Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1102

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
17/03254
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:407, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2017:1751, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Sommenverzekering. Uitleg aanwijzing begunstigde; bedoeling verzekeringnemer; betekenis latere verklaringen en gedragingen verzekeringnemer. Beroep op aanwijzing begunstigde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1435
RvdW 2018/890
NTHR 2018, afl. 5, p. 267
PJ 2018/161 met annotatie van W.M.A. Kalkman
RAV 2018/81
NJ 2018/441 met annotatie van L.C.A. Verstappen
JIN 2018/201 met annotatie van M.C. Leenhouts
ERF-Updates.nl 2018-0132
JERF 2018/251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2018

Eerste Kamer

17/03254

LZ/AR

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiseres 1],
wonende te [woonplaats],

2. [eiseres 2],
wonende te [woonplaats],

EISERESSEN tot cassatie,

advocaat: mr. K. Aantjes,

t e g e n

[verweerster],
wonende te [woonplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseressen] en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/15/216894/HA ZA 14-418 van de rechtbank Noord-Holland van 3 december 2014 en 7 oktober 2015;

b. het arrest in de zaak 200.186.196/01 van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2017.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben [eiseressen] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseressen] toegelicht door hun advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal M.L.C.C. Lückers strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De advocaat van [eiseressen] heeft bij brief van18 april 2018 op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

  • -

    i) Op 5 december 2013 is overleden [betrokkene 1] (hierna: erflater). Erflater is gehuwd geweest met [betrokkene 2]. Uit dat huwelijk zijn in 1981 en 1983 geboren de dochters van erflater, [eiseressen] Het huwelijk is ontbonden door echtscheiding op 19 februari 1993. Sinds 1995 heeft erflater geen contact meer gehad met [eiseressen]

  • -

    ii) Erflater is nadien gehuwd met [betrokkene 3]. Dit tweede huwelijk is door echtscheiding ontbonden op 7 oktober 1999.

  • -

    iii) Erflater heeft een tweetal levensverzekeringen (hierna: de levensverzekeringen) afgesloten: een bij Avéro met ingang van 1 april 1996 en een bij Avéro Achmea met ingang van 1 december 1999. In de eerste polis zijn achtereenvolgens als begunstigden aangewezen: de verzekeringnemer, zijn echtgenote, zijn kinderen en zijn erfgenamen. In de tweede polis zijn achtereenvolgens als begunstigden van erflater aangewezen: zijn weduwe, zijn kinderen en zijn erfgenamen.

  • -

    iv) Vanaf 2000 tot aan zijn overlijden had erflater een affectieve relatie met [verweerster]. Hij woonde vanaf 15 april 2006 met [verweerster] samen en voerde vanaf dat moment een gemeenschappelijke huishouding met haar.

  • -

    v) Erflater heeft [verweerster] bij testament van 21 november 2006 tot zijn enige erfgename benoemd en zijn nakomelingen uitdrukkelijk onterfd. Voor het geval waarin erflater tegelijkertijd met of na [verweerster] zou komen te overlijden heeft hij de Stichting Koningin Wilhelmina Fonds tot erfgename benoemd.

  • -

    vi) Erflater heeft, toen hij ongeneeslijk ziek bleek, op 27 februari 2013 bij aanvullend testament bepaald dat hij, onder handhaving van het testament van 21 november 2006, dit aanvulde en wijzigde en dat de erfstelling luidde:

“ERFSTELLING

1. Ik benoem [verweerster] (...) tot mijn enige erfgename. Deze benoeming wordt gedaan om fiscale redenen en ter voldoening aan mijn dringende verplichting om mijn partner goed verzorgd achter te laten.

Onterving

Ik sluit mijn nakomelingen uitdrukkelijk uit als erfgenamen in mijn nalatenschap.

2. Indien ik tegelijkertijd met of na mijn voornoemde partner kom te overlijden benoem ik in haar plaats tot erfgenaam de stichting: Stichting Koningin Wilhelmina Fonds (...).

