Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:HR:2018:1071

Instantie
Hoge Raad
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
17/00572
Formele relaties
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:215
In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2016:6908, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Cassatie
Inhoudsindicatie

Overtreding art. 2.1 Leerplichtwet 1969 door als ouder zonder vrijstelling zijn 15-jarige zoon niet in te schrijven op een school. Vrijstelling leerplicht, richtingbezwaren, holistische levensovertuiging. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 5.b Lpw is de daarin opgenomen vrijstellingsgrond in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren. Gelet hierop moet onder het begrip richting a.b.i. art. 5.b Lpw worden verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (vgl. ECLI:NL:HR:2010:BL6719). Van overwegende bedenkingen in de zin van art. 5.b Lpw is derhalve eerst sprake i.g.v. ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing. Hetgeen door verdachte in appel is aangevoerd, kan bezwaarlijk worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen a.b.i. art. 5.b Lpw. De omstandigheid dat verdachte zijn bezwaren zelf aanmerkt als een uitvloeisel van zijn holistische levensovertuiging, brengt niet mee dat die bezwaren reeds daarom overwegende bedenkingen opleveren tegen de richting van het onderwijs in zin van de wet. Middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve, zodat hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen onbesproken kan blijven. Volgt verwerping. CAG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SR-Updates.nl 2018-0269
NJB 2018/1449
RvdW 2018/851
NBSTRAF 2018/254
NJ 2018/415 met annotatie van Redactie, P. Mevis
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

3 juli 2018

Strafkamer

nr. S 17/00572

Bo/AJ

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 29 juli 2016, nummer 21/002347-15, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.J. Dommerholt, advocaat te Zwolle, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van het eerste middel

2.1.

Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat de verdachte overwegende bedenkingen heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen een redelijke afstand van zijn woning gelegen scholen waarop zijn minderjarige zoon geplaatst zou kunnen worden.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 september 2014 tot en met 21 oktober 2014 te Amersfoort als degene die het gezag uitoefende over de jongere [betrokkene 1] , geboren op [geboortedatum] 1998, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van een school, stond ingeschreven."

2.2.2.

Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 15 juli 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb op voorhand mijn verweerschrift per e-mail aan het hof doen toekomen, evenals een brief van de gemeente Amersfoort van 17 december 2015. Wat ik in mijn verweerschrift heb geschreven wil ik graag ter zitting herhalen.

U, voorzitter, houdt mij voor dat het hof heeft kennisgenomen van mijn verweerschrift en dat ik dat niet hoef te herhalen thans.

Ik heb vijf kinderen. Ik heb geen bezwaar tegen de leerplicht. Ik heb ook geen bezwaar tegen het soort onderwijs of de organisatie van het onderwijs. Ik heb bezwaar vanwege de denominatie van de scholen. Onze kinderen moeten onderwijs krijgen in overeenstemming met onze holistische levensovertuiging. Wij willen onze eigen levensovertuiging voorleven en uitdragen. Dat is belangrijk en onmisbaar voor de geestelijke ontwikkeling van onze kinderen. De spirituele en seculiere kant van het leven moet één geheel zijn. Dit draagt een openbare school ook niet uit. Zij beschikken ook niet over de deskundigheid om dat te doen. Zij kunnen onze levensovertuiging niet uitdragen laat staan bevorderen.

U vraagt mij naar de betekenis van uitdragen. Wij zien het leven en onderwijs als één geheel. In onze levensovertuiging zijn wij heel verbonden met de natuur, muziek en kunst. Kinderen moeten zo veel mogelijk buiten kunnen leren en studeren. Daar zien wij heil in. En een school moet dat kunnen faciliteren. Voor zover ik weet verblijven de kinderen op de Aventurijnschool in Loenen veel buiten. In onze levensovertuiging vieren wij de seizoenen en houden wij rekening met ons bioritme. Dat kan ook met thuisonderwijs. Wij zien dat niet op andere scholen gebeuren.

