte. Ik hoorde dat die man riep: "Ik ga jou steken, ik maak je dood." Ik liep het fietspad op en ging voor de scootmobiel staan. Ik zag dat de man uit zijn scootmobiel opstond en voor mij ging staan. Ik hoorde dat de man tegen mij zei: "Ik steek je overdwars." Ik vond dat de man te dichtbij stond, dus heb ik die man een duw gegeven. Ik zag dat de man mij in mijn gezicht sloeg. Ik pakte die man vast bij zijn bovenkleding. Ik zag dat er vervolgens wat mensen aankwamen, waaronder een collega en andere mannen. Ik hoorde dat die omstanders tegen mij zeiden dat ik die man los moest laten. Ik zag dat de man kans zag om een stukje verder door te rijden. Ik heb de noodknop van zijn scootmobiel ingedrukt. Ik zag dat de man opstond uit zijn scootmobiel en mij wegduwde. Ik stapte voor de scootmobiel weg. Ik voelde iets van nattigheid aan mijn buik. Ik tilde mijn kleding omhoog en zag bloed en twee wondjes aan de linkerzijde van mijn buik. Toen ik het terrein van PostNL verliet had ik geen letsel, dus die oudere man in die scootmobiel heeft dan toch kans gezien mij te steken. De oudere man heeft mij dus gestoken met een scherp voorwerp. Ik heb dus twee steek/snijwonden in mijn buik. Als de man mij iets anders geraakt/gestoken zou hebben dan zou hij mogelijk mijn slagader geraakt kunnen hebben.

4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een geneeskundige verklaring betreffende [betrokkene 1] , van 23 juni 2015 (niet doorgenummerd), als verklaring van dr. Verheven, arts bij het MMC-ziekenhuis te Amersfoort, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

A. Uitwendig waarneembaar letsel:

2x snijwond buikregio.

1e: 3 cm linksboven de navel.

2e: 3 cm net boven het schaambeen.

5. De eigen waarneming van het hof van de als bijlage bij het proces-verbaal genummerd PL0900-2015191894, gevoegde foto's van kleding van [betrokkene 1] , dossierpagina 44-45, voor zover inhoudende:

Zie de fotobijlage, waarop te zien is dat er door meerdere lagen kleding is gesneden."

2.2.3.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring het volgende overwogen:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat ook ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, omdat er onvoldoende wettig bewijs aanwezig is. Getuigen noch aangever hebben een mes of stekende bewegingen gezien en verdachte ontkent. Tevens ontbreekt steunbewijs, aldus de raadsman.

Subsidiair is aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van zwaar letsel bij aangever. Het geringe letsel, het kleine mesje, de aard en plaats van de verwondingen en de onduidelijkheid over overige relevante omstandigheden is onvoldoende om een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aan te nemen.

Het hof is van oordeel dat dit verweer strekkende tot vrijspraak van het subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Uit die bewijsmiddelen leidt het hof het volgende af:

Verdachte heeft in de ochtend van 23 juni 2015 in Amersfoort een aanvaring gehad met aangever. Aangever heeft verdachte geduwd en hem bij zijn bovenkleding gepakt en verdachte heeft aangever geslagen. Verdachte is derhalve op meerdere momenten op zeer korte afstand van aangever geweest. Direct na de aanvaring heeft aangever verwondingen aan zijn buik opgemerkt, verwondingen die hij voor de confrontatie met verdachte naar zijn zeggen niet had.

Nu er geen andere personen in de nabijheid van aangever stonden die enige reden zouden kunnen hebben aangever te steken, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die aangever de verwondingen heeft toegebracht. Het hof heeft geen enkele reden om aan te nemen dat de verwondingen van aangever op een ander moment zijn ontstaan dan tijdens het conflict tussen verdachte en aangever.

Gelet op de in de geneeskundige verklaring omschreven verwondingen van aangever en het feit dat er door meerdere lagen kleding is gesneden, is het hof van oordeel dat verdachte deze verwondingen met enige kracht en met een scherp voorwerp moet hebben toegebracht door middel van steken en snijden. Door aangever met kracht met een scherp voorwerp meermalen in de buikstreek te steken en snijden heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, nu daarbij eenvoudig zich aldaar bevindende vitale lichaamsdelen geraakt konden worden. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van deze gedragingen van verdachte is het hof voorts van oordeel dat deze gedragingen zozeer gericht zijn geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg willens en wetens heeft aanvaard."