3. Indien een afstammeling een beroep doet op zijn legitieme portie, is de vordering van de legitimaris voor zover die vordering ten laste zou komen van mijn partner, pas opeisbaar bij haar overlijden, zulks onder gelijke motivering als hiervoor onder 1. vermeld. Mocht een beroep worden gedaan op de legitieme, verzoek ik de rechter om géén rente op de nominale vordering toe te kennen in verband met mijn verzorgingsverplichting jegens mijn partner.”

  • -

    vii) Zowel in het testament van 21 november 2006 als in het aanvullend testament van 27 februari 2013 is [verweerster] tot executeur benoemd.

  • -

    viii) [verweerster] is enig erfgenaam en heeft op 23 december 2013 de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard.

(vix) Op het verzoek van [verweerster] aan Avéro Achmea om de levensverzekeringen uit te keren, heeft Avéro Achmea aan [verweerster] bericht dat uitgaande van de begunstiging in de polissen en de persoonlijke omstandigheden van erflater, uitkering zal geschieden aan de begunstigden.
De uitkeringen onder de levensverzekeringen zijn overgemaakt naar een derdenrekening van het kantoor van de advocaat van [eiseressen]

3.2.1

[verweerster] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat zij dient te worden aangemerkt als enige begunstigde met betrekking tot de levensverzekeringen en gerechtigd is tot de uitkeringen onder die verzekeringen. De rechtbank heeft die vordering afgewezen.

3.2.3

Het hof heeft daarentegen bepaald dat de uitkeringen van de levensverzekeringen toekomen aan [verweerster]. Het hof heeft [eiseressen] veroordeeld om al hetgeen zij uit hoofde daarvan hebben ontvangen of nog kunnen ontvangen, aan [verweerster] te voldoen.

3.2.4

Het hof heeft eerst de grief van [verweerster] behandeld die gericht was tegen het oordeel van de rechtbank dat het bij het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer gaat om de verklaringen en gedragingen ten tijde van de aanwijzing van de begunstigde en dat eventuele latere intenties van de erflater voortvloeiend uit het samenlevingscontract en de testamenten niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag wie begunstigde is.
Het hof heeft terzake overwogen (rov. 3.4):

“De Hoge Raad heeft in de bedoelde uitspraak van 21 september 2012 [ECLI:NL:HR:2012:BW6728, NJ 2013/97] geoordeeld:

“(…)”

De aanwijzing van een begunstigde betreft een wilsrecht, een eenzijdige rechtshandeling gericht aan de verzekeraar. Anders dan [verweerster] meent gaat het wel degelijk om de bedoeling ten tijde van de aanwijzing, zij het dat deze bedoeling kan worden vastgesteld aan de hand van eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling waaruit die bedoeling mede kan blijken, ook indien deze niet kenbaar zijn voor de verzekeraar. De vraag doet zich voor of uit de latere verklaringen en gedragingen kan worden afgeleid dat de bedoeling van de erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd. Dit is niet het geval. Tussen partijen staat de taalkundige uitleg van de begunstiging niet ter discussie evenmin als de hoedanigheid van de begunstigde. In dat geval is er in beginsel geen ruimte voor uitleg in de zin die [verweerster] voor ogen staat. Dit volgt zowel uit de desbetreffende wettelijke bepalingen als uit de formulering van de Hoge Raad in voormeld arrest. Dat de erflater later de bedoeling heeft gehad zijn kinderen te onterven en [verweerster] tot enig erfgenaam te benoemen doet daaraan niet af. Voor die situatie bestond de mogelijkheid van wijziging van de begunstiging. (…)”

3.2.5

Het hof heeft aansluitend geoordeeld, samengevat, dat uit de door [verweerster] gestelde feiten en omstandigheden niet volgt dat de door [verweerster] gestelde bedoeling om de uitkeringen ten gunste van [verweerster] te doen strekken, bij erflater aanwezig was ten tijde van het afsluiten van de verzekeringen. (rov. 3.5 en 3.6)

