Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1126

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
16/03818
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:438
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2016:2261, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Medeplegen gekwalificeerde diefstal door in te breken in woning en sieraden en geld weg te nemen, art. 311.1 Sr. Vordering b.p. Weggenomen geld dat b.p. voor zijn dochter in bewaring had aan te merken als rechtstreekse schade t.g.v. woninginbraak? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2014:959 m.b.t. vereiste van “rechtstreekse schade”. Hof heeft geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding van b.p., ook v.zv. die betrekking heeft op het gevorderde bedrag van € 11.570,-, kan worden toegewezen, nu is aangetoond dat b.p. een bedrag van omgerekend € 11.570,- in bewaring had genomen van zijn dochter en dat verdachte dit geld uit de woning van b.p. heeft gestolen. Mede gelet op de inhoud van de tot het bewijs gebezigde aangifte, waarin melding wordt gemaakt van de ontvreemding van twee enveloppen met geld, en in aanmerking genomen dat door of namens verdachte niet is betwist hetgeen door b.p. m.b.t. de gevorderde schadevergoeding is aangevoerd, geeft ‘s Hofs kennelijke oordeel dat voldoende verband bestaat tussen de schade die b.p. heeft geleden doordat hij niet meer in staat is het in bewaring genomen bedrag aan zijn dochter terug te betalen, en het bewezenverklaarde handelen van verdachte, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, wat er zij van 's Hofs aanduiding van b.p. als 'zaakwaarnemer'. Volgt verwerping.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TPWS 2018/84
RvdW2018/933
NBSTRAF 2018/256
SR-Updates.nl 2018-0313
PS-Updates.nl 2018-0571
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10 juli 2018

Strafkamer

nr. S 16/03818

MM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 juli 2016, nummer 22/004597-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.Y. Taekema, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het middel

2.1.

Het middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij [betrokkene 1] wat betreft het onder 'post 4' opgenomen geldbedrag van omgerekend € 11.570,- ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft toegewezen.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder meer bewezenverklaard dat:

"2. hij op 10 april 2015, omstreeks 00:30 uur, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, te Boskoop, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen:

- sieraden;

- geld,

toebehorende aan [betrokkene 1], en aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door

- het raam van de badkamer te forceren/open te breken (met een schroevendraaier)."

2.2.2.

Deze bewezenverklaring steunt op onder meer het volgende bewijsmiddel:

"7. Het proces-verbaal van politie districtsrecherche Alphen aan den Rijn-Gouda, d.d. 20 mei 2015, proces-verbaalnr. 67, documentcode BVH p115002015110764. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven – als de aanvullende verklaring van [betrokkene 1] (p. 113 e.v. proces-verbaal zaak 8 woninginbraak [a-straat 1] te Boskoop):

Kort samengevat verklaarde [betrokkene 1] onder andere dat hij in zijn aangifte had vermeld dat er een geldbedrag van 4.035 euro was weggenomen. Dit geld was eigendom van zijn dochter. Dit geld lag tijdelijk in zijn woning, aangezien zij voor haar werk regelmatig in het buitenland verbleef. Op 8 mei 2015 heeft hij zijn dochter, op het moment dat zij weer in Nederland verbleef, op de hoogte gesteld van de inbraak en de diefstal van haar geld. Zij vertelde hem dat er in het laatje waar de lege enveloppe werd aangetroffen nog twee enveloppen moesten liggen. In één enveloppe zaten 1.800 Engelse ponden en in de andere enveloppe zat 9.090 euro. In totaal was er een geldbedrag weggenomen van 13.125 euro en 1800 pond. Beide enveloppen waren in zijn geheel weggenomen. Het weggenomen totaalbedrag heeft zijn dochter kunnen zien aan de hand van de door haar bijgehouden administratie."

2.3.1.

Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een "Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces" van de benadeelde partij [betrokkene 1]. Dit formulier houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Welke gevolgen heeft het voorval voor u gehad?

Zie bijlage 1

Gegevens over de schade

De totale schade bestaat uit de volgende posten:

(...)

4 Papiergeld dochter € 11.570,-

(...)"

Het als bijlage 1 aan dit formulier gehechte "Schadeonderbouwingsformulier" houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Papiergeld dochter € 11.570,-

Er is tevens een groot geldbedrag, ter hoogte van € 11.570,00 weggenomen. Dit geldbedrag, opgebouwd uit 1800 Engelse ponden (€ 2.515,00, omgerekend m.b.v. huidige wisselkoers) en € 9.055,00 had benadeelde in bewaring voor zijn dochter. Dit schadebedrag wil benadeelde verhalen op de verdachte."

2.3.2.

Het Hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, als volgt overwogen en beslist:

"Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [betrokkene 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal € 14.672,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep en derhalve tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.820,- ter zake van geleden materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 14.390,- materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde.

(...)

Anders dan de rechtbank wijst het hof 'post 4', bestaande uit een totaalbedrag van omgerekend € 11.570,- samengesteld uit Engelse ponden en euro's toebehorende aan de dochter van de benadeelde partij, eveneens toe, nu de benadeelde partij dit geld kennelijk als zaakwaarnemer van zijn dochter in bewaring had en in het dossier kan worden waargenomen dat de verdachte op 10 april 2015 omstreeks drie uur 's middags in een telefoongesprek heeft meegedeeld dat hij "klappen heeft geslagen", te weten "tien ruggen" (€ 10.000,-) en zich in het dossier bovendien foto's, genomen 4 dagen na de inbraak, bevinden waarop de verdachte is afgebeeld met vele bankbiljetten in soortgelijke coupures als die zijn weggenomen bij de inbraak.

(...)

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot een bedrag van € 14.390,- hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

(...)

Beslissing

Het Hof:

(...)

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 14.390,00 (veertienduizend driehonderdnegentig euro) bestaande uit € 14.390,00 (veertienduizend driehonderdnegentig euro) materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader(s), hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de één aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander(en) daarvan in zoverre zal/zullen zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af."

2.4.

Een benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden (vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:959, NJ 2014/256).

2.5.

Het Hof heeft geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, ook voor zover die betrekking heeft op het onder 'post 4' gevorderde bedrag van € 11.570,-, kan worden toegewezen, nu is aangetoond dat de benadeelde partij een bedrag van omgerekend € 11.570,- in bewaring had genomen van zijn dochter en dat de verdachte dit geld uit de woning van de benadeelde partij heeft gestolen. Mede gelet op de inhoud van het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven bewijsmiddel, en in aanmerking genomen dat door of namens de verdachte niet is betwist hetgeen door de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding is aangevoerd, geeft het kennelijke oordeel van het Hof dat voldoende verband in de hiervoor onder 2.4 bedoelde zin bestaat tussen de schade die de benadeelde partij heeft geleden doordat hij niet meer in staat is het in bewaring genomen bedrag van € 11.570,- aan zijn dochter terug te betalen, en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, wat er zij van 's Hofs aanduiding van de benadeelde partij als 'zaakwaarnemer'.

2.6.

Het middel faalt.

3. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier A. El Mokhtari, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2018.