Het klopt dat mijn andere zoon, [betrokkene 2] , naar een christelijke school, [A] College in [plaats] gaat. Dat is met bezwaar. Volgens de wet moet je als ouders zorgdragen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van je kind. [betrokkene 2] maakt een bepaalde ontwikkeling door. Hij wil graag iets met groen doen. Hij wil bloemstukken maken en dieren fokken. Dat kunnen wij hem thuis niet bieden. Daarom hebben wij hem ondanks ons bezwaar naar een christelijke school laten gaan. Onze levensovertuiging staat bovenaan. Als dit niet de goede weg is voor [betrokkene 2] dan zullen wij hem daar vanaf halen. De jongste raadsheer merkt op dat éénmaal gekozen is gekozen. Dan riskeren wij maar een boete. Onze levensovertuiging prevaleert dan. In het kader van de rechten van het kind hebben wij voor [betrokkene 2] passend onderwijs gevonden. Als [betrokkene 1] naar een school moet waar hij niet naartoe wil, dan voel ik mij schuldig ten aanzien van zijn rechten als kind. Het klopt dat ik een afweging maak tussen enerzijds dat onze levensovertuiging alles is en anderzijds de belangen van onze kinderen. Ik vraag mij af waarom ik niet per kind deze belangenafweging mag maken.

Een onderdeel van onze levensovertuiging is dat wij één met het universum zijn.

Wij moeten studeren met onze blote voeten in het gras of bos. Als het regent genieten wij. Het klopt dat [betrokkene 1] via de LOI vakken volgt die gelijk zijn aan de vakken die op school worden aangeboden. Wij hebben ook geen bezwaar tegen de vakken op zich. [betrokkene 1] werkt zo veel mogelijk buiten. Hij krijgt veel hulp van ons. Ook van mensen uit de familie- en vriendenkring. Er zijn mensen die [betrokkene 1] bijstaan bij Engels en ik heb een schoonzoon die ICT-er is. De oudste raadsheer vraagt mij of het niet voldoende is dat [betrokkene 1] na schooltijd zijn huiswerk buiten kan maken.

Het gaat niet alleen om het maken van huiswerk. Tegen kinderen van gereformeerde ouders zeg je ook niet dat zij hun geloof maar na schooltijd moeten praktiseren.

Het vieren van de seizoenen maakt deel uit van de hele dag. Het is één geheel. De viering van de zonnewende is een hele dag. Daar spelen wij in het onderwijs ook op in. De oudste raadsheer merkt op dat een school daarin niet in de weg staat. De school is een heel ander aspect van het geheel. Ik vind dat lastig om uit te leggen. Het gaat goed met [betrokkene 2] . Hij gaat over naar de 4e klas en heeft geen onvoldoendes. Dat is voor ons het bewijs dat we goed bezig zijn geweest. De oudste raadsheer merkt op dat derhalve school te verenigen is met onze levensovertuiging. Nee, het is de saus, de omhulling van onze levensovertuiging. Dat druist in tegen onze wens.

De voorzitter merkt op dat wij onze levensovertuiging wel aan [betrokkene 2] overdragen en dat zijn school kennelijk geen bezwaar is om zo te leven. Voor [betrokkene 2] niet. De voorzitter merkt op dat het kennelijk niet aan de school maar aan het kind ligt. Dat klopt. Wij willen onze levensovertuiging aan de kinderen overdragen tot het moment dat zij het huis verlaten.

De advocaat-generaal merkt op dat het dus eigenlijk niet gaat om de richting van de school. Nee, dat bedoel ik niet. Ik heb geen bezwaar tegen school. Maar wij willen onze kinderen graag naar een school laten gaan die onze levensovertuiging uitdraagt. En dat doen de scholen niet. Je maakt een afzonderlijke afweging. Ik heb principiële bezwaren tegen de school van [betrokkene 2] , maar die wegen minder zwaar.

Het gaat erom dat een school een levensovertuiging uitdraagt. Het ligt niet zo zwartwit."

2.2.3.

Het in voormeld proces-verbaal van de terechtzitting genoemd verweerschrift houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Mijn subsidiaire verweer

Dit verweer is toegelicht in de resterende delen van de pleitnota van [betrokkene 3] en van de punten waarmee ik mijn hoger beroep nader heb gemotiveerd.

