Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1109

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
17/03139
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:374, Contrair
In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2017:1464, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Gelijkheidsbeginsel; begunstigend beleid, exploitanten van seksinrichtingen die wel of niet hebben gekozen voor “opting-in” (artikel 2g Uitvoeringsbesluit loonbelasting1965).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-07-2018
V-N Vandaag 2018/1452
FutD 2018-1836
V-N 2018/38.9 met annotatie van Redactie
NLF 2018/1581 met annotatie van Frank Werger
NTFR 2018/1607 met annotatie van Dr. F.M. Werger
BNB 2018/179 met annotatie van MR. A.J.H. VAN SUILEN
FED 2019/11 met annotatie van A.C.Smale
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2018

nr. 17/03139

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 17 mei 2017, nr. BK‑16/00321, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 16/992) betreffende de aan belanghebbende over het jaar 2008 opgelegde naheffingsaanslag loonheffingen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 april 2018 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2018:374).

De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Belanghebbende exploiteert een seksinrichting, waarin een klant zich tegen betaling kan afzonderen met een sekswerker. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het jaar 2008 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd, waarbij hij ervan is uitgegaan dat de sekswerkers bij belanghebbende in dienstbetrekking zijn.

2.2.1.

Voor het Hof was in geschil of sprake is van dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de sekswerkers zodat belanghebbende loonheffingen verschuldigd is over de aan die sekswerkers betaalde bedragen. Als die vraag bevestigend zou worden beantwoord, was voorts in geschil of het opleggen van de naheffingsaanslag in strijd is met het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel. In dat verband heeft belanghebbende gesteld dat het landelijke beleid is dat aan exploitanten van seksinrichtingen over 2008 geen naheffingsaanslagen loonheffingen worden opgelegd indien zij met de bevoegde inspecteur hebben afgesproken met ingang van 2009 te opteren voor toepassing van artikel 2g van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: opting-in).

2.2.2.

Het Hof heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Daartoe heeft het Hof het oordeel gevolgd van de Rechtbank dat voldaan is aan de vereisten voor het bestaan van dienstbetrekkingen tussen belanghebbende en de sekswerkers.

2.2.3.

Het Hof heeft het beroep van belanghebbende op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel verworpen. Het Hof heeft daartoe overwogen dat exploitanten die wel en exploitanten die niet hebben gekozen voor opting-in feitelijk en rechtens geen gelijke gevallen zijn. Volgens het Hof is de afspraak met exploitanten die hebben gekozen voor opting-in naar haar aard een compromis en kan belanghebbende, die daarvoor niet heeft gekozen, op de rechtsgevolgen van dat compromis geen aanspraak maken. Het Hof heeft in het midden gelaten of het door belanghebbende gestelde landelijke beleid dat bij exploitanten die hebben gekozen voor opting-in geen naheffingsaanslagen loonheffingen over 2008 worden opgelegd, inderdaad bestond.

2.3.1.

Het middel dat zich richt tegen het in 2.2.3 vermelde oordeel van het Hof, betoogt dat sprake is van begunstigend beleid ten aanzien van exploitanten van seksinrichtingen die meewerken met het landelijke beleid om dergelijke exploitanten loonheffingen te laten afdragen voor de bij hen werkzame sekswerkers.

Het middel bestrijdt niet het oordeel van het Hof dat de door belanghebbende aangehaalde afspraken tussen de Belastingdienst en exploitanten van seksinrichtingen zijn neergelegd in vaststellingsovereenkomsten tussen een exploitant en de Belastingdienst. Het middel stelt met een beroep op het gelijkheidsbeginsel dat ook belanghebbende recht heeft op toekenning van een in het kader van dat compromis verleend voordeel, namelijk het niet naheffen van loonheffingen over 2008.

2.3.2.

Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat – zoals het middel betoogt en het Hof in het midden heeft gelaten – het sluiten van de overeenkomsten berust op landelijk beleid en die overeenkomsten onder meer inhouden dat geen loonheffingen over 2008 worden nageheven, brengt het gelijkheidsbeginsel mee dat belanghebbende het recht heeft eenzelfde overeenkomst te sluiten met de Inspecteur als andere exploitanten van seksinrichtingen (ingeval belanghebbende voor de loonheffingen over 2008 overigens feitelijk en juridisch in gelijke omstandigheden verkeert als die andere exploitanten). Die gelijke behandeling betreft dan de gehele overeenkomst en niet slechts één of meer onderdelen daarvan.

2.3.3.

Uit de stukken volgt dat belanghebbende geen vaststellingsovereenkomst conform het landelijke beleidsmodel heeft gesloten met de Inspecteur en dat zij ook niet voornemens was dat te doen. Ook indien, zoals het middel betoogt, de overeenkomsten mede behelzen dat geen loonheffingen worden nageheven over 2008, brengt het gelijkheidsbeginsel dus niet mee dat ten aanzien van belanghebbende naheffing over 2008 achterwege moet blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel is terecht verworpen. Het middel faalt.

2.3.4.

De middelen voor het overige kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld, J. Wortel, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.