Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1098

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
17/01799
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:150, Gevolgd
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2017:136, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Opdrachtovereenkomst. Opdracht door advocaat t.b.v. cliënten; inspanningsverplichting o.b.v. no cure no pay. Niet-nakoming door opvolgend advocaat. Causaal verband. Grondslag vordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2018/1430
RvdW 2018/842
PS-Updates.nl 2018-0553
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

6 juli 2018

Eerste Kamer

17/01799

LZ/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. R.A.A. Duk,

t e g e n

[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/16/302462/HA ZA 11-416 van de rechtbank Midden-Nederland van 4 mei 2011, 21 december 2011 en 27 maart 2013;

b. de arresten in de zaak 200.126.814 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014, 20 oktober 2015 en 10 januari 2017.

De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Tegen [verweerster] is verstek verleend.

De zaak is voor [eiseres] toegelicht door haar advocaat.

De conclusie van de Advocaat-Generaal T. Hartlief strekt tot vernietiging van de arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2015 en 10 januari 2017.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.

(i) [verweerster] exploiteert sinds haar oprichting (in 1994) een adviesbureau voor milieu- en volksgezondheidsvraagstukken.

(ii) Eind februari 1999 werd op de bloemententoonstelling ‘de Westfriese Flora’ te Bovenkarspel een whirlpool geëxposeerd, die een bron van legionella-infectie was.

(iii) [eiseres] heeft de zaken van enkele slachtoffers van deze legionellabesmetting behandeld.

(iv) [verweerster] heeft [eiseres] benaderd, omdat de bestuurder van [verweerster], [betrokkene 1], deskundig is op het gebied van legionellabesmetting. Na een telefoongesprek heeft [verweerster] [eiseres] op 3 mei 1999 een brief gezonden, waarin zij mededeelt dat zij als adviesbureau bijstand kan leveren met betrekking tot de technische en wettelijke aspecten van de gevallen van legionellose. [eiseres] heeft hierop gebruik gemaakt van de diensten van [betrokkene 1] als deskundig adviseur in de legionellazaak.

(v) Bij brief van 6 december 2002 heeft [verweerster], op verzoek van [eiseres], een ‘kostenopgave’ voor 97 uren ad € 160,--, in totaal € 15.520,--, toegezonden aan [eiseres].

(vi) In 2009 en 2010 heeft [verweerster] enkele brieven aan [eiseres] gezonden waarin zij om betaling verzoekt van, kort gezegd, het onder (v) genoemde bedrag.

(vii) [eiseres] heeft de behandeling van de zaken van slachtoffers van de legionellabesmetting op enig moment na 2002 gestaakt. De behandeling van een aantal van die zaken heeft zij toen overgedragen aan mr. De Koning, die verbonden was aan een ander advocatenkantoor.

3.2.1

Volgens [verweerster] is tussen haar en [eiseres] mondeling een overeenkomst van opdracht tot stand gekomen op grond waarvan [verweerster] werkzaamheden voor [eiseres] heeft verricht, met name bestaande in het geven van advies over de technische en wettelijke aspecten van de ziekte legionellose en in het optreden als deskundige ter zitting. Volgens [verweerster] is overeengekomen, voor zover in cassatie van belang, dat bij toewijzing van een schadevergoeding aan een of meer van de slachtoffers die door [eiseres] werden vertegenwoordigd, zou worden getracht het honorarium van [verweerster] bij de verzekeraar te verhalen. Voor zover in cassatie van belang vordert [verweerster] in deze procedure schadevergoeding wegens de niet-nakoming van deze overeenkomst. De schade heeft zij in deze procedure uiteindelijk begroot op € 15.985,60, zijnde het honorarium dat zij volgens haar is misgelopen door de niet-nakoming door [eiseres].

3.2.2

[eiseres] heeft erkend dat zij met [verweerster] is overeengekomen dat [betrokkene 1] werkzaamheden voor haar zou verrichten. Zij heeft echter betwist dat een tegenprestatie is overeengekomen.