Mijn levensovertuiging, waarop het richtingbezwaar is gebaseerd, is het Holisme. Wij verklaren, conform artikel 5.b en artikel 8 lid 1 Leerplichtwet 1969 overwegende bedenkingen te hebben tegen de richting van alle scholen op redelijke afstand, en wel omdat geen van deze scholen deze levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, maar daarmee juist strijdig zijn.

Wij hebben onze richtingbezwaren toegelicht met een uitleg van de levensovertuiging, een overzicht van alle schoolrichtingen die door ten minste één bij [betrokkene 1] passende school op redelijke afstand van onze woning wordt uitgedragen en van enkele openbare scholen, en een toelichting van onze bezwaren tegen die schoolrichtingen en het Openbaar onderwijs, zoals die uit onze levensovertuiging volgen.

Ik geef van onze richtingbezwaren voor alle duidelijkheid hier nog een nadere toelichting.

Tegen de (protestants-)christelijke, rooms-katholieke, gereformeerde en reformatorische schoolrichtingen met één of meer scholen op redelijke afstand van onze woning betreffen onze bezwaren het vastgelegd, geschreven fundament van die richtingen, het Oude en het Nieuwe Testament (het Evangelie) en de bijbehorende normen en waarden. Die christelijke levensovertuigingen zijn allemaal primair op dogma's gebaseerd, ontleend aan overgeleverde teksten in de Bijbel waaraan men gezag toekent.

Onze eigen levensovertuiging betreft daarentegen een denkfundament dat dynamisch is en zeker niet vastomlijnd. Dit weerspreekt elkaar. Het Holisme is een bewustzijn dat de eenheid erkent en herkent achter de pluraliteit van het universum waarin wij leven. Onze levensovertuiging is dus georiënteerd op de persoonlijke ervaring van de mens, en juist niet primair op schriftelijke bronnen. Plaatsing van [betrokkene 1] aan zulk een school zou zijn geestelijke ontwikkeling naar onze mening daarom te zeer schaden.

Het onderwijs en de daarbij behorende normen en waarden van Openbare en Algemeen-bijzondere scholen zijn ontleend aan de visie van de meerderheid van de Nederlandse bevolking. Deze sluit niet aan bij het Holisme. Hoewel Openbare Scholen het Holisme officieel zouden moeten respecteren, is het percentage Holisten in Nederland zo klein, dat er onmogelijk een redelijke tijd binnen het onderwijs te besteden valt aan het Holisme als zodanig. Ook valt van docenten en het bevoegd gezag van die scholen geen inzicht in Holisme te verwachten, zodat zij niet weten wat zij nu precies zouden moeten eerbiedigen. Bovendien dragen deze scholen het Holisme per definitie niet uit, daar zij neutraal zijn. Daartegen hebben wij bezwaren. Doordat neutrale scholen elke levensovertuiging respecteert, hebben zij geen eigen visie.

Wij zijn er uit principe van overtuigd dat het vóór-leven (uitdragen) van een eigen visie (in ons geval het Holisme) onmisbaar is voor de geestelijke ontwikkeling van een jongere. Vanuit onze levensovertuiging vinden wij dat de spirituele en seculiere (wereldse) kanten van het leven één geheel zijn, en dat we daar geen (meer dan oppervlakkig) onderscheid tussen kunnen maken Daarom vinden we het bezwaarlijk dat de geestelijke ontwikkeling van onze kinderen en hun cognitieve en sociale ontwikkeling door bezoek aan een Openbare of Algemeen-bijzondere school van elkaar zouden worden gescheiden. Een school van onze eigen levensbeschouwelijke richting zou er immers voor kunnen zorgen dat die levensaspecten in het onderwijs wel één eenduidig geheel vormen. Een school die onze levensovertuiging niet uit ervaring kent en toepast, kan de waarde en werking van de dynamische ontwikkeling van onze levensovertuiging in kinderen niet begrijpen, laat staan bevorderen.