3.2.6

Het hof heeft vervolgens, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

“3.7 Grief 5 richt zich tegen het passeren van het bewijsaanbod door de rechtbank. Voorts bevat de toelichting op deze grief het volgende betoog.
De feiten en bijzondere omstandigheden van dit geval dienen te worden meegewogen om tot een maatschappelijk oordeel te komen. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de uitgekeerde bedragen aan [eiseressen] toekomen. Het oordeel dat wie rechthebbende is op de uitkering enkel moet worden beoordeeld aan de hand van de polissen kan naar de mening van [verweerster] ook op die grond niet in stand blijven.

(…)

3.9

[verweerster] beroept zich op de door haar in de procedure gestelde feiten en omstandigheden en in het bijzonder op:

- de tussen de erflater en [verweerster] bestaande 12 jaar durende relatie en het in verband daarmee afgesloten samenlevingscontract inclusief verblijvingsbeding en de ten behoeve van haar gemaakte testamenten;

- de benoeming van [verweerster] tot enig erfgenaam mede ter voldoening aan de op de erflater rustende dringende verplichting haar goed verzorgd achter te laten;

- de opvolgende benoeming van de Stichting Koningin Wilhelmina Fonds;

- de uitdrukkelijke onterving van [eiseressen] in alle gevallen en de beperking van de opeisbaarheid van hun legitieme portie, omdat er sinds 1995 geen enkel contact tussen de erflater en [eiseressen] is geweest en zelfs door [eiseressen] werd afgehouden;

- de omvang van het negatieve vermogen van de erflater, waaronder de onverdeelde helft van de gezamenlijke woning die onder water staat, een schuld uit hypothecaire geldlening, de vordering van [verweerster] op de erflater vanwege haar investering in de aankoop van de woning van € 62.400,-;

- het gebrek aan wetenschap van de erflater dat de polisuitkeringen buiten zijn nalatenschap vielen en dat hij de verzekeraar had moeten benaderen om te bereiken dat deze wel onderdeel uitmaakten van het te vererven vermogen en de gedachte dat de erflater met de testamenten had bereikt dat de uitkeringen op de polissen aan [verweerster] zouden toekomen;

- de uitkering veel hoger is dan hetgeen [eiseressen] uit hoofde van hun legitieme portie zouden hebben ontvangen.

3.10

Het hof overweegt als volgt. Er is sprake van een sommenverzekering en mitsdien van een derdenbeding. De bevoegdheid een derdenbeding te aanvaarden is een wilsrecht. Naar het oordeel van het hof is het, gelet op alle feiten en omstandigheden van de onderhavige zaak, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eiseressen] zich op hun wilsrecht, de begunstiging van beide polissen beroepen. Op grond van de stellingen van partijen en de overgelegde stukken staat vast dat:

- de erflater met het samenlevingscontract en de testamenten [verweerster] voor zoveel mogelijk verzorgd wilde achterlaten;

- dit effect enkel, althans voor zoveel mogelijk, zou kunnen worden bereikt indien ook de uitkering uit de polissen aan haar als erfgenaam ten goede zou komen;

- de erflater zijn testamenten zo heeft ingericht dat [eiseressen] zo min mogelijk uit zijn nalatenschap zouden verkrijgen en op [zijn] vroegst pas na overlijden van [verweerster];

- [verweerster] zich direct na het overlijden van de erflater tot de verzekeraars heeft gewend met het verzoek de bedragen van de polissen aan haar uit te keren;

- de verklaring van de notaris (zoals blijkt uit de memorie van antwoord) dat het de bedoeling was dat [verweerster] erflaters gehele vermogen zou ontvangen en dat hij haar verzorgd wilde achterlaten.