2.2.4.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"De raadsman voert het woord, zakelijk weergegeven:

Ik persisteer bij mijn eerdere verzoek om getuigen te horen. Er zijn vier getuigen, het standpunt van mijn cliënt is duidelijk. De rechtbank heeft verklaringen van deze getuigen gebruikt voor het bewijs, hiermee is het verdedigingsbelang gegeven. Er zijn redenen genoeg om de getuigen nadere vragen te stellen. Er dient duidelijkheid te ontstaan over de aanleiding van de ruzie, de rol van de betrokkenen bij de ruzie en welke geweldshandelingen zijn waargenomen. Voorts is er onduidelijkheid over welke verbale uitlatingen gedaan zijn. De rechtbank heeft bij haar oordeelsvorming betrokken, dat volgens aangever mijn cliënt zou hebben geroepen: "ik snij je" of "ik steek je". Alleen de aangever verklaart dat deze woorden zijn gebruikt, deze verklaring is voor het bewijs gebruikt bij de veroordeling in eerste aanleg. Het bewijs is summier.

U vraagt mij waarom andere getuigen moeten worden gehoord als zij niets hebben waargenomen. De getuigen kunnen meer verklaren over de aanleiding en wat zij (mogelijk) gezien of gehoord hebben. Als zij niets hebben gehoord wordt de zaak alsnog duidelijker. U houdt mij voor dat het er in de kern op neer komt dat de verdachte het steken of snijden ontkent, het slachtoffer heeft twee verwondingen en de getuigen hebben alleen geduw en getrek gezien. Volgens de verdediging heeft de rechtbank de getuigenverklaringen voldoende gevonden om tot een veroordeling te komen, dit is echter onvoldoende geweest. Het belang van het recht om getuigen te horen is in deze zaak aan de orde.

(...)

De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

(...) De aangever reed op een bromfiets, ik stak de straat over bij de ingang van zijn werk. De aangever zei tegen mij dat ik daar niet mocht rijden en dat ik de scootmobiel zou hebben gestolen. Hij dacht dat de scootmobiel gestolen was omdat er geen kentekenplaat op zat. Ik heb tegen de aangever gezegd dat hij niet goed bij zijn hoofd was. De aangever heeft zijn bromfiets stilgezet en ik mocht van hem niet verder rijden.

(...)

Ik heb niet geduwd, de aangever heeft mij wel een duw gegeven. Ik ben ook niet opgestaan uit de scootmobiel, ik heb dat wel geprobeerd. Er is niet over en weer geslagen. (...) Ik wist niets van een mesje, ik wist niet dat ik het mesje bij mij droeg. (...) Ik heb tegen de aangever geschreeuwd. U vraagt mij of wij tegenover elkaar stonden. De aangever liep heen en weer, ik heb geprobeerd om op te staan maar dat lukte niet. Ik heb noch geslagen noch geduwd. Ik weet niets over de wondjes van de aangever. (...) Er stonden veel mensen om ons heen omdat wij beide schreeuwden. (...)

U vraagt mij of alle omstanders afstand van ons namen. Er waren twee mensen dichtbij en zij hielden de aangever vast. De Turk [verdachte] heeft alleen met de aangever gepraat."

2.2.5.

Het bestreden arrest houdt onder het opschrift 'Verzoek horen getuigen' het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht tot het horen van een viertal getuigen, te weten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .

Het hof wijst dit verzoek af. Zowel aangever [betrokkene 1] als de getuigen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben tegenover de politie een duidelijke verklaring afgelegd.

Zij hebben alle vier enkel geduw en getrek gezien. Ze hebben niet gezien dat verdachte een mes in de hand had dan wel dat er is gestoken/gesneden. De verdediging is derhalve niet in haar belangen geschaad door het niet horen van genoemde getuigen."

2.3.1.

Art. 6, eerste lid en derde lid aanhef en onder d, EVRM luidt in de Nederlandse vertaling:

"1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. (...)

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge."

2.3.2.

Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces-verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term 'witnesses/témoins' in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel - indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd - het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.

2.3.3.

Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van - kort gezegd - een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel. (vgl. HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447).

2.4.

In aanmerking genomen dat blijkens de bewijsvoering de bewijsmiddelen daarvoor overigens geen steun bieden, is de bewezenverklaring, voor zover het betreft de betrokkenheid van de verdachte bij de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de aangever, in beslissende mate gebaseerd op het als bewijsmiddel 3 tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van de verklaring van de aangever, inhoudende, kort gezegd, dat het de verdachte moet zijn geweest die hem heeft gestoken. Nu de verdachte die verklaring op wezenlijke onderdelen heeft betwist en de verdediging, ondanks het nodige initiatief in de vorm van een herhaald verzoek daartoe, niet in enig stadium van het geding gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid de aangever te ondervragen, brengt dit, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 2.3 is vooropgesteld, mee dat het Hof in strijd met artikel 6 EVRM het hiervoor bedoelde proces-verbaal voor het bewijs heeft gebezigd. In dat verband is nog van belang dat niet is gebleken dat de verdachte op enigerlei wijze is gecompenseerd voor het ontbreken van een mogelijkheid om de aangever te ondervragen.

2.5.

Het middel is terecht voorgesteld.

3 Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de overige middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018.