Tegen de Openbare school met humanistische cultuur het Stedelijk Gymnasium Johan van Oldenbarnevelt hebben wij daarnaast het bezwaar dat het Humanisme van de mens uitgaat terwijl het Holisme een bewustzijn is dat de eenheid erkent en herkent achter de pluraliteit van het gehele universum waarin wij leven. Wij vinden het humanisme als levensvisie te beperkt. En ook op deze school is geen plaats voor het Holisme.

Bij de Antroposofische richting vinden wij de visie op reïncarnatie zeer bezwaarlijk. Hoe meer weerstand in deze visie een kind in zijn leven tegenkomt, hoe meer profijt het daaruit zou verkrijgen voor een volgende incarnatie. Ook hebben wij bezwaar tegen hun algemeen christelijk perspectief.

Afweging van richtingbedenkingen

Ouders maken per kind een afweging tussen het belang van schoolonderwijs en de noodzaak die zij zien om hun levensovertuiging te laten prevaleren in de ontwikkeling van hun kinderen. Omdat kinderen in karakter en ontwikkeling van elkaar verschillen kan deze afweging per kind verschillend uitvallen. Sommige kinderen zijn beter bestand tegen een kloof in levensopvattingen tussen thuis en school dan andere.

Een weegfactor is dat ouders bij uitoefening van een richtingbezwaar en dus bij het ontbreken van fysiek schoolonderwijs zelf meer zorg moeten leveren om de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kind te bevorderen. Deze zorgplicht volgt uit artikel 1:247 BW.

Als de kinderen van richtingbezwaarde ouders niet allemaal aan het richtingbezwaar worden onderworpen (en sommigen dus wel naar school gaan), dan kan ook niet daaruit worden geconcludeerd dat het die ouders gaat om de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs. Deze ouders maken per kind een afweging tussen het belang van schoolonderwijs en het belang van het impregneren van de ontwikkeling van hun kind met hun levensovertuiging. Omdat kinderen in karakter en ontwikkeling van elkaar verschillen kan deze afweging per kind verschillen. Sommige kinderen zijn goed bestand tegen de kloof in opvattingen tussen thuis en school, terwijl anderen daar kwetsbaar voor blijken.

Als ouders naar hun kinderen luisteren en hun opvattingen meewegen, alvorens op basis van hun ouderlijk gezag (art. 1:247 BW) een beslissing over hun onderwijs te nemen, dan doen zij dat in overeenstemming met het recht, en volgen zij daarin artikelen 12 lid 1 van het IVRK. Dit is dan ook geen grond om een richtingbezwaar te vverwerpen.

Ook de reisafstand naar de dichtstbijzijnde school van een gewenste of aanvaardbare richting kan een weegfactor zijn.

Het afwegen van het richtingbezwaar is voorbehouden aan de ouders. Het is niet aan de leerplichtambtenaar, de gemeente of de rechter om het gewicht van iemands richtingbedenkingen te bepalen, aldus de Hoge Raad op 30-10-2001 (LJN: AB2946, Hoge Raad, 01770/00).

Hoe dan ook, de Hoge Raad heeft strafrechters opdracht gegeven om de schoolbezwaren van verdachten die zich beroepen op artikel 5.b Lpw te onderzoeken, om te beoordelen of die bezwaren de richting van het onderwijs betreffen. Met de informatie die we de kantonrechter en nu nog eens aan u hebben verstrekt kunt u die beoordeling maken. U kunt zelf zien dat het ons om de richtingen van het onderwijs van scholen te doen is.

Het is daarbij volstrekt ondoenlijk en onredelijk om wat ik hierover verklaar nog eens aan te houden tegen objectieve feiten. Die kunnen onze opvattingen noch onderbouwen noch ontkrachten. Zulks te proberen is eveneens een vorm van afwegen van richtingbezwaren en de wetgever heeft zulke vormen van afweging, zover zij niet uitdrukkelijk in de tekst van de Leerplichtwet staan, wijselijk willen tegengaan.

Ik wijs hierbij op artikel 8 lid 2 Lpw. Dat verklaart een kennisgeving van een 5.b-beroep voor een individueel kind ongeldig als dat zelfde kind in de voorgaande jaarperiode aan een school geplaatst was van een richting waartegen bezwaar gemaakt wordt. Artikel 8 lid 2 Lpw zwijgt daarentegen over andere kinderen in het gezin en laat uit de schoolplaatsing van die andere kinderen geen enkele consequentie volgen. Als de wetgever aan zulk een omstandigheid wel een fatale consequentie had willen verbinden, dan zou deze dat in artikel 8 Lpw hebben gedaan."

