Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1106

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
17/03982
Formele relaties
In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2017:3072, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Art. 25, lid 3, en 27e AWR. Art. 6 EVRM. De zgn. omkering van de bewijslast is ook van toepassing jegens de erfgenamen van de belastingplichtige die niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De onschuldpresumptie is niet geschonden als het OM in de strafzaak tegen erflater niet-ontvankelijk is in verband met het overlijden van erflater en de belastingrechter vervolgens de daarop betrekking hebbende criminele activiteiten aannemelijk acht (Melo Tadeu).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-07-2018
V-N Vandaag 2018/1460
FutD 2018-1835
V-N 2018/38.26 met annotatie van Redactie
NLF 2018/1593 met annotatie van Nicoline Bergman
Belastingadvies 2018/18.1
BNB 2018/169 met annotatie van G.J.M.E. DE BONT
FED 2018/156 met annotatie van M. Sanders
NTFR 2018/1772 met annotatie van E.P. Hageman FB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2018

nr. 17/03982

Arrest

gewezen op het beroep in cassatie van de erfgenamen van [A], gewoond hebbende te [Z] (hierna: belanghebbenden), tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 6 juli 2017, nrs. 16/00228 tot en met 16/00232, op het hoger beroep van belanghebbenden tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland‑West-Brabant (nrs. AWB 14/3524 tot en met 14/3528) betreffende de aan [A] over de jaren 2007 tot en met 2009 opgelegde navorderingsaanslagen en de voor het jaar 2010 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1 Geding in cassatie

Belanghebbenden hebben tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De geschriften waarbij het beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift ingediend.

Belanghebbenden hebben een conclusie van repliek ingediend.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

2.1.1.

Naar [A] (hierna: erflater) zijn strafrechtelijke onderzoeken gedaan. Een van die onderzoeken betreft een samenwerkingsverband dat gericht zou zijn op grootschalige, internationale handel in softdrugs. Naar aanleiding van de onderzoeken is het Openbaar Ministerie overgegaan tot strafrechtelijke vervolging van onder anderen erflater. Erflater is overleden voordat het onderzoek ter terechtzitting van de strafkamer in de zaak kon aanvangen.

2.1.2.

De Inspecteur heeft van de Officier van Justitie op de voet van artikel 55 AWR ten behoeve van de belastingheffing van erflater de informatie gekregen die was verzameld in het strafrechtelijke onderzoek naar erflater.

2.1.3.

Erflater is voor de jaren 2007 tot en met 2010 uitgenodigd tot het doen van aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna ook: IB/PVV). Hij heeft voor de jaren 2007, 2008 en 2010 tijdig aangifte gedaan. In deze aangiften heeft erflater geen inkomsten uit drugshandel verantwoord. Erflater heeft verzuimd tijdig aangifte te doen voor het jaar 2009.

2.1.4.

Naar aanleiding van de uitkomsten van de strafrechtelijke onderzoeken heeft de Inspecteur, na het overlijden van erflater, de navorderingsaanslagen over de jaren 2007 tot en met 2009 opgelegd, en de aanslag voor het jaar 2010 waarbij het door erflater aangegeven inkomen is gecorrigeerd.

2.2.1.

Met betrekking tot het jaar 2009 heeft het Hof geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat erflater niet binnen de daarvoor gestelde termijn aangifte heeft gedaan.

2.2.2.

Met betrekking tot de jaren 2007, 2008 en 2010 heeft het Hof geoordeeld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard omdat erflater niet de vereiste aangiften heeft gedaan aangezien hij in deze jaren substantiële inkomsten uit de handel in softdrugs heeft genoten, terwijl hij deze inkomsten niet heeft verantwoord in zijn aangiften voor de IB/PVV voor deze jaren.

2.3.1.

Het eerste middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2.1 en 2.2.2 vermelde oordelen van het Hof. Het herhaalt daartoe het door belanghebbenden voor het Hof aangevoerde, en door het Hof verworpen betoog dat de omkering en de verzwaring van de bewijslast sancties zijn met een persoonlijk karakter. De gevolgen van de ten aanzien van erflater toegepaste omkering en verzwaring van de bewijslast dienden daarom naar de mening van belanghebbenden te vervallen op het moment van overlijden van erflater.

