Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1077

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
15/03876
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:728
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Artikel 81 RO-zaken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Hennepteelt, diefstal elektriciteit en opzettelijk een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk veroorzaken. 1. Bewijsklacht pleegperiode m.b.t. opzettelijk een stoornis in de gang of werking van een elektriciteitswerk veroorzaken. 2. Klacht dat Hof de b.p. ten onrechte in de vordering tot schadevergoeding ontvankelijk heeft verklaard c.q. die vordering heeft toegewezen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 15/03877 P.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2018/854
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2018

Strafkamer

nr. S 15/03876

JH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 29 juni 2015, nummer 20/000067-14, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.J.L.M. Dacier, advocaat te Heerlen, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Namens de benadeelde partij heeft B. Sommen, advocaat te Eindhoven, een verweerschrift ingediend.

De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De advocaat van de benadeelde partij heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het tweede en het derde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3 Beoordeling van het eerste middel

3.1.

Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

3.2.

Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van tien maanden.

4 Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

5 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;

vermindert deze in die zin dat deze negen maanden beloopt;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.