2.2.4.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof gaat uit van de volgende vaststaande - door de verdachte in hoger beroep niet bestreden - vaststaande feiten en omstandigheden.

De twee minderjarige zonen van verdachte, [betrokkene 1] (geboren in 1998) en [betrokkene 2] (geboren in 2000) en beiden nog leerplichtig, gaan vanaf januari 2008 niet naar school. Vanaf 1 augustus 2009 stonden zij niet ingeschreven als leerling van een school.

Verdachte heeft, zowel voor [betrokkene 1] als voor [betrokkene 2] , voor de schooljaren 2009/2010 en 2010/2011, telkens aanspraak gemaakt op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van beide kinderen op een school. Daarbij heeft verdachte een beroep gedaan op de grond dat er 'overwegende bezwaren tegen de richting van het onderwijs zijn', welke bezwaren voorkomen uit zijn holistische levensovertuiging. Die vrijstelling is van rechtswege ontstaan voor het schooljaar 2009/2010 en het schooljaar 2010/2011.

De daarop volgende jaren is door verdachte ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , telkens op dezelfde grond als de jaren daarvoor, een beroep gedaan op vrijstelling van de verplichting tot inschrijving op een school. Voor de schooljaren 2011/2012, 2012/2013 en 2013/2014 ontstond voor verdachte ten aanzien van zijn zonen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] telkens van rechtswege een vrijstelling van inschrijving.

In het schooljaar 2013/2014 is [betrokkene 2] per 6 mei 2014 ingeschreven bij een school, te weten [A] College, [plaats] . [A] College betreft een 'groen vmbo' dat vanuit een Christelijke levensvisie algemeen vormend onderwijs aanbiedt.

Op 26 juni 2014 heeft de leerplichtambtenaar van de gemeente Amersfoort een kennisgeving van verdachte ontvangen van de grond waarop hij meent dat hij voor zijn zoon [betrokkene 1] aanspraak op vrijstelling van de inschrijvingsplicht voor het schooljaar 2014/2015 kan maken. Verdachte heeft aangevoerd dat hij vanwege zijn holistische levensovertuiging overwegende bezwaren heeft tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen of instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.

Omdat één van de twee zonen nu wel ingeschreven stond op een school heeft de leerplichtambtenaar geconcludeerd dat er kennelijk geen overwegende bezwaren bestaan tegen alle scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van de woning bevinden en geconcludeerd dat het beroep op vrijstelling niet voldoen aan de wettelijke vereisten. Er is derhalve geen vrijstelling van rechtswege ontstaan van de verplichting om [betrokkene 1] in te schrijven voor het schooljaar 2014/2015.

Uit een controle van de leerlingenadministratie van de gemeente Amersfoort op 21 oktober 2014 bleek dat [betrokkene 1] van 1 september 2014 tot en met 21 oktober 2014 niet ingeschreven heeft gestaan bij een school. De leerplichtambtenaar heeft tegen één van de ouders bij wie het wettig gezag berust proces-verbaal opgemaakt en dat is de vader.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat door het handelen van verdachte de regels van de Leerplichtwet 1969 zijn overtreden.

Verdachte heeft zijn bedenkingen tegen de richting van het onderwijs aangegeven op een lijst per schoolrichting. Hij geeft bezwaren aan tegen Christelijk onderwijs, openbaar onderwijs, openbaar humanistisch onderwijs en antroposofisch onderwijs. Hoewel verdachte stelt bezwaar te hebben tegen Christelijk onderwijs, heeft hij zijn andere zoon per mei 2014 ingeschreven op een Christelijke school. De advocaat-generaal is van oordeel dat verdachte onvoldoende heeft aangegeven waarom de ene zoon wel Christelijk onderwijs kan volgen en de andere niet, waar verdachte stelt dat zijn levensovertuiging sinds 2012 niet is veranderd en geldt voor alle kinderen. De door verdachte gegeven onderbouwing van het beroep op vrijstelling is daarmee niet langer voldoende aannemelijk gemaakt. De leerplichtambtenaar heeft dan ook terecht geoordeeld dat verdachte geen recht toekwam op vrijstelling van de verplichting om [betrokkene 1] in te schrijven voor het schooljaar 2014/2015.