2.3.2.

De uit artikel 27e AWR voortvloeiende omkering en verzwaring van de bewijslast is een bestuursrechtelijke maatregel die mede is gericht op het bevorderen van het doen van juiste en volledige aangiften (vgl. HR 8 juli 1998, nr. 32417, ECLI:NL:HR:1998:AA2337, BNB 1998/326). Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, en dit doel in het concrete geval dus niet is bereikt, verzet noch de tekst van artikel 27e AWR, noch de strekking van de maatregel zich ertegen dat deze bewijsrechtelijke gevolgen ook van toepassing blijven na het overlijden van de aangifteplichtige.

De omkering en de verzwaring van de bewijslast zijn mede bedoeld om tegemoet te komen aan bewijsproblemen die de inspecteur ondervindt indien de betrokkene niet voldoet aan de verplichting tot het verstrekken van informatie of het voeren van een administratie (vgl. HR 16 maart 2018, nr. 16/06097, ECLI:NL:HR:2018:359, BNB 2018/88). Aan dergelijke bewijsproblemen doet het overlijden van de betrokkene niet af.

Het voorgaande brengt mee dat het Hof terecht heeft aangenomen dat de omkering en de verzwaring van de bewijslast ook na het overlijden van erflater konden worden toegepast. Dit sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad van 14 augustus 2015, nr. 14/05962, ECLI:NL:HR:2015:2169, BNB 2015/221. Hetgeen aldaar in rechtsoverweging 3.2, laatste volzin, is overwogen met betrekking tot de niet‑naleving van de in artikel 47, lid 1, aanhef en letter a, AWR neergelegde verplichting tot het verstrekken van door de inspecteur gevraagde inlichtingen, geldt evenzeer met betrekking tot de verplichting tot het doen van de vereiste aangifte. Het eerste middel faalt in zoverre.

2.4.1.

Met het tweede middel wordt een beroep gedaan op de rechtspraak van het EHRM die meebrengt dat het in artikel 6, lid 2, EVRM neergelegde vermoeden van onschuld niet is beperkt tot procedures betreffende een ‘criminal charge’, maar zich kan uitstrekken tot een daaropvolgende bejegening door een bestuurlijke autoriteit of in een gerechtelijke procedure die op zichzelf bezien niet onder de reikwijdte van artikel 6, lid 2, EVRM valt. Belanghebbenden menen dat het Hof dit vermoeden van onschuld heeft geschonden.

2.4.2.

De rechtspraak van het EHRM brengt mee dat een bestuurlijke of rechterlijke autoriteit geen twijfel mag doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in een eerdere strafzaak werd verweten. Hetzelfde kan aan de orde zijn in een geval waarin een strafrechtelijke vervolging door seponering is beëindigd en het daardoor niet tot een rechterlijke uitspraak over de gegrondheid van die vervolging is gekomen (vgl. HR 2 juni 2017, nr. 15/05179, ECLI:NL:HR:2017:958, BNB 2017/181).

2.4.3.

In een geval als het onderhavige, waarin het recht tot strafvervolging is vervallen wegens het overlijden van de verdachte, ontbreekt zowel een vrijspraak als een sepot op bijvoorbeeld de grond dat onvoldoende bewijs aanwezig is. In zo’n geval berust het beëindigen van de strafrechtelijke procedure niet op een oordeel over de (on)schuld van de verdachte. Daarom kan een oordeel van een bestuurlijke autoriteit of van een bestuursrechter over feiten die ook in de strafzaak aan de orde waren, in zo’n geval geen schending opleveren van het vermoeden van onschuld.

2.4.4.

Omdat het in de onderhavige procedure niet gaat om een vervolging in de zin van artikel 6 EVRM noch om het in rechte vaststellen van schuld, is ook overigens geen sprake van een schending van het vermoeden van onschuld. De omstandigheid dat erflater zich niet meer persoonlijk tegen de bestreden belastingaanslagen kan verdedigen, leidt dan ook niet tot vernietiging van die belastingaanslagen.

2.4.5.

Het tweede middel faalt.

2.5.

Het eerste middel voor het overige en het derde middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4 Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2018.