3.2.3

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vordering alsnog toegewezen. Terzake heeft het, voor zover in cassatie van belang, als volgt overwogen.

[eiseres] heeft onvoldoende betwist de stelling van [verweerster] dat tussen partijen is overeengekomen dat [verweerster] werkzaamheden in opdracht van [eiseres] en ten behoeve van haar cliënten zou verrichten en dat [eiseres] zou trachten de kosten van [verweerster] bij een toewijzing van een vordering van één of meer van haar cliënten, dan wel bij een minnelijke regeling, vergoed te krijgen van een verzekeraar. Tussen partijen staat voorts vast dat aan ten minste een van de voormalige cliënten van [eiseres] een schadevergoeding is toegekend. [eiseres] heeft de kostenopgave van [verweerster] niet overgedragen aan de haar opvolgende advocaat, mr. De Koning, althans niet op een zodanige wijze dat deze ervan op de hoogte was dat hij zou moeten proberen deze kosten bij toewijzing van een vordering of een minnelijke regeling vergoed te krijgen. Dat had [verweerster] wel mogen verwachten van [eiseres] daarmee is sprake van wanprestatie van [eiseres]. (rov. 4.5 eerste tussenarrest)

[eiseres] dient de schade die [verweerster] als gevolg van deze wanprestatie heeft geleden, aan haar te vergoeden.
Of [verweerster] daadwerkelijk schade heeft geleden, wordt bepaald door de kans dat, ingeval [eiseres] de kostenopgave met voldoende toelichting zou hebben overgedragen aan mr. De Koning, een vergoeding aan [verweerster] zou zijn toegekend. (rov. 4.6 eerste tussenarrest)

Het betoog van [eiseres] dat zij uitsluitend als vertegenwoordiger van haar cliënten opdrachten kan hebben verstrekt aan [verweerster], wordt verworpen. [verweerster] heeft aangevoerd dat [eiseres] uit hoofde van Gedragsregel voor advocaten 32 (voorheen: de Gedragsregels 26 en 44) instond voor de betaling van de vergoeding, door de opdracht aan [verweerster] te verlenen. Deze betalingsverplichting is in het eerste tussenarrest, gelet op het no cure no pay-karakter van de afspraak daarover, uitgelegd als een inspanningsverplichting. (rov. 2.2 tweede tussenarrest)

De rechtbank heeft de vordering van een van de slachtoffers van legionellabesmetting en aanvankelijk cliënt van [eiseres] tegen de wederpartij in die zaak toegewezen. Volgens [verweerster] zou de rechtbank in die zaak ook de vordering tot vergoeding van haar honorarium hebben toegewezen. Diverse verweren hiertegen van [eiseres] zijn ongegrond. (rov. 2.3 tweede tussenarrest)

Nu de vorderingen van de slachtoffers zijn toegewezen mede als gevolg van het deskundigenoordeel van [verweerster], ligt het voor de hand dat haar honorarium zou zijn vergoed uit de verzekeringsuitkering die uiteindelijk ten behoeve van de slachtoffers is gedaan. Naar het oordeel van het hof zou het honorarium aan [verweerster] zijn betaald indien [eiseres] haar verplichtingen jegens [verweerster] was nagekomen. (rov. 2.5-2.9 eindarrest).

3.3.1

Het middel keert zich uitsluitend tegen rov. 2.3 onder (a) van het tweede tussenarrest, waarin het hof het bij antwoordakte na het eerste tussenarrest gevoerde verweer van [eiseres] verwerpt dat [verweerster] geen schade heeft geleden door haar (door het hof in rov. 4.5 van zijn eerste tussenarrest vastgestelde) wanprestatie, nu op haar voormalige cliënt die uiteindelijk schadevergoeding heeft verkregen wegens de blootstelling aan legionella, geen verplichtingen jegens [verweerster] rustten ter zake van de door deze verrichte werkzaamheden, bij gebreke van een contractuele verplichting daartoe. Het hof heeft terzake overwogen:

“Behoudens bijzondere omstandigheden, die zich hier niet voordoen, heeft [eiseres] mede namens [betrokkene 4] de opdracht aan [verweerster] verstrekt en daarmee tevens haar cliënt [betrokkene 4] gebonden aan de no cure no pay-afspraak. [betrokkene 4] moest dus proberen een vergoeding te incasseren en [eiseres] stond hiervoor in. Indien mr. De Koning en/of [betrokkene 4] van het bestaan van deze verplichting op de hoogte zouden zijn geweest, is het aannemelijk dat [betrokkene 4] de vordering zou hebben ingesteld. Mr. De Koning heeft in productie 1 bij de antwoordakte geschreven dat
in dat geval zou hebben besloten om ‘moeilijke discussies’ te voorkomen en het instellen van de vordering (daarom) achterwege te laten, maar hij gaat er daarbij ten onrechte vanuit dat [betrokkene 4] niet jegens [verweerster] verplicht was om te proberen de vergoeding te incasseren. Het hof gaat daarom aan de toelichting van mr. De Koning voorbij en passeert het verweer van [eiseres].”

3.3.2

Het middel klaagt dat het hof in deze overweging miskent dat een advocaat zijn cliënt niet zonder diens instemming kan binden en dat het hof geen instemming van de cliënt met de onderhavige overeenkomst heeft vastgesteld. Het hof kon althans niet van die binding uitgaan, nu deze niet aan de vordering ten grondslag is gelegd en/of dit een verboden verrassingsbeslissing oplevert, aldus het middel. Bovendien heeft het hof onvoldoende vastgesteld om genoemde binding te kunnen aannemen.

3.4.1

Zoals hiervoor in 3.2.3 weergegeven, heeft het hof – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat tussen partijen is overeengekomen dat [verweerster] werkzaamheden in opdracht van [eiseres] en ten behoeve van haar cliënten zou verrichten (rov. 4.5 eerste tussenarrest, waarop het hof voortbouwt in zijn latere arresten). Dit oordeel komt erop neer dat [eiseres] op eigen naam met [verweerster] heeft gecontracteerd ter zake van de werkzaamheden, en dus zelf de wederpartij van [verweerster] is bij de overeenkomst. Dit oordeel komt overeen met hetgeen [verweerster] in dit geding aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd; zij heeft haar vordering (uitsluitend) gegrond op een opdrachtovereenkomst met [eiseres] (zie hiervoor in 3.2.1).

3.4.2

Uit het hiervoor in 3.4.1 overwogene volgt dat het middel terecht klaagt dat het hof aan zijn hiervoor in 3.3.1 aangehaalde verwerping van het daar genoemde causaliteitsverweer van [eiseres] ten grondslag heeft gelegd dat [eiseres] mede namens haar cliënt [betrokkene 4] de opdracht aan [verweerster] heeft verstrekt. Dat [eiseres] de opdracht tot de werkzaamheden waar het in dit geding om gaat, namens haar cliënt(en) aan [verweerster] heeft gegeven, is niet door [verweerster] aan haar vordering ten grondslag gelegd. De hierop gerichte klacht van het middel slaagt derhalve. Bij de behandeling van de overige klachten van het middel heeft [eiseres] in verband daarmee geen belang.

Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beslist over het causaliteitsverweer van [eiseres].

3.5

Nu [eiseres] geen klachten heeft gericht tegen het eerste tussenarrest is zij niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen dat arrest. Het eindarrest van het hof moet worden vernietigd, nu dat voortbouwt op zijn tweede tussenarrest, waartegen [eiseres] blijkens het vorenstaande met succes opkomt. Aangezien [verweerster] het door [eiseres] bestreden oordeel van het hof niet heeft uitgelokt of verdedigd, zullen de kosten van het geding in cassatie worden gereserveerd.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 januari 2014;

vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 oktober 2015 en 10 januari 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;

begroot deze kosten tot op de uitspraak in cassatie aan de zijde van [eiseres] op € 2.779,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, en aan de zijde van [verweerster] op nihil.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren G. Snijders, M.V. Polak, C.E. du Perron en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op 6 juli 2018.