Het verweer

Door de verdachte is vrijspraak bepleit van de hem tenlastegelegde overtreding van de Leerplichtwet 1969. In dit verband is onder meer aangevoerd dat verdachte een beroep heeft gedaan op vrijstelling van zijn verplichting om zijn zoon [betrokkene 1] op een school in te schrijven op grond van artikel 5, aanhef en sub b Leerplichtwet 1996 vanwege zijn holistische levensovertuiging. Verdachte heeft overwegende bedenkingen tegen de richting van alle scholen op redelijke afstand van zijn woning, omdat geen van deze scholen de holistische levensovertuiging uitdragen of voldoende bevorderen, maar daarmee juist strijdig zijn.

Verdachte stelt dat hij het recht heeft om per kind de afweging tussen zijn levensovertuiging en de belangen van het kind te maken en dat hij zich ten aanzien van [betrokkene 1] terecht heeft beroepen op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b Leerplichtwet 1996.

Wettelijk kader

Voor de beoordeling van het verweer zijn de volgende bepalingen van de Leerplichtwet 1969 (hierna ook: Lpw), zoals deze golden ten tijde van het tenlastegelegde, van belang.

- Artikel 2, eerste lid, Lpw:

"Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (...)."

- Artikel 5, aanhef en onder b, Lpw:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang (...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben."

- Artikel 6, eerste en tweede lid, Lpw:

"1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetenen in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli."

- Artikel 8 Lpw:

"1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit."

De beoordeling van het verweer

Het hof stelt, onder verwijzing naar HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, voorop dat

i) indien een beroep is gedaan op de vrijstellingsgrond als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw de rechter moet onderzoeken of de bedenkingen de richting van het onderwijs betreffen (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1980, 190 en HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001: AB2946, NJ 2002,98); blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever niet gewild dat de rechter het gewicht van de bedenkingen beoordeelt (vgl. HR 19 februari 1980, NJ 1989, 190);

ii) onder overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in artikel 5, aanhef en onder b Lpw zijn niet begrepen bedenkingen tegen de soort van het onderwijs, tegen de leerplicht als zodanig of tegen de wettelijke inrichting van het onderwijs (vgl. HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1985, NJ 2000, 703);

iii) degene die zich op een vrijstelling beroept, dient - gelet op het voorgaande - duidelijk aan te geven welke zijn bedenkingen zijn tegen het onderwijs op de scholen of instellingen die zich binnen redelijke afstand van zijn woning bevinden en waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, opdat de rechter kan beoordelen of die bedenkingen de richting van het op die scholen of instellingen gegeven onderwijs betreffen (vgl. HR 11 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0453).

In het kader van deze strafzaak moet onderzocht worden of verdachte van de verplichting om het in de tenlastelegging genoemde kind naar school te sturen was vrijgesteld omdat hij tegen de richting van de redelijkerwijs bereikbare scholen overwegende bedenkingen had.

Daarbij zal het hof niet treden in de vraag of deze bedenkingen al dan niet overwegend waren en slechts oordelen over de vraag of de bedenkingen de richting van het onderwijs in de zin van artikel 5 van de Leerplichtwet betreffen.

Verdachte heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de leerplicht, het soort onderwijs of de organisatie van het onderwijs. Hij heeft bezwaren vanwege de denominatie van de scholen. Verdachte heeft naar voren gebracht dat zijn kinderen onderwijs moeten krijgen in overeenstemming met hun holistische levensovertuiging. Daarbij moet de spirituele en seculiere kant van het leven één geheel zijn. Het leven en onderwijs is één geheel en verbonden met natuur, muziek en kunst. Volgens de holistische levensovertuiging moeten kinderen zoveel mogelijk buiten leren. Tijdens het buiten leren kunnen kinderen met hun blote voeten in het gras zitten. Van belang is verder dat er ruimte is om de seizoenen en de jaargetijden te vieren. Het is belangrijk en onmisbaar voor de ontwikkeling van zijn kinderen dat de holistische levensovertuiging wordt uitgedragen op een school. Openbare scholen dragen die levensovertuiging niet uit en kunnen die ook, bij gebrek aan deskundigheid, niet bevorderen. De scholen zijn ook niet in staat om het buiten leren te faciliteren.