In het licht hiervan kan de niet wijziging van de begunstiging van [eiseressen] in een begunstiging van de erfgename/[verweerster] niet anders worden begrepen dan als een omissie zijnerzijds. Dat de erflater vele mogelijkheden heeft gehad de standaardbegunstiging te wijzigen en te bespreken maakt dit niet anders. Indien de erflater in de veronderstelling verkeerde dat de uitkering aan [verweerster] zou toekomen, was er in zijn ogen geen reden om over te gaan tot wijziging of bespreking van de begunstiging. Met de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden stroken ook niet de stellingen van [eiseressen] dat de erflater ten tijde van zijn overlijden de bedoeling had om hen te bevoordelen en te vrijwaren voor de schulden van zijn nalatenschap en dat hij met de instandhouding van de begunstiging jegens hen gehandeld heeft vanwege een zorgverplichting jegens hen, ook niet wegens beperkingen hunnerzijds. Zeker niet nu niet vaststaat dat de erflater op de hoogte was van deze beperkingen. De stellingen dat er sinds 1995 geen contact tussen de erflater en [eiseressen] was en dat contact hunnerzijds werd afgehouden staan als zijnde niet betwist vast.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat [eiseressen] in de gegeven en hiervoor genoemde omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten kunnen ontlenen aan de begunstiging en dat [verweerster] als erfgename als opvolgend begunstigde heeft te gelden. (…)”

3.3.1

Onderdeel I klaagt onder meer dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 in tegenspraak is met zijn daaraan voorafgaande oordeel in rov. 3.5 en 3.6 dat uit de door [verweerster] gestelde feiten en omstandigheden niet volgt dat het de bedoeling van erflater was dat de polissen ten gunste van [verweerster] zouden worden uitgekeerd, zodat de beslissing innerlijk tegenstrijdig is.

3.3.2

Bij de beoordeling van deze klacht wordt het volgende vooropgesteld. Het hof heeft (in rov. 3.4) terecht tot uitgangspunt genomen dat het bij de uitleg van de aanwijzing van de begunstigde bij een sommenverzekering aankomt op de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing. Bij de vaststelling van die bedoeling dient, zoals het hof (in rov. 3.4) eveneens terecht tot uitgangspunt heeft genomen, mede te worden gelet op eventuele verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer buiten de schriftelijke mededeling op de voet van art. 7:966 lid 1 BW in verbinding met art. 7:974 BW, ook indien deze niet jegens de verzekeraar zijn afgelegd of hebben plaatsgevonden. (Vgl. HR 21 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6728, NJ 2013/97) Ook latere verklaringen en gedragingen van de verzekeringnemer kunnen daarbij een rol spelen, voor zover zij kunnen bijdragen aan het vaststellen van de bedoeling van de verzekeringnemer ten tijde van de aanwijzing.

3.3.3

Het hof heeft in rov. 3.5 en 3.6 geoordeeld dat de door [verweerster] gestelde (latere) verklaringen en gedragingen van erflater niet meebrengen dat het ten tijde van de aanwijzing zijn bedoeling was om [verweerster] als begunstigde aan te wijzen. Het oordeel van het hof in rov. 3.10 komt erop neer dat die latere verklaringen en gedragingen wel tot de conclusie voeren dat erflater op een later moment (en tot aan zijn overlijden) de bedoeling had dat [verweerster] als begunstigde van de levensverzekeringen zou gelden en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de uitkeringen daaruit aan [verweerster] zouden toekomen, en dat het onder die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiseressen] zich op de aanwijzing als begunstigden beroepen. Deze oordelen zijn niet met elkaar in tegenspraak, zodat de klacht faalt.

3.4

Voor het overige komt het onderdeel tevergeefs op tegen het oordeel in rov. 3.10 dat het beroep op de begunstiging onder de levensverzekeringen van [eiseressen] in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is voldoende gemotiveerd.

3.5

De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [eiseressen] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, M.V. Polak en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 juli 2018.