Verdachte stelt dat ouders ingevolge de wet zorg moeten dragen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van hun kinderen. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] zijn verschillende kinderen en tonen een andere persoonlijkheidsontwikkeling. [betrokkene 2] is een doener en zijn interesses liggen met name bij planten en dieren. Hij wil bloemstukken maken en dieren fokken. Verdachte heeft geconstateerd dat zij [betrokkene 2] thuis niet langer voldoende konden bieden om hem daarin te ondersteunen en daarom hebben zij hem ingeschreven op [A] College in [plaats] . Dit ondanks de bezwaren die verdachte tegen die school heeft. Verdachte kan [betrokkene 1] thuis en met activiteiten buitenshuis nog steeds bieden wat hij nodig heeft voor zijn ontwikkeling. Hij leert zoveel mogelijk buiten. Ter zitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard geen bezwaar te hebben tegen de inhoud van de lesstof die op openbare scholen wordt aangeboden. [betrokkene 1] volgt onderwijs via de LOI en wordt bijgestaan door familie en kennissen. De vakken die hij volgt zijn qua inhoud gelijk aan de lesstof op school. Met [betrokkene 2] , die nog steeds op [A] College zit, gaat het prima.

De stukken en de verklaring van verdachte op de terechtzitting geven naar het oordeel van het hof geen voldoende geconcretiseerde en herkenbare bedenkingen tegen de richting van de bestaande onderwijsinstellingen. Het is het hof onvoldoende duidelijk geworden welke wezenlijke bedenkingen tegen de richting van het onderwijs verdachte koestert. De opgegeven bezwaren hebben veeleer betrekking op de manier waarop op reguliere scholen het geven van onderwijs is georganiseerd en in de praktijk tot uiting komt. Het hof is van oordeel dat deze bezwaren niet vallen onder de in de Leerplichtwet 1969 bedoelde bedenkingen tegen de richting, maar meer de inrichting van het onderwijs betreffen.

Het hof verwerpt het verweer."

2.3.

De te dezen relevante bepalingen van de Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) luiden:

- art. 2, eerste lid:

"Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school is ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt (...)"

- art. 5, aanhef en onder b:

"De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling is ingeschreven, zolang (...)

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben."

2.4.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 5, aanhef en onder b, Lpw is de daarin opgenomen vrijstellingsgrond in het leven geroepen met het oog op de eerbiediging van ernstige gemoedsbezwaren (Kamerstukken II 1897/98, 160, nr. 3, p. 4). Gelet hierop moet onder het begrip richting als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw worden verstaan: een fundamentele oriëntatie, ontleend aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing (vgl. HR 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6719, NJ 2010/422).

Van overwegende bedenkingen in de zin van art. 5, aanhef en onder b, Lpw is derhalve eerst sprake in geval van ernstige gemoedsbezwaren die berusten op een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing.

2.5.

Hetgeen door de verdachte in de onderhavige zaak in appel is aangevoerd en hiervoor onder 2.2.2 en 2.2.3 is weergegeven, kan bezwaarlijk worden aangemerkt als aan een welbepaalde godsdienstige overtuiging of levensbeschouwing ontleende, overwegende bedenkingen als bedoeld in art. 5, aanhef en onder b, Lpw. De omstandigheid dat de verdachte zijn bezwaren zelf aanmerkt als een uitvloeisel van zijn holistische levensovertuiging, brengt niet mee dat die bezwaren reeds daarom overwegende bedenkingen opleveren tegen de richting van het onderwijs in zin van de wet.

2.6.

Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve, zodat hetgeen het Hof dienaangaande heeft overwogen onbesproken kan blijven.

3 Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.